Omdat onze vakantie deze zomer geheel vlekkeloos is verlopen en er niks over te melden valt, heb ik besloten om jullie te vervelen met avontuur van een jaar geleden, wat ik destijds op papier heb gezet en nog niet is gepubliceerd. Net zo gemakkelijk, want het is nu toch geen weer om te schrijven. Een win-winsituatie dus.
Hieronder komt ie. Veel leesplezier!

Tol betalen
In de zomervakantie (van 2015 dus) gingen José en ik net als iedereen met de caravan naar Frankrijk. Op een zondagmiddag rond half twee vertrokken we. Waarom vroeg als het ook laat kan.
De reis verliep in eerste instantie perfect. Geen druktes op de weg en we lagen voor op het snelste schema.
Om zes uur echter begon voor de stad Reims het voorspel van het noodlot. Het lukte ons niet de tol te betalen. Onze pinpasjes werden niet geaccepteerd en het apparaat weigerde ook één van onze dure biljetten van vijftig euro. Goedkopere biljetten hadden we niet.
Mijn vriendin die altijd chauffeert (omdat ik dat niet durf!) drukte op de intercomknop en begon haar verhaal. Geen antwoord.
Terwijl ik kalm bleef raakte zij een beetje in paniek.
‘Gewoon rustig blijven,’ zei ik ondertussen naar een camping googelend, ‘het is niet ons probleem. Wij vragen er niet om. Die kutFransen willen van die kutpoortjes.’
Ik vond de situatie voldoende penibel om twee keer nadrukkelijk het fameuze drieletterwoord bij te voegen.
‘Jaja,’ snauwde ze, ‘godverdomme, ga er eens uit en kijk of er aan die andere kant wel een iemand zit om te wisselen. Hup!’
Zuchtend, geheel tegen mijn wil in stapte ik uit. Ik wandelde om het tolhokje aan mijn kant heen om te kijken of er iemand zat, maar er zat niemand. Een optrekkende automobilist keek me meewarig aan alvorens hij me bijna doodreed. Het was me duidelijk: bemande tolpoortjes behoren tot het verleden.
Onverrichterzake ging ik terug de auto in.
‘Kut,’ zei ik nog maar een keer.
Plotseling begon de intercom te praten. In het onvervalst en onverstaanbaar Frans maakte hij José duidelijk dat het briefje van vijftig nu wel welkom was.
Een regen van euromuntstukken rammelde het wisselgeldbakje in en de slagboom ging open. Het duurde nog even voor mijn chauffeur al het geld eruit had gevist, maar we konden verder. Hèhè, al dat gedoe…
Ik besloot verder te gaan met waar ik was gebleven: het googelen naar een geschikte camping.
Maar waar was mijn iPhone? Ja, waar was ie? Het zweet brak me uit. Mijn ‘externe alles’ was nergens te bekennen. Ik voelde in de paar zakken die mijn zomerkledij rijk was. Waar is godverdomme mijn iPhone? vroeg ik me in stilte af. Toen begon het me te dagen.
‘Kut!’ schreeuwde ik, ‘mijn iPhone is net bij dat gedoe uit de auto gevallen! Hij lag op mijn schoot en toen ik uitstapte is hij daar gevallen!’
Ik werd bijkans hysterisch. ‘Kut, kut, kut, kut!’ begon ik weer wanhopig te schreeuwen om vervolgens ‘Godverdomme’ te brullen. Mijn bloeddruk leek een competitie aan te aan met de bandendruk van de caravan.
‘Doe eens normaal,’ zei mijn vriendin, ‘blijf eens kalm. Ligt hij niet onder de stoel?’
‘Nee, hij lag op mijn schoot en toen ik uitstapte is hij buiten de auto gevallen natuurlijk. Ik had verdomme niet uit moeten stappen, maar van wie moest ik uitstappen?’
Iemand moest de schuld krijgen natuurlijk en iemand vond dat niet leuk. Er werd zonder op of om te kijken met een boze blik doorgereden naar de eerstvolgende afslag richting Reims.
Ik peinsde me suf. Allerlei vragen doemden op zoals: Stel dat de verkeerde hem vindt? Welke maatregelen moet ik treffen als mijn iPhone weg is? Hoe snel moet ik deze maatregelen treffen? Waar kan ik deze maatregelen treffen? Wat gaat me dit grapje kosten? Hoe overleef ik een vakantie zonder iPhone?
Ondertussen begon ik preventief mijn hart wat te masseren.
Het werden twintig lange kilometers…

