Met mijn wederhelft heb ik zes dagen in Rome vertoefd. Rome is een leuke stad. Je kunt er veel dingen zien zoals het Colosseum, het Pantheon, de Trevifontein, de Spaanse trappen en natuurlijk het Vaticaan. Ze hebben er lekker eten en drinken en het is overal een gezellige toeristische drukte. Het is in één woord Valkenburg XXXXL.

Toch kozen we ervoor om na vier dagen Romerondstruining de drukte even te ontvluchten door naar de zee te gaan. Met metro en trein, want dat was de beste optie volgens de beste optie van een googlesessie. We hadden met deze wijze van transport in Rome nog geen ervaring. Het ging dan ook al mis met de kaartjes kopen. De éne kaartjesautomaat op het station, die volgens eigen zeggen alleen contant geld accepteerde spuugde alle eurobiljetten er weer vrolijk uit. Hij slikte alleen klinkende munt. Het ding was half defect zullen we maar zeggen. Maar geen nood, even verderop waren bemande loketten waar je kaartjes kon kopen. Dat je nummertjes moest trekken deerde ons nog niet echt. We trokken nummer 44. De rode cijfers op het rodecijferbalkje gaven 18 aan. Toen na een kwartier pas nummer 22 verscheen vond ik het toch tijd worden om een keer te vloeken in de heilige stad.
‘Godvernondeju’, zei ik.
We hadden geld kunnen gaan wisselen, we hadden naar een ander stationnetje kunnen gaan lopen, maar toch deden we dat niet. Het was raar. We hebben gewoon gewacht, alsof we ons lot nu eenmaal moesten aanvaarden. Het waren overigens niet alleen kaartjes die gekocht werden. Er stonden ook de meest uiteenlopende drukgebarende Italianen allerlei documenten in te vullen die aan weerszijden van de loketten duidelijk niet begrepen werden.
Om het wachten te doden liep ik af en toe terug naar de kaartjesautomaat om te kijken of die het nog niet fatsoenlijk deed. Maar tevergeefs. Ernaast stond nu wel een stationsmedewerker om tegen iedereen in de lange wachtende rij te vertellen dat het rotding geen biljetten meer lustte. Ook hier werd weer druk gegesticuleerd. (voor degene die denkt dat ik literair aan mispeuteren ben: gesticuleren is een duur woord voor gebaren maken, met als voltooid deelwoord het raar lezende gegesticuleerd ) is zonder twijfel de nationale volkssport in Italië.
Afijn, een uurtje later, liepen we dan uiteindelijk met de felbegeerde kaartjes een trapje lager naar het perron.
‘Kijk daar!’ wees mijn reisgenoot verrukt, ‘daar staan vier goed werkende kaartjesautomaten op een rij!’
‘Ja, stom van ons, dat hadden we kunnen denken,’ snauwde ik.
We beleefden een leermoment, zullen we maar zeggen.

Aan de zee was het, behalve een vervelende wind, rustig. Te rustig. Er lagen met ons erbij ongeveer vijf toeristen en drie locals op het strand. Dat was best weinig in verhouding tot pakweg zesendertig rondtrekkende strandspullenverkopers, zodat er om de haverklap ééntje stond te zeuren of we hem voor geld van zijn rotzooi af wilden helpen. Na twee uur, en dat zijn veel haverklappen, hadden we het wel gezien en gingen we terug naar huis.
Met “huis” bedoelde we Romecentrum in deze.

Aan de rand van Rome moesten we overstappen van de trein naar de metro. Daartoe moesten we met een roltrap ver naar beneden. Daar stond de metro al te wachten. Met zijn deuren wagenwijd open leek hij ‘opschieten!’ te schreeuwen. Het zag er binnen al behoorlijk druk uit.
‘Kom, dan haalde we het nog net, ‘ zei ik terwijl ik begon te hollen. José, zoals mijn lief nog steeds heet, holde mee. Hollanders die hollen, het deed zijn naam eer aan. (flauw)
We haalden het net. Achter ons kwamen ook nog vier opgeschoten jongelui binnen. Ze waren behoorlijk irritant en leken iedereen aan de kant te willen duwen. Ik pakte mijn telefoon uit mijn borstzak en gaf die aan José die hem vervolgens in haar tas duwde. Ik was heel alert op mijn telefoon. Stel je voor dat zakkenrollers…je weet wel: je zakken rollen. Ik was daar op de roltrap al op aan het letten. Ze noemen het immers niet voor niets roltrap, toch? (weer flauw)
Net toen de metrodeuren gesloten waren duwde iemand op een knop om ze weer te openen. Vervolgens stormden de vier vervelende jongeren weer de metro uit. Hierna gingen de deuren weer dicht en zette het gevaarte zich in beweging.
Sukkels, dacht ik hoofdschuddend, ze zijn er natuurlijk achter gekomen dat ze de verkeerde metro hadden gepakt. Nooit op de ijzeren weg geweest zeker.
Toen zag ik allemaal meewarige Italiaanse blikken en een Jose die driftig in haar tas aan het zoeken was.
‘Kut, telefoon weg,’ klonk het gelaten.
`De mijne?’ vroeg ik verschrikt.
‘Nee, de mijne, de jouwe heb ik nog.’
‘Nou ja,’ zei ik, ‘is evengoed kut.’ Uit solidariteit vloekte ik ten tweede male in de heilige stad.
‘Dju toch!’ klonk het.
Omringende Italianen adviseerden ons in pizza-engels, uiteraard in combinatie met het nodige gegesticuleer om terug te keren naar het stationnetje des onheils om daar politie te zoeken en aangifte te doen.
Net voor we bij de eerstvolgende halte uitstapte. Vloekte ik ten derde malen in de heilige stad. Dit was een hele grote vloek, waar alle verdoemenissen, de meest vreselijke ziektes en synoniemen voor geslachtsdelen, dames van lichte zeden en uitwerpselen in voorkwamen. Ik merkte namelijk toen pas dat mijn portemonnee met geld, ID en rijbewijs ook weg was.
Niets van gemerkt, maar dat hoort nu eenmaal bij zakkenrollen.

