I

 

Dré en Trees Klavermans vormden samen een ongecompliceerd boerenpaar. Ze woonden in een mooi boerderijtje aan de Koepadweg in het mooie Bergeijk, een prachtig Kempisch dorp aan de grens met België. Ze konden net rondkomen met hun drieënveertig melkkoeien. Vroeger hadden ze wel liefst zestig koeien, maar sinds de invoering van het melkquotum was het aantal danig geslonken.

De Klavermansen hadden geen kinderen. Die hadden ze wel gewild maar Dré zijn zaad was niet van al te beste kwaliteit. In feite was hij gewoon onvruchtbaar. Trees had wel eens de spermabank geopperd, maar Dré vond dat maar niks. ‘Geheid dat dat kind dan niet op mij lijkt,’ had hij gezegd. Trees had hierop erg moeten lachen. ‘Net alsof dat een voordeel is,’ scheen ze volgens de overlevering te hebben uitgeschaterd. Dit was tevens ook het humorpeil van die twee. Ongecompliceerd en universeel. Maar uiteindelijk zag Trees bij nader inzien de spermabank ook niet zitten. Ze wist niet eens of er wel één in de buurt was.

Ach, ze vonden het ook wel gemakkelijk: geen kinderen. Zonder opvolgers konden ze later de boerderij verpatsen en hadden ze een dubbel en dik pensioen. Later duurde overigens niet zo lang meer. Dré was al drieënzestig en Trees negenenvijftig. Toch waren ze pas twintig jaar getrouwd. Dré dreigde een verstokte vrijgezel te worden tot hij in 1985 Trees tegenkwam tijdens Borkel kermis. Het was op de tweede zondag in juni want dan is het altijd ‘Borkel kermis’. Of ‘kermis in Borkel en Schaft’ zoals het officieel heette. Maar in de streek noemen ze het ‘Borkel kermis’of helemaal in het dialect ‘Börkel kermis’, met twee van die stomme puntjes op de o. Maar dat van die puntjes wist bijna niemand. Bijna niemand in een straal van twintig kilometer rondom Borkel wist hoe je Börkel moest schrijven. Maar afijn, daar hadden Dré en Trees elkaar ontmoet. Dré was daar met zijn twee andere vrijgezelle maten Piet en Kees. Piet was ook boer en Kees werkte bij de smid in Bergeijk. De boerensmid wel te verstaan. Trees daarentegen was maar met één vriendin op de kermis: Betje. Ze was met haar vanuit Riethoven, hun toenmalige woonplaats, naar Borkel gefietst om uit te gaan. Zowel Trees als Betje waren nog vrijgezel omdat ze erg lelijk waren. Dré, zelf ook niet van de mooiste, was het alleen zijn moe en dacht bij het zien van Trees: ‘ach, het is beter dan niks. Meer zit er voor mij toch niet meer in. Het wordt hoog tijd dat ik weer een keertje naai.’ Dré gebruikte destijds altijd het werkwoord ‘naaien’, want dat vond hij ongelooflijk stoer klinken. Welnu, hij had zich toen volgegoten en was vervolgens op Trees afgestapt. ‘Ik vind jou een gaaf wijfke, met jou wil ik wel een keer groenrapen plukken,’ had hij in haar oor gehijgd. Trees was als ijs in de Sahara gesmolten door deze, ‘in haar oren’, fantastische openingszin.

Piet en Kees waren intussen met Betje in de weer geweest, maar Betje had de boot af weten te houden. Sterker nog: ze had Piet een blauw oog geslagen omdat hij haar met zijn dronken kop steevast ‘befje’ noemde. Na deze functionele mishandeling had ook Kees eieren voor zijn geld gekozen. Deze twee maten van Dré waren toen maar naar huis gefietst. Nee, Kees en Piet waren duidelijk niet de beste versierders.

Maar zodoende had Betje het inmiddels al bijna gehad op de kermis. Toen ze vervolgens op de koop toe de kerel waar ze wel verliefd op was, zag flikflooien met de dochter van de kastelein, was ze zonder enig overleg naar huis gejankt.

Dré en Trees hadden toen het rijk alleen en waren samen in de rups gedoken. Toen het doek dicht ging had Dré Trees vol op de mond gepakt en de verkering was een feit. Dré was zo in de wolken dat hij die avond nog zes keer de plos had getrokken. Voor Trees kon hij niet meer stuk.

Na een half jaar waren ze al getrouwd en begonnen ze samen de boerderij, die Dré over had genomen van zijn vader, te runnen. Dré was de enige zoon, maar hij had nog wel een zus: Irma. Zij wilde wel geld zien bij de overname, maar Dré en zijn vader hadden daar geen oren naar gehad.

‘Onze Dré moet de boerderij runnen en moet daar in gesteund worden,’ had de vader tegen zijn dochter gezegd. En hij vervolgde met: ‘Dus wij moeten hem het één en ander gunnen, anders kan hij nooit boeren en gaat de boerderij uit de familie. Verder vind ik jou maar een luie doos, in tegenstelling tot onze Dré, die een harde werker is. Bovendien vertrouw ik die vent van jou niet. Die achterlijke Henk met zijn inhalig gedrag. Die lul heeft die oude cultivator die hij hier mee heeft genomen nog nooit betaald.’

Dit was gelogen, want Henk, de man van Irma die in oud ijzer handelde, had die cultivator mogen hebben voor het meenemen. Irma was toen terecht woedend geworden en verbrak het contact met haar vader en haar broer. Ze sprak toen alleen nog maar met haar moeder. Die was het er in feite ook allemaal niet mee eens en trok een beetje partij voor Irma, maar ze had weinig in de pap te brokkelen. Dit was allemaal al gaande voordat Trees erbij kwam. Trees had Irma en Henk dan ook nooit echt ontmoet en kende hen alleen van ‘horen en zien’. De ouders van Dré en Irma waren inmiddels overleden.

