hagel

Het is donderdagavond 23 juni. Ik sta buiten en kijk naar de donkere dreigende lucht. Van mij mag het gebeuren. Na een snikhete benauwde dag kan een verfrissend onweersbuitje een welkome visite zijn. Bovendien vind ik onweer spectaculair om te zien. Het geeft meer spanning en sensatie dan de gemiddelde EK-wedstrijd.

Het dondert, rommelt en bliksemt eerst vanjewelste. Dan komen de eerste druppeltjes. Het mag nog geen naam hebben. Ik zie er hooguit tien à twaalf op de stoep kletteren. Dan blijft het weer even droog.
Goh, denk ik, zullen we er net langs af piepen? Buienradar gaf ook al zo ’n beeld. Ja, we piepen er vaker langs af.
Maar dan beginnen de druppels weer en deze keer zijn ze met veel meer. Teveel om eronder te blijven staan in ieder geval. Ik vlucht naar binnen en blijf in de openstaande schuifdeur de bui aanschouwen. Ik zie hoe mijn kat ons verwarmingshokje annex berging in sprint. Speciaal voor haar hebben we vanwege een gebrek aan een kattenluik die deur vastgezet op een katdoorlatende kier. Zo kan ze altijd ergens binnen. Poesjes worden nu eenmaal niet graag nat, en neen dit is niet dubbelzinnig bedoeld.  Bepaalde nevengedachten hieromtrent zegt meer over jou als lezer dan over mij.
Afijn, ik droog, kat droog, iedereen blij, laat maar regenen. En dat doet het steeds harder en harder.
Mijn huisgenoot wil er zich bijvoegen. Om haar doel te verwezenlijken schuif ik de deur een halve meter verder open. Samen kijken we verder naar de regen. Romantisch is een groot woord, maar het heeft wel iets gezelligs om zo samen vanuit een droge positie naar de aanzwellende regen te kijken. Want aanzwellen doet het! Jezus, wat begint het tekeer te gaan. Ik vertel dat ook tegen mijn vriendin alsof ze dat zelf niet kan zien.
‘Jezus, wat gaat het weer tekeer,’ zeg ik. Ik voeg expres het bijwoord ‘weer’ bij, omdat het vaker prijs is de laatste tijd. Je zou het woordje weer in deze natuurlijk ook kunnen zien als het zelfstandig naamwoord weer. Hoe mijn partner het interpreteert weet ik eigenlijk niet, maar dat is niet zo relevant.
Ze reageert iets in de trant van ‘Nou, dat kun je wel zeggen.’
Conversaties over het weer zijn nooit zo erg diepzinnig. We zwijgen dan ook maar een tijdje.
Pas als er wat hagel bijkomt, zeg ik: ‘Jezus, er zit wat hagel bij.’
‘Ja,’ zegt mijn vriendin bevestigend..
De hagelstenen worden wat groter, ik zie gewoon brokken ijs met geweld op het dak vallen.
‘Jezus,’ zeg ik ‘de hagelstenen worden steeds groter. Er vallen gewoon stukken ijs met geweld op het dak.’
‘Inderdaad’, klinkt het weer bevestigend naast mij.
Dan sprint de kat vanwege de hagelherrie de berging uit om tussen ons door de kamer binnen te vliegen. Tenminste, ik denk dat die bruinrode streep de kat was.
‘Volgens mij was dat de kat,’ zeg ik. We kijken maar weer verder naar wat het weer doet. De hagel wordt steeds forser…
Wanneer de gemiddelde neerploffende hagelsteen de doorsnee heeft bereikt van drie centimeter, vind ik het tijd worden om mijn IPhone te trekken om te filmen. Het levert een prachtig filmpje op met een eindshot van mijn linkerhand met daarop de allergrootste hagelsteen die ik binnen de draaicirkel van mijn korte armpjes had kunnen bemachtigen.
Dan is de hagelbui over.
Ik begin het filmpje door te appen naar de diverse familiechats.
‘Zo, daar zullen ze niet van terug hebben,’ zeg ik trots.
Ik heb het maar amper gezegd of ik zie dat mijn jongste broer mij al voor is. Hij heeft van acht kilometer afstand ongeveer hetzelfde filmpje met zeker zo ’n grote hagelstenen gestuurd. Pas dan besef ik dat het unieke weerverschijnsel zich ook heeft voorgedaan buiten de grenzen van ons territorium. Wij waren duidelijk niet de enige uitverkorenen die dit schouwspel hadden mogen aanschouwen.
Teleurgesteld plof ik op de bank. ‘Het heeft overal flink gehageld,’ mopper ik, ‘mijn filmpje bij Omroep Brabant, ondersteund door een interview met de maker himself zal niet gaan gebeuren. Dat ze het uitzoeken godverdomme! Het is ook altijd hetzelfde als je denkt uniek te zijn!’
Deze laatste zin is een hele unieke zin, maar dat besef ik op het moment niet.
We zitten vervolgens maar wat voor de tv. Wat moet je anders. Bovendien vind ik dat best romantisch.

