Behalve merels, vinken, mezen, mussen, duiven, roeken, kraaien, uilen, andere vogels, wat muizen, een kat, veel muggen en af en toe een waggelende teckel van de buren, zitten er nu ook Pokémons bij ons in de tuin… naar het schijnt.

Tijdens een avondje ‘in de tuin zitten’ met de familie, werd de eerste ontdekt door twee volwassen kerels variërend in de leeftijd van negentien tot vierentwintig.
‘Jaaah,’ zeiden ze onafgebroken op hun smartphones kijkend. Hierna holden ze achter de tuin in.
In de bosjes zag ik ze druk overleggen, met hun mobieltjes schijnen en rare bewegingen maken. Twee volwassen kerels die raar doen in de bosjes… Wat was dit nu weer? Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Hier moesten vragen over gesteld worden, dat was duidelijk

Na ongeveer twee minuten kwamen ze weer bij ons aan de gezellige ronde tafel met vrolijk vinyl tafelzeiltje zitten, en gingen ze gewoon weer – bussines as usual – verder met schermpje staren.
‘Wat waren jullie achter in de tuin aan het doen?’ stelde ik vanachter een trappist mijn vraag.
‘Er zat daar een Pokémon,’ sprak de oudste en meest volwassen van de twee. Hij is bijna vijfentwintig en zijn hersenen zijn binnen afzienbare tijd nagenoeg helemaal uitontwikkeld… naar het schijnt.
‘Oké,’ zuchtte ik, en wat nu?’
‘Niks, we hebben hem,’ zei de andere.
‘Oké, en waar is hij nu?’
‘Dat zeggen we niet,’ zei Bijna Vijfentwintig weer.
‘Oké, maar hoe hebben jullie hem gevangen?’
‘Snap jij toch niet,’ aldus Bijna Twintig.
Vervolgens stonden ze zwijgend op en liepen ze als twee voorgeprogrammeerde robotten hun mobieltjes weer achterna.
‘Waar gaan die nou heen?’ vroeg ik aan het overschot aan tafel.
‘Die zijn waarschijnlijk even naar beeld naast de kerk,’ wist iemand.
‘Oké,’ zei ik, ‘dat Gerardusbeeld….zit daar ook zo’n Pokeding, of willen ze zich laten zegenen?’
‘Weet ik veel, volgens mij halen ze daar die balletjes of zo.’
‘Oké natuurlijk… balletjes… en wat zijn dat voor balletjes?’
‘Weet ik veel, om Pokémons mee te vangen geloof ik.’
‘Oké,’ zei ik. Ik vond het allemaal wel oké geloof ik.
Toch vond ik het een beetje raar, een heilige Gerardus die balletjes uitdeelt om Pokémons te vangen, waarvan er dus in ieder geval eentje bij ons in de tuin zat.
Ach ja, dacht ik, zo komt de jeugd ook eens buiten.
Toen de jongens even later weer met een verse munitievoorraad aan tafel zaten te schermstaren, sprong vanachter hun ruggen een andere Pokémon tevoorschijn. Hij stak zijn tong – of iets wat ervoor door moest gaan – naar me uit en knipoogde.
Ik herkende hem meteen. Het was Groudon, een hele zeldzame legendarische… naar het schijnt.
Hij verdween gelijk weer ergens achter een belendende reuzenvaren.
Glimlachend nam ik weer een slok van mijn trappist.
Ik besloot hem niet te verraden.