Zo had elke boerenfamilie hun beslommeringen, behalve dan misschien bij Trees thuis. Zij kwam uit een groot boerengezin met dertien kinderen. Behalve haar ouders leefden ze allemaal nog en alles was nog pais en vree. Ze liepen elkanders deur echter niet plat. Omdat met zoveel kinderen, kleinkinderen en aanhang, verjaardagen niet bij te houden waren, kwam de hele familie met alles erop en eraan één dag per jaar bij elkaar. Er vonden dan tal van activiteiten plaats zoals bowlen, midgetgolf, darten, sjoelen, jeu-de-boules en kienen. Meestal werd deze dag, traditioneel de laatste zondag van augustus, afgesloten met een grote barbecue, waarbij Harrie, de op één na oudste broer van Trees voor het vlees zorgde. Niet zo verwonderlijk want hij was ambachtelijk slager, die persoonlijk nog de boeren langs ging voor de beste koe of het beste varken. Omdat de familie ‘De Koning’ heette, noemde ze deze bewonderenswaardige familiedag ‘Koningedag’. Bijzonder origineel vonden ze zelf. Degene die als beste uit de bus kwam met de debiele spelletjes mocht zich ‘koning der Koningen’ noemen en als het een vrouw betrof: ‘koningin der Koningen’. Merkwaardig genoeg waren het meestal de aangetrouwden die zich tot deze stand wisten te verheffen. Zo ook vorig jaar. Het was ‘Jo van onze Bert’ geweest die de familie toen tot koningin had moeten kronen. Weliswaar met enige tegenzin, want Jo was in hun ogen een vreselijke tetter, die altijd een hoop tamtam maakte. Altijd maakte ze een hoop ambras over het verloop der spelen. Zo vond ze bijvoorbeeld dat ‘Sjaan van hunne Toon’ altijd vals speelde bij het midgetgolfen omdat zij altijd het balletje, voor ze sloeg, een beetje teveel met haar schoen in de juiste richting duwde. Jo was geen ster in midgetgolfen en dat had haar vaak de zege gekost. Vandaar natuurlijk dat gemekker. Deze keer had ze dit dwerggolfen echter redelijk gedaan, maar het kienen had toch de doorslag gegeven. Voor het kienen begon, stond ze één punt achter de befaamde Sjaan maar eenmaal in de weer met de kienkaarten ging ze helemaal los. Maar liefst vier van de tien rondes had ze keihard: ‘kien’ mogen krijsen. Het was bijna zo verdacht, dat ‘hunne Toon’ na de tweede keer toch ging controleren of het geen valse kien was. Tevergeefs, want het klopte allemaal als een bus. Jo had toen naar Toon haar tong uitgestoken en ‘nananananaa’ gezongen. Toon had zich hierover zo opgewonden dat hij zich, een ervaren hartpatiënt als hij was, de volgende dag weer had moeten laten dotteren. ‘Maak je toch niet zo druk,’ had Sjaan toen in het ziekenhuis tegen hem gezegd, ‘je weet toch hoe Jo is. Zo zijn toch al die beroepskiensters. Als wij elke week zouden gaan kienen bij café/zaal ‘Marktzicht,’ waren we misschien wel elk jaar koning of koningin. Maar wil je dat? Je weet toch hoe de zolder van Jo vol ligt met bestekkoffers, friteuses, slawassers, koffiezetapparaten, gourmetstellen, strijkplanken en godvergeten elektrische blikopeners uit de jaren zeventig. Nog even en heel haar huis stort in. Heb meelij met jullie Bert. Dit is het toch niet waard om je te laten dotteren, toch?’ Toon had hierop weinig gezegd. Hij was dan ook nog onder narcose. Sjaan was toen ze dit doorhad maar naar de Sligro gegaan, want ze was toch in Eindhoven. Och, dit waren de enige familieakkefietjes bij de ‘Koningen’. Meer kun je ook niet verwachten van zo’n typisch Brabants megagezin.

Tot zover de verwanten van Dré en Trees. Ze konden zich er niet zo druk over maken. Voor hen was het leven op het platteland zo slecht nog niet. Ze waren eigen baas en konden doen en laten wat ze wilden. Althans, dat dachten ze…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

II

 

Die dinsdag in juli was het wisselvallig weer op de boerderij van Dré en Trees. Behalve een paar warme meidagen was het weer niet echt zomers te noemen. De mais was wel een beetje achter in de groei, maar anderzijds hadden ze hem nog niet hoeven te beregenen. Toch begon langzaam de pluim in de maïs te komen. Eigenlijk vrij normaal want Dré zei altijd: ‘met Bergeijk kermis moet de pluim in de mais staan.’

Ja, het was die week kermis in het mooie Bergeijk, maar kermis vieren, dat deden Dré en Trees al lang niet meer. Te lastig met zo’n boerderij. Ze hadden wel een gelegenheidsknecht: Martin, een vrijgezel die zich Tinus liet noemen. Tinus, die sinds zijn dertigste gedeeltelijk afgekeurd was wegens psychiatrische problemen waar niemand het fijne van wist, kwam regelmatig een handje toesteken op de boerderij. Verder had hij nog een halve baan bij een loonwerker. Maar omdat Tinus een notoire kermisvierder was hadden ze met de kermis natuurlijk geen reet aan hem. Bert en Trees vonden het ook niet zo erg en zelf gaven ze toch niks meer om de kermis. Die tijd hadden ze gehad.

