De zoon van mijn levensgezellin heeft graag grillworst. Zo ’n echte hardcore zelf te snijden grillworst. Hij lust hem zowel los als tussen zijn brood. Weliswaar niet het gezondste vleeswaar maar dat zal me worst wezen. Het is lekker goedkoop en vanwege de toegevoegde chemicaliën lang houdbaar.
Gisteren was de grillworst op. Teleurgesteld zag ik hem bij dageraad de laatste drie centimeter naar de uitgang van het cellofaan duwen, om hem vervolgens toe te vertrouwen aan zijn spijsvertering.
‘Op’, klonk het na een laatste luide demonstratieve slikbeweging.
Aan alles komt een eind, ook aan een grillworst.
‘Ik breng vanmiddag wel een nieuwe voor je mee als je wilt,’ zei ik troostend.
‘Graag!’ Hij zou het liefst van ontroering een traantje wegpinken.
‘Als ik het tenminste niet vergeet’, zei ik er voor de zekerheid achteraan.

Ik had een boodschappenlijstje gemaakt die middag. Het woordje grillworst had ik voor de zekerheid iets groter geschreven dan de rest.
Maar het mocht niet baten. Het worst-case scenario werd bewaarheid: eenmaal thuis deed ik de schokkende ontdekking van het volledig ontbreken van de grillworst. Weer terug naar de supermarkt rijden vond ik letterlijk te ver gaan, maar gelukkig had ik wel boterhamworst bij me. Dit andere exemplaar uit de familie der worstachtigen lust onze grote vent ook, zij het wat minder graag.
Ik besloot mijnheer bij thuiskomst na een lange schooldag maar meteen te verwelkomen met het slechte nieuws.
‘Ik ben de grillworst vergeten’, zei ik zo onverstaanbaar mogelijk, hem niet aankijkend.
‘Hè wat?’
‘Oh niks, de grillworst was ik vergeten’, zei ik nu verstaanbaar doch achteloos alsof het allemaal niks voorstelde. Ik deed ook net alsof ik iets aan het doen was, maar ik deed niks.
Gelukkig nam hij het redelijk op.
‘Man oh man, dan ben je echt stom,’ hoorde ik hem zeggen.
‘Maar ik heb wel boterhamworst voor je,’ bracht ik vervolgens het goede nieuws.
‘Zal niks anders opzitten hè.’ Hij speelde zijn slachtofferrol met verve.
Ja, er zal straks niks anders dan boterhamworst op je brood zitten, wilde ik zeggen maar dat durfde ik niet.
Ik durfde wel te zeggen: ‘Morgen na het werk ga ik speciaal terug naar de winkel om een grillworst te kopen voor jou.’

Voor ik de volgende dag deze belangrijke missie ging voltooien, begon ik wat nerveus te worden. Een man van vijftig die één grillworst koopt…zouden mensen dat niet raar vinden? En het is toch ook een fout gezicht, zo ’n man van vijftig die ten overstaan van een jong kassameisje met één grillworst op de proppen komt. Zou zo ’n meisje niet denken: bah, vieze oude man met zijn ene grillworst. Misschien loopt ze me na het afrekenen wel achterna om mijn kenteken te noteren. Er zijn mannen voor minder opgepakt! Daarbij had ik geen kleingeld en vond ik het ook nogal wat om de 99 cent (de going price van grillworsten these days)  te pinnen. Ik weet wel: klein bedrag, pinnen mag, maar als je één grillworst voor 99 cent koopt is het beter van niet denk ik. Tijdens het pinnen kan dan de stilte wel als heel erg pijnlijk ervaren worden. Neen, dan liever een euro gooien en snel verder lopen met de woorden: bonnetje hoef niet. Maar ja, ik had geen euro.
Mijn missie dreigde een farce te worden. Ik moest snel iets bedenken, de tijd begon te dringen. Om vijf uur wilde ik immers gaan koken. Maar gelukkig, altijd als ik iets moet bedenken komen de meest briljante oplossingen naar boven. In dit geval kwam mijn brein met de volgende optie: koop er iets bij, dan koop je niet slechts één grillworst. Te briljant voor woorden. Maar wat zal ik erbij kopen? Nog een grillworst? Nee, dat is misschien wel twee keer zo raar…
Ik trok in de keuken wat lades en kasten open om te kijken wat er niet meer was. Het was best moeilijk om te kijken wat er niet meer was. Ik zag wel iets wat er bijna niet meer was namelijk: de boterhamzakjes. Dat was het: ik ging een grillworst kopen en een lading boterhamzakjes. Probleem opgelost!
Onderweg in de auto realiseerde ik me dat het misschien wel zeker zo fout is: een man van vijftig tegenover een kassameisje met één grilworst en boterhamzakjes. Je kunt er van alles bij bedenken, toch? Er moesten meer dingen bij maar wat? Ik besloot in de supermarkt maar een mandje te pakken en me over te geven aan impulsaankopen.

Een kwartier later sloot ik dapper met een tot de rand gevuld mandje aan in de rij van het mooiste kassameisje. De grillworst lag triomfantelijk bovenop. Het kon me geen donder schelen!
Toen het moment daar was, legde ik hem zelfs in pole position op de kassaband.
Niemand vond het raar, ook het kassameisje niet.