Bij het plaats delict was geen politie te bekennen. Wel waren er twee soldaten met camouflagepakken en stoere geweren die een kijkje gingen nemen. Dit militair ingrijpen boekte helaas weinig resultaat. Toch wil ik namens deze plek het Italiaans leger hartelijk danken.
De stationsmedewerkers die zich vervolgens over ons ontfermde waren erg meelevend. Iemand vroeg zelfs of we een ambulance nodig hadden, Kennelijk straalde ik een enorme hoge bloeddruk uit. Maar ik was goed bij mijn positieven en deed wat ik doen moest: via de telefoon begon ik de nodige blokkades voor de bankpas en de gestolen telefoon te regelen. Dit ging mij en de mensen aan de andere kant van de lijn vrij goed af. Ik had niet hoeven vloeken.
Uiteindelijk werden we verwezen naar een politiebureau in de buurt. Hier krioelde het van diverse agenten in diverse uniformen. Iedereen keek ons verbaasd aan, alsof ze nog nooit in hun carrière beroofde toeristen hadden gezien. Wij keken maar verbaasd terug. Dat doe je dan.
Kunnen ze niet beter boeven gaan vangen? dacht ik clichématig.

Niemand op het bureau sprak echt fatsoenlijk Engels op één vriendelijke vrouwelijke agent na. Bij haar lukte het ons om haar de bedoeling van ons bezoek duidelijk te maken. De baas werd erbij gehaald. Hij had een hele mooie glimmende klep aan zijn pet zitten. Na een korte briefing begon hij onder een hoop tamtam opgewonden te gesticuleren. Hij bleek er moeite mee te hebben dat mijn ID weg was. Zo wist hij niet wie ik was en dat was voor hem een onoverkomelijk probleem.
‘Ai doe not no woe hie is, Hie not ekszist!’, brulde hij in zijn beste pizza-engels.
José moest alleen de aangifte doen en ik bestond dus niet. Volgens mij had hij er nog serieus over nagedacht om mij te arresteren wegens illegaliteit. Hij was heel nerveus en was duidelijk niet op de hoogte van de diverse protocollen.
Hoewel ik niet bestond mocht ik toch met hem, de ‘prima donna’ en uiteraard José mee naar het vertrek waar de aangifte plaats zou vinden. Dit was een klein kaal kamertje met een tafel, één bureaustoel en twee normale stoelen. Logischerwijs moest natuurlijk de grote onbestaanbare blijven staan. Ach, ik zat er niet mee. (ten derde male flauw)
Hier voltrok zich een heus Italiaans drama die zijn weerga niet kende. Er moest onder begeleiding van een tweetalige uitleg een aangifte formulier in het Engels met pen in blokletters ingevuld worden. Het digitale tijdperk was duidelijk volledig langs het kamertje heen gegaan.
Van glimmende petklep moest José verklaren dat ook mijn portemonnee uit haar tas was gestolen. Anders klopte het niet, vond hij. Iemand die niet bestond kon natuurlijk ook niet beroofd zijn. Hij zette José dus aan tot het doen van een beetje valse aangifte.
José vond het allemaal oké en begon te schrijven, vergiste zich een keer en streepte wat door. Glimklep bleek nog lang niet klaar met stressen.
‘No no”, riep hij alsmaar om zich heen gesticulerend. Vervolgens pakte hij het formulier om met ingehouden woede te verscheuren. Dit ritueel herhaalde zich een paar keer. Ondanks het wanhopige gesus van de agente werd de sfeer met de minuut grimmiger en werd het ook met de minuut later.
Ik besloot om maar alvast de ambassade te bellen over hoe nu verder met het verlies van mijn ID. Op hemelvaartzondag hadden we immers de vlucht terug en dat was nog maar twee nachtjes slapen. Ik vloekte in gedachte. De paus moest eens weten. Ondertussen hoorde ik hoe formulier nummer vijf met bruut geweld naar de prullenbak werd verwezen.
‘But what s the problem?’ hoorde ik José een paar keer achter elkaar vragen. De glimmende petklep had hierop nauwelijks een antwoord.Na het onderhoud met een woordvoerder van mijn ambassade, kreeg ik van José formulier nummer zes in mijn handen geduwd. Ze had namelijk zelf de moed opgegeven.
‘Schrijf jij alstublieft even?’ vroeg ze met een doffe blik on haar ogen, ‘ik kan niet meer.’
Toen de grote baas doorhad wat we van plan waren ging zijn glimmende petklep uiteindelijk toch ten teken van goedkeuring op en neer. Hij had het duidelijk uit onmacht maar als overmacht beschouwd.
Het geschreven woord was aan mij…