De betreffende dinsdag was voor hen een normale, doch wisselvallige zomerdag. Aan het einde van de middag kwam daar echter verandering in. Het was niet zo dat het weer omsloeg. Neen, het bleef wisselvallig. Nee, op het einde van de middag gebeurde er iets anders…

Omstreeks vier uur liep Trees achter naar de stal om te kijken waar haar man ergens uithing. De reden hiervan was dat hij niet om een uur of drie was op komen draven voor het geijkte koffiekwartiertje. Ze vond dat vreemd. Het gebeurde wel eens vaker, als hij een dagje ploegen was tien kilometer verderop bij hun bijgekochte grond in de Pielis, een boerengebied achter Luyksgestel en Weebosch. Maar dat was nu natuurlijk niet aan de orde. Ze vertrouwde het allemaal niet en had een raar intuïtief voorgevoel. Tot half vier was ze stoer verder gegaan met het ophangen van de was en het reinigen van de speenemmers van de kalveren, maar nu hield ze het niet meer.

‘Dré, Dré!’ riep ze door de stal, maar niemand riep terug en ze zag hem nergens. Alleen een paar koeien loeiden terug. In de melkstal was hij ook niet. Behalve om te melken kwam hij daar trouwens maar amper. Ze liep achter de stal uit en riep nog een keer over het erf. Verder keek ze over de weilanden, maar behalve wat jongvee en droogstaande koeien bespeurde ze nergens een Dré.

Ze riep nog een paar keer: ‘Dré, Dré, waar ben je?’ Er kwam maar geen antwoord. ‘Verdomme, waar zit hij nu,’ mompelde ze geïrriteerd, ‘als hij nu een gsm had, was het simpel, maar nee zoiets hoeft meneer Klavermans niet.’ Als ze hem ‘meneer Klavermans’ ging noemen werd het menens. Plotseling besefte ze dat buiten de tractor luid stond te ronken. Het geluid was er al heel de tijd, maar ze had er simpelweg geen erg in gehad. Onbewust had ze het geluid voor de motor van de regeninstallatie gehouden, maar die was sinds vorig jaar nog niet uit de schuur geweest.

Het tractorgeluid kwam uit de richting van de sleufsilo’s naast de stal. Op een drafje holde Trees er naar toe. Ze was eigenlijk een beetje boos maar tevens opgelucht dat het ‘mysterie’ bijna opgelost was. In de middelste van de drie sleufsilo’s stond de tractor met de voermengwagen erachter te ronken bij de grote maishoop. De voermengwagen stond nog met zijn kont tegen de maishoop aan. Met een oude tractor met een voorlader werd het voer altijd erin geladen. Een voermengwagen is een vernuftig systeem. Verschillende soorten voer kunnen achter elkaar worden geladen. Zo laadde Dré altijd eerst gras aan de linkersilo, vervolgens bierbostel aan de middelste, waarna hij altijd eindigde met de mais in de rechtersilo. Vervolgens werd het hele goedje met walsen en messen in de robuuste wagen gemengd. Zie het als een soort betonmolen maar dan voor veevoer.

Toen Trees bij de tractor kwam zag ze dat niemand erop zat, dus ook Dré niet. Niet zo heel opmerkelijk in eerste instantie, want de wagen moest minstens toch wel een kwartiertje mengen voor het voer klaar was voor consumptie. Het had dan weinig zin om op de tractor te blijven zitten. Vaak ging Dré dan het gemorste voer netjes opvegen. (Dré was echt zo’n secure sukkel, zo’n irritante bezemboer.) Maar ook daar zag Trees hem niet mee bezig.

‘Waar is die idioot toch,’ vloekte ze hardop. Ze kroop in de tractor en zag dat de motor maar liefst met vijfentwintighonderd toeren per minuut aan het draaien was. Ze nam eerst het gas terug en zette vervolgens de motor uit. ‘Zo dat scheelt een hoop diesel en herrie,’ mompelde ze mopperend, ‘meneer laat hem nogal toeren maken, hij wilde kennelijk snel klaar zijn. Vreemd….normaal voert hij de koeien ‘s middags om twee uur een keer en een keer na het melken. Misschien staat hij al vanaf kwart voor twee te draaien….verdomme, waarom niet die koeien gewoon de wei in, net als vroeger?’

Piekerend bleef ze een minuut of vijf in de tractor zitten staren en denken. Ze begreep er niets van. Toen hoorde ze de koeien loeien en ze besefte dat die onderhand wel honger moesten hebben. Ik zal ze eerst een beetje voeren en dan zien we wel, dacht ze en ze startte de tractor opnieuw. Ze reed het gevaarte met de neus door de grote openstaande deuren van de stal de voergang op. Ze zag dat de koeien de tegels van de voergoot helemaal hadden schoongelikt van de honger.

‘Zo jongens, daar komt ie,’ zei ze hardop. Ze was haar Dré een fractie van een seconde vergeten. Het kostte haar redelijk wat concentratie, dat voer lossen met zo’n wagen. Ze moest namelijk achteruit kijkend vooruit de stal in rijden. Normaal deed Dré dit werk, dus ze was het niet echt gewend. Met een pookje zette ze de hydraulische motor van de voerband aan en keek langzaam vooruitrijdend toe hoe het voer met een boogje vanaf de band in de voergoot belandde. Plotseling klonk door de stal een ijzingwekkende gil.

De koeien in de stal sloegen loeiend op hol.

