‘Hoe gaat het vandaag?’ vroeg ridder Roderick aan ridder Eduard.
Eduard haalde zijn schouders op. Dat viel niet mee met zijn zware maliënkolder. ‘Mwah,’ zei hij, ‘ik voel me nog niet helemaal fit. Vanmorgen alweer drie keer op mijn hurken gezeten. Ik hoef alleen niet meer over te geven. Het is dus wel iets beter, maar ik ben nog lang niet de oude.’
Roderick knikte. ‘Het heerst, ‘zei hij. Hij sprong met een sierlijke zwier op zijn paard en liet daarbij een luide wind.
‘Dat zou ik nu niet durven,’ grinnikte Eduard.
‘Wat? Op je paard springen?’ deed Roderick onnozel.
Ze lachten allebei. Ondanks weinig goede humor hadden ze de laatste jaren best veel lol samen. Ze hadden elkaar ontmoet in het kasteel van Hendrik de Zoveelste tijdens een lunch van een kruistochtreünie. Ze waren samen dronken geworden en hadden toen twee meiden uit de hofhouding van Hendrik verkracht. Sindsdien waren ze gevlucht naar een ander oord waar niemand hun kende. Ze deden zich voor als nobele ridders maar leefde van diefstal en plundering en waren nooit te beroerd om wat te moorden en te verkrachten als het hun zo uitkwam.
Eduard sprong nu ook op zijn paard, zei het wat voorzichtig. ‘Zo,’ zei hij, ‘we zullen eens gaan kijken wat de dag brengt.’
Gezellig keuvelend gingen ze stapvoets op pad. De zon klom steeds hoger en het werd steeds warmer. Bij een klein meertje aan de rand van een bos hielden ze hun paarden halt om een duik te nemen in het sprankelende water. Het kwam Eduard goed uit. Hij hoopte dat zo’n lekker natuurbadje de jeuk aan zijn anus wat zou verlichten. Na drie dagen diarree was namelijk alles behoorlijk schraal aan zijn onderkant.
Joelend als kleine kinderen sprongen ze spiernaakt rond in het water. Hun paarden leken geamuseerd toe te kijken. Eduard vond het tevens een mooi moment om zijn verstoorde darmen een keer te legen in het water. Hij zwom een fiks aantal meters van Roderick weg en verschanste zich tactisch dicht bij de oever tussen wat rietpluimen. Hij wilde Roderick niet al teveel deelgenoot maken van deze actie.
Nou nou, het is de moeite waard, dacht hij terwijl het water rondom hem langzaam wat troebeler werd. Ergens begon een vogel zeer enthousiast te fluiten. Eduard wist niet wat voor vogel het was – hij zag hem ook niet – maar hij vond het een mooi geluid. Hij voelde zich op een vreemde manier erg gelukkig.
Plotseling werd het gefluit overstemd door een luid schreeuw. Eduard keek op en zag Roderick achterover vallen met een pijl in zijn borst. Hij schrok er gewoon van. Vervolgens hoorde hij iemand opgewonden  roepen: ‘Er moet er nog ééntje zijn!’
Eduard besefte dat hij iets moest doen, wilde hij deze scene overleven. Hij kreeg een ingeving alsof een bewaarengel het had ingefluisterd. Hij brak een rietstengel, stak die in zijn mond om door te ademen en ging helemaal onder water liggen. Vanwege het bruingekleurde water was hij nagenoeg onzichtbaar. Pas na lange tijd durfde hij zijn hoofd weer boven water te steken. Het was in ieder geval weer stil. De paarden en de uitrustingen waren verdwenen. Twintig meter verder zag hij het lijk van Roderick drijven met daarin de pijl die als een scheepsmast fier in het water spiegelde. Eduard zag dat ze er zijn hoofd ook af hadden gehakt. Hij zag dit wel nergens drijven. Hij vroeg zich af of hoofden überhaupt wel blijven drijven. Maar één ding was in ieder geval zeker: Roderick was zo dood als een pier.
Eduard vond het niet zo heel erg. Hij had dan wel veel plezier met hem gehad, maar hij kon ook vaak zwaar irritant en vervelend zijn, zeker als hij te weinig had geslapen. Eigenlijk vond Eduard het wel best zo. Hij stond er niet te lang bij stil.
Hij zag de gebeurtenis meer als een sacraal moment. Hij keek omhoog naar de hemel en riep: ‘Dank Heer voor het geven van diarree. Deze diarree heeft mijn leven gered! Dank Heer, duizendmaal dank!’
Eduard beschouwde het als een beloning voor zijn kruistochtdeelname een paar jaar eerder, waarbij hij strijdend voor de betreffende Almachtige nog een vervelend litteken had opgelopen achter zijn linkeroor.
Hij liep het water uit en besloot zijn leven ten goede te veranderen. Hij ging op weg naar Slot Hakzwaardenstein aan de andere kant van het bos om zich in te schrijven voor de volgende kruistocht, die bij voldoende deelname over twee maanden zou plaatsvinden.
Het zag er – zeker voor die tijd –  behoorlijk maf uit: een naakte ridder wandelend door een bos.
Je zou gewoon niet zeggen dat het een ridder was.
Het deerde Eduard niet.