Die woensdagmorgen waaide hij om; de grote berkenboom in de tuin van mevrouw Varenkamp. Vanuit het raam zag de bejaarde weduwe het gebeuren. Het was de eerste keer in haar tachtigjarige leven dat ze een boom zag omwaaien. En dat terwijl het eigenlijk maar amper stormde. Het was net die ene onaangekondigde windvlaag tijdens een venijnige regenbui. De val begon langzaam en geruisloos en eindigde met een doffe klap op het houten schuurtje van de buurman.
Daar gaat mijn boom, was het eerste wat ze dacht. Ze woonde in het huis waar ze was geboren. De boom had haar hele leven daar gestaan. De oude vrouw wist dat een berkenboom qua levenscyclus lijkt op dat van een mens. Tachtig jaar, veel berkenbomen halen het niet. Was de teloorgang van deze boom een teken aan de wand. Was het een voorbode dat ze zelf ook binnenkort het loodje legde. Ze besloot van niet.
‘Zij is gewoon omgewaaid, meer is het niet,’ mompelde ze in zichzelf. De berkenboom was voor haar geen “hij” maar een “zij”. Die mooie elegante witte stam, dat moest wel een vrouw zijn.
Volgens haar buurman, een enorme zeikerd die nergens enig gevoel voor had, was een berk tweeslachtig. Hij klaagde altijd over die vervelende staartjes die er elk voorjaar inkwamen. Hij veegde ze altijd bij elkaar en gooide ze dan bij haar terug over de heg. Omdat hij toch al Piet heette noemde Mevrouw Varenkamp hem altijd mijnheer Lut. Maar alleen als hij het niet hoorde uiteraard. Zo heldhaftig was ze nou ook weer niet. Bij het aanhoren van zijn gezeik vond ze een simpele “Piet” altijd volstaan.
‘Ja Piet, zo is het,’ zei ze dan altijd maar, om hem te plezieren. Ze bewaarde altijd de vrede, maar wat had ze een enorme hekel aan die man. Ze vond het ook niet gek dat hij altijd vrijgezel was gebleven.
Ze was bang het nog mee te moeten maken dat hij met pensioen ging. Dat was het nadeel van het ouder worden. Het schrikbeeld om hem elke doordeweekse dag nog rond te zien hangen, hield haar ’s nachts ooit uit haar slaap.
Nu was de boom dus door de heg op zijn kleine schuurtje gevallen.
Ze wachtte tot de bui over was en liep toen haar achtertuin in om de schade te taxeren. Het viel haar niet mee. Door de zware boom was het schuurtje ongeveer met de grond gelijk gemaakt. Benieuwd hoe mijnheer Lut hier mee omgaat, als hij thuis komt van zijn werk, dacht ze.
Ze aaide een keer over het onderste gedeelte van de stam.
‘Dag lieve boom,’ fluisterde ze. Ze kreeg tranen in haar ogen en ook regendruppels op haar voorhoofd.  De volgende bui meldde zich alweer.
Ze spoedde zich weer naar binnen en begon in haar la naar haar verzekeringspapieren te zoeken. Ze wilde de verzekering gecontacteerd hebben voor mijnheer Lut thuiskwam. Ze ging er toch vanuit dat ze ervoor verzekerd was. Dit bleek na het plegen van een telefoontje gelukkig ook zo te zijn.
Piet Lut zal er wel een slaatje uitslaan, misschien is hij er zelfs blij mee, waren haar geruststellende gedachten.
Ze ging gewoon weer verder met de dag.  Het was een saaie dag verder.
Omstreeks vijf uur in de namiddag had mevrouw Varenkamp zich voor het raam geposteerd om mijnheer Lut op te vangen als hij thuiskwam van zijn werk. Altijd tussen vijf en tien over vijf kwam hij achterom gefietst. Ondertussen was ze haar boontjes aan het voorbereiden op een duik in het kokend water. Met een mesje werden ze van hun punten ontdaan.
Eenmaal een tijdje met haar boontjes klaar was mijnheer nog steeds niet te zien.
‘Zal je nou altijd zien,’ zuchtte ze in zichzelf, ‘altijd komt hij om deze tijd thuis, behalve nu.’
Na het eten besloot ze eens polshoogte te gaan nemen bij de buurman. Misschien heb ik mijn aandacht net iets teveel bij mijn boontjes gehad en heb ik hem gemist, dacht ze. Bovendien vond ze het gek dat hij zelf nog geen verhaal was komen halen.
Ze belde niet aan maar liep gewoon achterom. Zijn fiets stond in zijn hok en de achterdeur was open. Ze liep naar binnen, zijn keuken in. Niemand te zien. Ze opende de deur naar de huiskamer maar ook hier zag ze niemand.
‘Hallo Piet!’ riep ze zo luid dat hij het boven ook zou moeten horen. Geen enkele reactie.
Ze liep zijn tuin in. “Piet!’ riep ze nog een keer.
Het bleef stil, akelig stil.
Ze bekeek nogmaals de ravage. Er was ook werkelijk niks van het schuurtje over. Versplinterd hout, dakpannen en tuingereedschap lagen verspreid onder de gevelde boom. Plotseling schrok ze. Onder de boomstam staken twee laarzen uit.
Hè jakkie, het is net of er iemand onder de boom ligt, dacht ze. Ze wilde rechtsomkeer maken maar toen begon het haar plots te dagen. Ze holde ernaar toe en inderdaad: uit de laarzen stak nog een persoon. Aan de andere kant van de stam was de helft van zijn hoofd zichtbaar. Het was Piet. Zijn ene zichtbare oog leek haar aan te staren.
Ze worstelde zich door de takken en voelde aan zijn wang. Die was ijskoud. Hij was dood.
‘Oh, wat jammer van je snipperdag Piet,’ fluisterde mevrouw Varenkamp.
Ze kon een glimlach niet onderdrukken.