 

Het was duidelijk geen alledaagse dag, die vervloekte dinsdag in juli. Ook was het een rustdag in de Tour de France, maar dit terzijde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

III

 

Die dinsdag rond vijf uur was hoofdinspecteur Willy Houb aanwezig op zijn werkplek, het politiebureau van Bergsel, zoals deze grote Kempische gemeente met als spil de twee dorpen Bergeijk en Eersel heette. Dit politiebureau bevond zich in het Eerselse. Samen met zijn assistent Ludo Vercauteren, die in zijn hoedanigheid als Belg de politie van Bergsel bijstond in het kader van de Europese samenwerking, had hij een late dienst op zich genomen. Het was immers in het dorp Bergeijk kermis en ze hadden van de burgemeester van Bergsel, mijnheer Lepemans opdracht gekregen om daar die avond een oogje in het zeil te houden. Er was daar gisteren een hoop trammelant geweest in verband met de diefstal van de spaarkas van Cafézaal De Zilveren Tijger. Nu had er waarschijnlijk niet veel in de spaarkas gezeten, want die was immers op vrijdag voor de kermis gelicht. Maar goed, er was een hoop commotie geweest waarbij mensen elkaar beschuldigden. Dit alles was ontaard in een heuse ouderwetse knokpartij waarbij het biljart van het café onherstelbaar was beschadigd door rode wijnvlekken, bloed, bier en kapotte glazen. Burgemeester Lepemans was alert op zulke zaken en dergelijke uitwassen in zijn gemeente kon hij missen als kiespijn. Houb kon het goed met hem vinden.

Het was nog een beetje te vroeg om op pad te gaan en Houb zat in zijn kantoortje bij Vercauteren op schoot. ‘Luister nu toch eens Ludo,’ zei hij zuchtend, ‘je moet er niet teveel je Vlaamse accent door gooien. Probeer eens goed Nederlands te zingen. Vooruit, we beginnen nog een keer vooraan.’

‘Jaja  mijn manneke, ik zal het proberen, maar amai ’t valt niet mee Houb.’ Ludo noemde Houb altijd bij de achternaam en Houb hem bij de voornaam. Houb vond allereerst dat het gezien de hiërarchie zo hoorde. Bovendien had Houb een hekel aan zijn eigen voornaam. De naam Willy vond hij niet indrukwekkend genoeg overkomen. Overigens wist bijna niemand dat Willy zijn voornaam was. Dat hield hij zoveel mogelijk voor zich. Op het bureau was Ludo eigenlijk de enige die wist dat hij Willy heette. Hij had van Houb mogen weten hoe diens voornaam luidde, omdat hij hem ooit gezegd had dat hij de voornaam heel voornaam vond. Dit had Houb een grappige uitspraak gevonden en had daarom speciaal voor hem die uitzondering gemaakt. Ludo had wel moeten beloven, ook al wist hij het nu, zijn voornaam niet te gebruiken, zeker niet in het openbaar.

Ludo begon een beetje moeite met het gewicht van Houb te krijgen en duwde hem van zijn schoot. ‘Eventjes wachten Houb, ga maar eens even staan jij, je moet toch de cd weer terug aanzetten. Miljaardeju, wat ben jij zwaar zeg voor zo’n klein manneke.’

Houb vond het geen beste opmerking. ‘Hou eens op met dat gemanneke, Ludo,’ zuchtte hij geïrriteerd. Verdomme, wie is hier eigenlijk de baas? En verder ben jij qua corpulentie ook zeker geen zwakke broeder. Jij weegt meer dan ik, speklap.’

‘Maar ik ben dan ook veel groter dan jou, Houb.’

‘Klootzak,’ zei Houb. Hij bewoog zich naar de draagbare cd-speler die op zijn bureau stond en drukte weer op ‘play’. Hierna plofte hij snel weer terug op schoot bij Ludo, net op tijd voor de intro van de orkestbanden van Arno en Gratjes welbefaamde ‘Pappie, ik zie tranen in uw ogen’. Hij concentreerde zich en begon exact op het juiste moment met een heel hoog stemmetje te zingen: ‘Pappie, ik zie tranen in uw ogen, pappie waarom hebt u zo’n verdriet. Pappie ik zie tranen in uw ogen. Pappie waarom zegt u mij het niet.’

Hierna was het Ludo zijn beurt: ‘Je vraagt me waarom, die tranen die ik in jouw ogen zag. Want jij vindt misschien van papa, dat die niet huilen mag…’

Zo ging het maar verder tot het eind van het debiele liedje.

‘Prima Ludo, het ging nu zeker zo goed,’ vond Houb na de laatste noot. Hij ging weer recht staan en zei sarcastisch: ‘Behalve je accent, zat je nu ook fout met de tekst.’

Ludo trok een moeilijk gezicht. ‘Ja maar miljaardeju, ik heb ook veel meer tekst dan jij lul. Oh sorry, ik bedoel: Houb. Verdomme, kun jij die Arno niet spelen, dan ben ik wel Gratje.’

Houb bleef er zowat in. ‘Idioot, je bent al Gratje hoor.’

‘Is het serieus? Ik meende dat Gratje dat kleine rotmanneke was. Is dat echt niet zo?’

‘Nee, Arno is het kleine ventje en Gratje is de pa. Ik weet het zeker.’

Ludo leek even na te denken. ‘Verdomme wat merkwaardig. Dat is toch stom. Dan hadden ze zich toch eigenlijk Arnootje en Grat moeten noemen, miljaardeju.’

‘Mmm, goed opgemerkt Ludo, je hebt wel een beetje gelijk. Maar we houden het zo. Jij moet die Gratje doen, want jij kunt veel beter zingen dan ik. Ik kan eigenlijk helemaal niet zingen, maar zo’n kinderstemmetje is natuurlijk altijd goed. Jij moet het gaan maken Ludo, mijn kleine Sinatraatje.’

Ludo voelde zich zichtbaar gevleid door deze stelling. ‘Ja, vind je? Je hebt misschien wel gelijk. Wanneer is dat smartlappenfestival voor gehandicapten en aanverwanten artikelen eigenlijk ook alweer?’