In een enorm tempo begon ik mijn hanenpoten over de daartoe bestemde lege lijntjes te verspreiden.
Na ongeveer veertien woorden greep glimklep al in. Het papier werd bruusk onder mijn pen vandaan getrokken waardoor de pen een streep achterliet vanaf een als ‘b’ bedoelde letter tot aan de rand van het papier. Hierna werd nummer zes werd onder een vernietigende blik vernietigd.
Ik haalde mijn schouder maar wat op. Wat moest ik anders.
José mocht het weer overnemen.
Hoelang gaat dat hier duren, vroeg ik mezelf af.
Formulier zeven bracht tegen de verwachting in geen geluk. Toen de man José toch weer een snelle heen-en-weergaande beweging met de pen zag maken flipte hij helemaal uit. En hoe! Na hevig gevloek en bij behorend gegesticuleer draaide hij zijn bureaustoel om, stak hij zijn handen wanhopig omhoog tegen de muur en begon hij met zijn hoofd inclusief pet met mooie glimmende klep tegen het stucwerk aan te bonken.
‘No, no, no!’ schreeuwde hij alsmaar.
Het was een actie waar John Cleese met recht jaloers op kon zijn.
De bijzittende señorita wist niet waar ze ongemakkelijk naar toe moest kijken. Uiteindelijk verkoos ze het tafelblad.
José schoot bijna in de slappe lach.
En ik? Ik vond op dat moment alles normaal. Mijn overlevingsinstinct nam het kennelijk over.

Maar het kwam toch allemaal goed. De lieftallige assistente had uiteindelijk tijdens een dictee van haar baas prachtige blokletters op formulier nummer acht weten te toveren. Wij mochten slechts toekijken.
Nadat hoge pief het vervolgens lukte om met een enorme klap het papier op de juiste plaats te stempelen, begon hij te ontdooien. Er kwam zowaar een glimlach onder de glimmende petklep tevoorschijn. Het was een harmonisch beeld. Zijn mond liep precies evenwijdig aan de onderrand van zijn glimmende petklep.
Toen hij ons even later uitliet begon hij zelfs de paljas uit te hangen.
Rare jongens, die Romeinen…

Verder hebben we er natuurlijk nog veel meer gedoe en geregel mee gehad, maar daar wil ik niet meer over uitwijden. Dit verhaal is immers allang genoeg. Al met al heeft het onze vakantie toch wel wat verknald. Pas veel later (toen de reisverzekering had uitgekeerd) konden we weer met een goed gevoel terugdenken aan de leuke dingen. Het blijft wel jammer dat er een hoop foto’s met de telefoon verloren zijn gegaan. Gelukkig was onze romantisme clichéfoto bij de Trevifontein dankzij een appsessie bewaard gebleven.

Achteraf hadden we het kunnen weten. We wisten dat dat vaak gebeurde. We waren ook altijd alert, behalve op dat (leer)moment. Het was een moment dat de daders bewust uit hadden gekozen. En door dat geduw en getrek dacht ik even niet aan mijn alertheid om het zo maar eens te zeggen. Behalve het moment zullen de daders ons ook bewust uit hebben gekozen. Met mijn strooien hoedje en mijn debiele korte broekje tot net boven mijn blote enkels was ik het prototype van de argeloze, naïeve, onoplettende sullige toerist. Ik stelde me voor hoe één van de daders mij, ditmaal zonder gebaren(!) had aangewezen. ‘Kleine domme dikzak met strooien hoedje ginder! Die vrouw van hem zit waarschijnlijk ook altijd te slapen, anders liep ze niet met hem rond. Bingo! Erop af!
We waren de rolmodellen (nou is het genoeg!) van het ideale slachtoffer.
Toch hebben ze verdomme van andermans spullen af te blijven!
Wist de politie maar wie ‘ze’ zijn…