Een half uurtje later belt een tante vanaf een vakantiehuisje in Roggel waar mijn moeder en alle tantes een midweek vertoeven. Mijn vriendin heeft weliswaar opgenomen, maar ik kan vanaf twee meter aan de herrie aan de andere kant van de lijn duidelijk horen dat alles nog leeft ginder. Gelukkig maar, want in een vakantiehuis in Roggel wil je niet dood gevonden worden.
Er wordt gevraagd of ik even naar het huis van moeder wil gaan kijken of er geen hagelschade is. Mijn moeder- die zelf overigens niet kan bellen omdat ze geen mobiele telefoon heeft – maakt zich ongerust. Kennelijk was het hagelnieuws al helemaal doorgedrongen tot in Limburg.
Ik doe wat me wordt gevraagd. Ik rijd in mijn Smart Cabrio met het dak dicht naar haar huis op ’t mooie Loo.
Even kijken en laten weten dat er niets aan de hand is, denk ik kalm.

Bijna bij de plaats van bestemming aangekomen weet ik niet wat ik zie. Of eigenlijk weet ik dat wel. Ik zie mensen naar kapotte daken wijzen, naar kapotte daken kijken en op kapotte daken zitten. Ik zie mensen samendrommen rond gedeukte auto’s met kapotte ruiten.
‘Jezus,’ mompel ik tegen niemand.
Omdat een stuk straat vanwege werkzaamheden is afgesloten, moet ik het laatste stukje lopen.
Voor het huis van mijn moeder loopt één van haar overbuurvrouwen.
‘Oh, je komt natuurlijk de schade opnemen bij het huis van je moeder,’ zegt ze enthousiast.
‘Ja, ja,’ zeg ik mijn wenkbrauwen fronsend, ‘ik zal eens kijken of er iets is…’
Het zal toch niet, denk ik. Ineens voel ik me ook een beetje tot de slachtoffers horen, maar wat koop je ervoor? Niks toch. Als iedereen in de omgeving slachtoffer is, kun je weinig meelevende blikken verwachten.
Maar één ding is me duidelijk: de heftigste hagel is dus hier gevallen, precies bij mijn moeder in de straat.

Als een stagiair van Interpolis loop ik schouwend rond het huis, en ja hoor: aan de achterkant zijn ook een tiental dakpannen kapot.
‘Jezus, wat een gedoe,’ mompel ik tegen de notenboom. Vervolgens wil ik hem een keer flink schoppen maar ik weet me verstandigerwijs in te houden. Ik heb geen zin om straks heel dat eind naar mijn auto met een gebroken teen terug te hinken.
Ik trek mijn IPhone en begin de familie te appen. Ik verzoek met gevoel voor dramatiek iedereen om zo snel mogelijk naar hier te komen want er zijn bij moeder dakpannen kapot. Misschien wel tien of twintig!
Mijn schoonzus reageert als eerste door helemaal vanuit Luyksgestel simpelweg te bellen. Ze geeft in deze kennelijk de voorkeur aan mondelinge communicatie.
Ik geef het bekende groene hoorntje een geavanceerd tikje en leg de smartphone tegen mijn oor.
‘Met William,’ zeg ik.
‘Met Franka,’ klinken haar eerste woordjes te luid en duidelijk.
Ik voel me genoodzaakt de afstand tussen mijn IPhone en mijn oor wat te laten vieren.
‘Luister Will,’ gaat mijn schoonzus nu op meer gepaste afstand verder, ‘bij ons ligt het halve dak in puin, dus ik denk niet dat wij nu nog even naar jullie moeders dak gaan kijken.’
Ik begrijp het. Het Loo is niets, en De Weebosch is nog veel minder in vergelijking tot Luyksgestel.
Mijn andere broer en schoonbroer arriveren even later wel en we constateren dat we op het moment toch niks kunnen doen. En zo geschiedde.

Eenmaal thuis blijkt mijn levensgezellin ergens een kapot dakraam te hebben ontdekt. Ik ben verrast, mede door het feit dat ik niet eens wist dat daar een dakraam zat. Geen wonder dat het hier altijd zo licht was overdag, denk ik.
Maar het ontdekte raam is nu dus kapot. Twee grote gaten zitten erin. De daders zijn al gesmolten.
Normaal zou ik helemaal flippen, maar nu haal ik slechts mijn schouders op.
Relativeren, heet dat. Je leert dat vanzelf tijdens zo’n mega-event.

Maar serieus, het is echt geen flauwekul: zo’n hagelbui.
Hopelijk is binnenkort iedereen weer onder de pannen.