‘Over anderhalve week al. Vrijdagavond in de feesttent ergens in Bergeijk. Vergeet niet: het is voor een goed doel. We gaan, als afgevaardigden van het politiekorps, het beste beentje voorzetten. Ludo jongen, we gaan het helemaal maken!’

‘Wie doen er eigenlijk allemaal nog meer mee aan dat festival?’

‘Oef, veel prominenten uit de Kempen geloof ik. Denk aan mensen van de brandweer, een paar burgemeesters waaronder in ieder geval mijnheer Lepemans van Bergsel, enkele middenstanders, enkele bobo’s uit het bedrijfsleven, mensen uit het onderwijs, afgevaardigden van enkele verenigingen enzovoort. En natuurlijk last but not least inspecteur Houb en zijn assistent Ludo van het politiekorps Bergsel. Houd die laatste in de gaten! Die zevendaagse vakantie naar de Canarische Eilanden voor de beste act, mede mogelijk gemaakt door Reisbureau ‘Weg Uit De Kempen’ gaat naar hen! We gaan naar de zon Ludo! Wij, de twee voices, de nachtegalen van de Kempen, de zelf gekroonde koningen van het levenslied! Wie valt er straks nu niet flauw voor deze vocale Godenzonen. And the winner is: Houb and Ludo performing Arno en Gratje! Never seen bef…’

‘Miljaardeju, houd eens je mond!’

Houb schrok op uit zijn enthousiasme en zag nu pas dat Ludo met de telefoon aan zijn oor stond. Hij had niks horen rinkelen. ‘Nou sorry hoor,’ zei hij gespeeld verongelijkt, ‘ben ik me heel enthousiast aan het uitsloven, staat meneer gewoon te bellen.’

‘Ik werd gebeld, ben nou stil.’ Ludo concentreerde zich weer op de stem uit de telefoon:  ‘Jaja… ja die staat toevallig naast me. Ik zal… ’

Houb griste met een simpele beweging de telefoon uit zijn hand en nam het over: ‘Ja, hoofdinspecteur Houb hier. Houb met O U B.’

‘Jaja, dat weet ik onderhand wel,’  klonk het een beetje geïrriteerd aan de andere kant van de lijn.

Houb herkende de stem van agent Hans van Ombeek. ‘Oh ben jij het Hans. Vertel het eens.’

‘Nou Houb, ik hoop dat je al gegeten hebt…’ begon van Ombeek op geheimzinnige toon.

‘Jazeker,’ repliceerde Houb, ‘rijst met kip en een zoete saus. Oh ja en nog een Chinese tomatensoep vooraf, met wel zeker zeven ballen.’

‘Effe serieus nu Houb.’ Van Ombeek zijn stem klonk nu opgewonden. ‘Luister Houb, je moet zo snel mogelijk met je maat naar hier toe komen…’

‘Waar is hier?’ Houb werd een beetje nieuwsgierig.

‘Euh even kijken…de boerderij op Koepadweg 52 in Bergeijk. Ik ben hier met Ad Veuls. Er is iets gebeurd hier wat je mogelijk zou interesseren. Je raadt het nooit!’

Houb zuchtte: ‘laat ik het toch eens proberen Van Ombeek: Er is een koe uitgebroken met kopziekte, de veearts is gestikt in een keizersnede, de boerin is verkracht door een varkensbeer, de mestwet is bruut overtreden, er zijn drie eieren stuk gegaan. Ben ik close?’

‘Nee, geenszins. Luister: er heeft hier iemand op zeer bizarre wijze het leven gelaten. Ik kan het niet uitleggen eigenlijk. Ik denk dat het een zaakje voor jou is. Dit is geen normaal ongeluk. De ambulance en brandweer zijn ook onderweg. Alles is gealarmeerd door de buurman. Ad en ik waren vrijwel meteen ter plekke. Toevallig waren we in de buurt want Ad wilde hier nog ergens aardappelen kopen. Ad koopt altijd aardappelen recht van de boer. Ik vind dat onzin want op de markt staat elke dinsdag een groenteboer en daar zijn ze goedkoper en zeker net zo goed. Die komen uiteindelijk toch ook van de boer. Ad is nogal eigenwijs. Afijn, dat doet nu niet terzake. We kregen dus een melding en…’ Hij stokte even. ‘Mijn God. Ergens is het ook vreselijk. Ad heeft al twee keer overge…’

‘Jaja oké, bespaar me de randzever en de details,’ onderbrak Houb licht geïrriteerd, ‘even kort samengevat: we hebben dus een lijk!’ Hij merkte dat hij zelf ook opgewonden werd.

‘Dat kun je wel zeggen ja!’ Agent van Ombeek begon nu ook hijgende bijgeluiden te maken.

‘Blijf waar jullie zijn en blijf vooral overal vanaf. We komen eraan!’

Houb gooide de hoorn terug op het toestel. Twee inspecteursassistentenogen keken hem vragend aan. Houb wierp een  triomfantelijke blik terug. ‘Geen spaarkasperikelen meer, geen fietsers zonder licht meer, geen winkeldiefstallen voorlopig. Ludo, jongen, geniet ervan. We hebben een lijk. L, lange IJ, K. Een lijk! Ons eerste lijk Ludo. Mag ik je feliciteren!’

‘Miljaardeju! Is het serieus of is het om te lachen?’

‘Echt serieus. Ik zweer het Ludo. Het is niet om te lachen.’

Er volgde een welgemeende high five. Toen sloeg Ludo zijn rechterarm om Houb heen en zette de sirtaki in. En niet de minste. Elke vierkante onbemeubelde meter van het kantoor werd benut. De sirtaki stopte toen Houb zijn elleboog stootte tegen de dossierkast en ‘au!’ schreeuwde.