In Reims konden we eindelijk ergens naast de weg parkeren. José belde me, kreeg mijn voicemail maar niks trilde of rinkelde. We kamden de auto vervolgens voor de zekerheid nog eens uit, maar vergeefs. Ik pakte mijn hoofd in mijn handen om er mee tegen een lantaarnpaal aan te meppen. Ook weer niet al te hard, want het mocht niet teveel pijn doen.
Ik snikte het uit: Wat nu godverdomme?! ‘Kut, kut, kut, kut!’
Mijn online leven trok in een flits aan me voorbij.
‘Doe rustig en stap in!’ beval mijn vriendin, ‘dan rijden we terug. Dat is het beste wat we kunnen doen.’
Ze had gelijk natuurlijk. Ik vermande me en stapte weer in. Er gloorde weer een vleugje hoop…
Bij de poortjes aan de andere rijrichting stapte ik uit. Terwijl José de auto met caravan ging parkeren, begon ik aan mijn duidelijke missie: het terugvinden van mijn telefoon.
Behendig hopte ik, voor de auto’s door, van poortje tot poortje. Bij het poortje, welke ik classificeerde als zijnde het poortje waar we door waren gekomen, bespeurde ik geen iPhone-achtige dingen.
Ik zag vervolgens een jongen rondlopen in een soort van tolpoortjesmedewerkerspak. Ik liep ernaar toe. Hij keek me verbaasd aan.
In gebrekkig Frans, gebroken Engels en een vleugje steenkolenduits kon ik hem duidelijk maken wat de bedoeling was van mijn autoloze aanwezigheid.
Hij haalde zijn schouders op en maakte een verontschuldigend gebaar. Hij had geen iPhone gezien, bedoelde hij. Voor mij leek hij nu een duivel, die ik het liefst zou willen doodmeppen met een te hard gebakken stokbrood.
Ik besloot het maar op te geven. Er daalde een kalme gelatenheid over me heen. Ik berustte in mijn lot. Het zij zo. Ik was zelfs in staat dit grote verlies te relativeren. Die drie weken vakantie naar de kloten maakt toch niet uit als je zes weken vakantie hebt, dacht ik opgewekt.
Ik maakte rechtsomkeer om bij José auditie te doen voor de rol van slachtoffer. Benieuwd hoe ze het zou vinden. Het was per slot van rekening haar schuld.
‘Monsieur!’ hoorde ik plots roepen.
Ik keek achterom en zag de medewerker naar een stoepje wijzen. Daar lag een iPhone, een witte iPhone. Mijn iPhone!
Ik stak mijn duim op en riep in mijn allerbeste Frans: ‘Oui!’
Ik had de medewerker, wiens horens en staart nu waren verwisseld voor twee prachtige witte vleugels, wel op zijn Frans willen kussen. Ik hield het echte bij een dikke ‘merci!’
De engel wees me vervolgens nog op een trap naar beneden (wat eigenlijk raar is voor een engel). Onder het tolpoortjesgebeuren lag namelijk een grote tunnel met allemaal afzonderlijke trapjes naar elk poortje. Net zo veilig. Jammer dat ze me eenmaal boven bij de parkeerplaats alsnog bijna voor José haar ogen doodreden.

Maar ik had het dus overleefd en nog belangrijker: de iPhone was terug! Het scherm was helaas wel zwart en aan gruzelementen. José had er natuurlijk overheen gereden, maar zo blij als ik was, besloot ik haar er maar niet op aan te spreken.

Die avond lukte ons het wel niet meer om een camping te vinden en moesten we overnachten bij een benzinepomp.
Daar zaten we moe aan een picknicktafeltje naar de vrachtwagens te kijken. Heel romantisch. Ik vertelde José over de tunnel onder de poortjes. Ze was zwaar onder de indruk.  Ze wist niet dat die er waren, want ze zijn vanuit de auto nauwelijks te zien.
‘Ik ben nu één van de weinige Nederlanders die hier weet van heeft,’ sprak ik trots.
Zo had het avontuur toch nog iets opgeleverd.