Ludo gierde het uit: ‘Au? Met A U zeker hè Houb!’

Houb wreef zich over de pijnlijke plek. ‘Haha, leuk Ludo. Overigens moeten we niet te vroeg juichen maat,’ begon hij het enthousiasme een beetje te temperen, ‘het is nog niet zeker of het wel moord is.’

Ludo’s gezicht schoot weer in zijn normale plooi. ‘Jaja, maar laten we daar vooralsnog vanuit gaan,’ zei hij vervolgens hoopvol, ‘ niet te somber denken. Wees blij met wat we al hebben, en we hebben een lijk.’

‘Dat is ook zo Ludo,’ beaamde Houb. ‘Kom actie nu. Chop chop chop!’ Dat ‘chop chop chop’ had hij Chief Inspector Frost vaak op tv zien doen. Dat vond hij erg stoer.

Ludo liep in huppeldraf naar de grijze dossierkast tegen de muur achter Houb zijn bureau en deed het linker deurtje open. Onder luid geritsel trok hij vanaf de bovenste plank twee zakken chips tevoorschijn en vroeg: ‘paprika of gewoon Houb?’

Houb grinnikte. Hij had Ludo beloofd dat, wanneer zich een lijk aandiende, een zak chips tevoorschijn mocht komen welke dan ook geopend mocht worden. Dat deed hij thuis ook altijd met zijn vriendin als ze samen naar detectives keken. Pas als er een lijk opdook, kwam de zak chips tevoorschijn. Ze hadden er een keiharde discipline in. Om de sfeer op zijn bureau wat te veraangenamen, had hij een keer bij de Jumbo een paar zakken Crocky  gekocht, in zijn dossierkast gelegd en hetzelfde systeem ingevoerd: zo gauw er een ‘verdacht’ lijk opdook mocht de chips komen. ‘Zouden we dat nu wel doen Ludo,’ begon hij plagerig, ‘de plicht roept ons.’

‘Maar je hebt het beloofd….please?’ Hij smeekte als een kind van vijf.

‘Vooruit, paprika dan,’ zei Houb.

‘Mijn gedachte, ik heb ook veel liever paprika dan gewoon.’ Ludo legde de ‘gewoon’ terug en trok met een ruk de paprika open. ‘Zeg Houb, ken jij die mop van die vent met een oranje lul?’

‘Nee, vertel.’ Houb had een hekel aan moppen, maar gunde Ludo zijn pleziertje. Hij verbaasde zich erover dat iemand met gevoel voor humor als Ludo met een mop aan kwam zetten.

Ludo duwde een hap chips in zijn mond, kauwde een keer of twee en begon met volle mond te vertellen: ‘Nou, der was eens een man en die had een oranje lul, Hij naar de dokter, maar die kon niks vinden.’ Hij slikte een keer door en ging nu verder met lege mond: ‘Vraagt die dokter: ‘mm, wat zijn eigenlijk je hobby’s?’ Zegt die man: ‘veel pornofilms kijken en paprikachips eten,’ hahahaha. Flauw hè?’

Houb staarde hem zonder een spier te vertrekken aan en zweeg.

‘Vind je hem niet leuk?’ vroeg Ludo laconiek. Hij graaide nog een keer in zijn chipszak.

‘Ik snap hem eerlijk gezegd niet. Ik wil niet dat je verder ooit nog moppen vertelt, idioot,’ zei Houb. Hij trok beheerst de zak uit Ludo’s handen. ‘Kom Ludo, die chips is voor onderweg. We gaan naar de plaats delict. De pers zal inmiddels ook wel aanwezig zijn.’ Maar dat laatste is niet zo erg, dacht hij stiekem bij zichzelf.

‘Pers? Hoezo zijn die er eerder dan wij?’

‘Omdat mijn beste Ludo, die lui van Grensstreek TV een politiescanner hebben en je weet wel hoe die lui zijn. Kom.’ Houb nam de zak chips even tussen zijn tanden, griste zijn lange detectivejas van de kapstok en trok hem aan. Hij was blij dat het weer hem nu toestond zo’n jas te dragen.

Ludo leek te peinzen. ‘Zou ik ook een jas nodig hebben Houb?’ vroeg hij.

‘Jij niet Ludo,’ zei Houb, ‘jij mag van mij kou krijgen en nat regenen.’

‘Ik heb trouwens niet eens mijn jas bij me,’ zei Ludo zinloos naar de kapstok starend. ‘Weet je Houb,’ vervolgde hij grijnzend, ‘wat dat betreft zou ik liever in uniform gaan. Daar zit zo’n heel leuk jasje bij. Dan ben je echt de man.’

Lul, dacht Houb. Ludo wist immers goed hoe hij over geüniformeerden dacht. ‘Mond dicht Ludo,’ siste hij, ‘Je weet hoe ik over uniformsukkels denk. Ze zijn er om het verkeer te regelen, niet voor het echte werk. Maar misschien is een korte leren jas wel iets, net zo één als die maat van Derrick aan heeft. Ja, die moet je één aanschaffen voor het werk. Dan ben je pas stoer, dat wil je niet weten. En nou zijn we weg. Chop chop chop!’

Ze renden naar buiten, stapten in een donkergroene Fiat Multipla en stoven weg, richting plaats delict. Houb was de chauffeur. Houb reed in een Fiat Multipla want hij vond dat de geschiktste auto voor zijn werk. Na lang aandringen en met steun van burgemeester Lepemans van Bergsel was men overstag gegaan en was de Multipla een feit. Toen Ludo voor het eerst met het vehikel werd geconfronteerd had hij vreselijk moeten lachen. ‘Waarom in Godsnaam zo’n lelijke Multipla, zo’n dikke dolfijn?’ had hij Houb hikkend van het lachen gevraagd. ‘Omdat mijn beste Ludo, er in een Multipla voorin drie stoelen zitten. Als we dan een arrestant hebben kan die mooi tussen ons in zitten?’ had Houb geantwoord. Ludo was er bijna in gebleven.

Nu lag op de middelste stoel een zak chips, waar ze om beurten in graaiden.

‘Lekkere arrestant, zo tussen ons in,’ zei Ludo. Hij wilde weer een greep in de zak doen, maar Houb sloeg hem op zijn hand. ‘Het was mijn beurt Ludo,’ gromde hij, ‘ik heb maar amper iets gehad. Jij graait maar met je grote klauwen en ik maar bescheiden doen. Hij is trouwens bijna op.’ Hij haalde zijn pijp en zijn tabak uit zijn jaszak en hield ze beide in Ludo’s richting. ‘Hier pak aan en stop hem even voor me.’

Ludo zuchtte; ‘die achterlijke pijp weer. Idioot.’ Terwijl Houb het gaspedaal nog wat verder indrukte deed hij netjes wat hem was opgedragen. Hierna joeg hij er een vlam in en stak hem in Houb zijn mond. ‘Zuigen miljaardeju!,’ riep Ludo de raam opendraaiend. Hij graaide weer in de chips.

 

Ze arriveerden heelhuids op de plek des onheils. Houb stuurde de Multipla over een grote inrit naar achter waar hij de surveillancewagen, een ambulance en een brandweerwagen had gesignaleerd. En ja, eenmaal de hoek om stond een bestelwagentje met daarop in grote letters: Grensstreek TV. Iedereen liep maar wat opgewonden door elkaar en overal leken koeien te loeien.

‘Jezus, wat een puinhoop,’ mompelde Houb. Eenmaal uitgestapt kwam agent Van Ombeek op de twee af. ‘Jezus Houb,’ waar bleven jullie toch? Lieve help, wij weten niet zo goed wat we ermee moeten, Kom mee. In ieder geval is het lijk dood. Dus wat dat betreft is er geen haast, alleen… Oh ja, Ad werd het teveel. In de ambulance zijn ze met hem bezig.’ Hij liep voor Houb en Ludo uit naar de grote deur van de stal, waar de achterkant van een voerwagen nog uitstak. ‘Hier in de stal is het te doen. Daar, voor bij die voerwagen.’

Houb keek een keer de stal in en zag dat het bij de voerwagen een drukte van jewelste was. Het aantal brandweermannen was in de meerderheid. Houb hield niet zo van brandweermannen. Ook zag hij de cameraman van Grensstreek TV aan komen lopen. Hij stak zijn hand naar hem op als een stopteken. ‘Nu niet filmen Theo!’ riep hij.

De cameraman gaf meteen gehoor aan zijn oproep. Hij haalde de camera van zijn schouder. ‘Sorry Houb,’ zei hij verontschuldigend. Vervolgens begon hij te gissen: ‘Is er al iets bekend…?’

Houb negeerde deze vraag. Hij trok een keer aan zijn pijp, keek een keer rond en richtte zich vervolgens tot surveillant Van Ombeek. ‘Verdomme, Van Ombeek,’ begon hij foeterend, ‘waar is in godsnaam het lint? Je weet toch dat je het met zo’n lint moet afzetten. Het is niet de bedoeling dat iedere idioot hier zo maar bij mag komen.’

‘Lint?’ Van Ombeek keek hem aan alsof hij water zag branden.

‘Ja, zo’n rood wit lint met ‘politie niet betreden’ erop. Kijk jij nooit een detective?’

‘Euh nee, maar hebben wij zo’n lint?’

‘Ja achter in jullie auto, er liggen ook van die steekpaaltjes bij. Anders ligt er ook wel iets in de Multipla. Verdomme, is dit jullie eerste lijk of zo? Jaag iedereen die stal uit en haal dat lint. Ludo helpt wel even mee. Vooruit, chop chop chop!’

 

Even later had Houb zijn felbegeerde lint en stond iedereen er netjes achter.

‘Zo, nu kan ik,’ mompelde Houb in zichzelf. ‘Even wachten Ludo!,’ gebaarde hij naar zijn kompaan. Vervolgens liep hij naar de cameraman en vroeg: ‘Hoe is het Theo, ben je maar alleen? Is ons presentatricetje Joyce er niet bij?’ Houb vond Joyce een lekker wijf.

‘Nee,’ antwoordde Theo grinnikend, ‘die is kermis vieren Houb. Ik spreek zelf wel wat in de microfoon van de camera. Mag ik nu onderhand iets filmen?’

Houb deed net alsof hij er nog even over na moest denken, trok nog een fronsend gezicht en begon op aarzelende en nadenkende toon: ‘Mmm tja, waarom niet Theo. Weet je wat: als jij daar gaat staan dan kom ik aanlopen, trek een keer aan mijn pijp en ga zo onder het lint door. Dat komt een beetje over, weet je wel. Hierna komt Ludo achter me aan. Dat lijkt me een mooi shot. Als je dan even wacht dan is het misschien interessant wanneer je ons filmt als we die stal weer uitkomen. Dan ben ik misschien ook bereid enkele vragen te beantwoorden. Je mag best als laatste een directe vraag stellen maar dan zeg ik: ‘geen commentaar’ of zoiets en loop ik verder. Aan Ludo mag je niks vragen, begrepen! Nou ga daar maar staan. Chop chop chop!’

Theo liep nog een beetje weifelend een stukje terug en zette zijn camera stand by.

‘Kom Ludo!’ riep Houb, ‘maar niet te gretig. Pas onder het lint doorgaan als ik er goed en wel door ben. Het is voor je eigen bestwil. Theo wil ons goed in beeld hebben, dus…’ Hij keek voor de zekerheid nog een keer naar Theo. ‘Kan ie Theo?’ riep hij.

Theo knikte. Houb deed de kraag van zijn jas nog een keer goed, liep naar het lint, trok een keer aan zijn pijp en kreeg een hoestbui. ‘Cut cut!’ riep hij toen hij eenmaal weer bij zijn positieven was, ‘dat doen we een keertje opnieuw, Theo. Oh wacht dan loop ik nog een keertje terug. Beginnen we van voren af aan Nou…take two!’

Deze tweede keer ging vlekkeloos. Vooral de manier waarop hijzelf rook uitblazend onder het lint door was gelopen, stemde Houb zeer tevreden. Met Ludo liep hij langs de voerwagen. Plotseling hield hij stil. Ludo liep achter tegen hem aan. ‘Ho, sorry,’ zei deze, maar Houb hoorde hem niet. Hij staarde in de voergoot,  slikte een keer en zei: ‘Jezus, die is behoorlijk dood geloof ik. Kijk maar eens even Ludo.’

Liggend tussen het voer lag een gehavend afgerukt bebloed hoofd van een man die met het gezicht naar boven met open ogen de twee leek aan lag te staren.

Ludo werd lijkwit. ‘Godallejezus,’ stamelde hij, ‘dat ziet er niet misselijk uit.’

Houb knikte: ‘dat hoofd heeft tussen het voer gezeten waarschijnlijk. Je kunt zien dat de koeien er een beetje rondom hebben gegeten. Koeien lusten geen vlees gelukkig. Bovendien zie ik dat een slimmerik of een brandweerman het voerhek heeft gesloten. Het hoofd is zodoende nog redelijk intact om geïdentificeerd te worden. Haal maar even iets om het hoofd in te doen Ludo.’ Hij hoorde echter achter zich kotsgeluiden, keek om en zag Ludo over het voerhek hangen. Een oranje brei kletterde op de roosters van de stal. Houb werd er onpasselijk van ‘Verdomme Ludo, dat heb je ervan als je teveel paprikachips naar binnen schrokt. Smeerlap, ik moet er zelf van kokhalzen.’

Ludo zag nu nog witter dan daarnet. ‘Sorry Houb, zei hij nog wat nakokhalzend, ‘Het gaat wel weer, het is eruit.’ Hij vermande zich een beetje: ‘zeg Houb, ik weet niet of het slim is om zelf met die kop te gaan leuren. Lijkt me meer iets voor de technische recherche. Laat hen ook maar iets doen.’

Houb klopte zijn pijp leeg tegen het voerhek en knikte. ‘Mmm, misschien heb je gelijk Ludo, bel ze maar dat ze met spoed naar hier komen, dan kijk ik of ik de rest van die kerel kan vinden.’ Hij stopte de pijp terug in zijn jaszak.

Terwijl Ludo naar buiten liep om te bellen (Ludo was nog iemand die dacht dat je met een gsm binnen slechter bereik had dan buiten), klom Houb langs de voermengwagen omhoog en keek over de rand. ‘Gevonden,’ mompelde hij. In een hoek van de voerwagen stak een stuk romp buiten het voer uit. Verder lagen er overal kleine stukjes mens tussen het voer. Ook bespeurde hij blauw stof, waarschijnlijk van een overall, en groen rubber, afkomstig van boerenlaarzen. Hij sprong weer naar beneden, zette een stoïcijnse uitdrukking op zijn gelaat en beende de stal uit.

Terug onder het lint door kwam Theo op de proppen met de weinig verrassende vraag: ‘Inspecteur Houb, wat is er precies gebeurd?’

Houb trok aan zijn lege pijp, keek interessant in de camera en zei: ‘Er is in ieder geval één persoon overleden, althans dat is mijn eerste bevinding.’

‘Is het een ongeval of is het moord?’

‘Daar kan ik geen commentaar op geven,’ antwoordde Houb, om vervolgens snel verder te lopen. Een stukje verder ging hij voor de meute brandweermannen staan en riep: ‘brandweer bedankt voor het komen, maar met jullie hulp kunnen we niks! Dus ik zou zeggen: ingerukt mars! Ik wil zo snel mogelijk orde op zaken stellen hier. Kom, chop chop chop!’ Teleurgesteld en mokkend kropen de brandweermannen terug in hun brandweerwagen. Houb tikte nog even snel de commandant op zijn schouder. ‘Nog bedankt dat jullie maar met één wagen zijn gekomen,’ zei hij, ‘hopelijk zijn jullie met de poten overal vanaf gebleven.’

De commandant begon te blozen: ‘Euh, er zijn er wel een paar in de voerwagen geklommen. Daar hebben ze nog wat onderdelen van het lijk ontdekt. Ik weet niet of je dat ook gezien hebt. Er lagen allemaal stukjes van het lijk…’

‘Natuurlijk heb ik dat gezien,’ onderbrak Houb driftig, ‘waar zie je me voor aan. Ik ben geen Baantjer. Verdomme, stuur al je mannen naar het bureau voor hun vingerafdrukken en ga zelf ook mee. Jullie brengen het hele onderzoek in de war. Ga toch rond de kazerne wat opruimen, stelletje sukkels.’

De commandant zijn hoofd werd nog roder, maar nu van kwaadheid. ‘Jaja, jullie roepen ons op!’ begon hij opgefokt. ‘Weet je trouwens wie het voerhek heeft dichtgezet? Nou, c‘ést moi meneer de politieagent. Zeg maar bedankt meneer de brandweercommandant.’

Houb kon zijn sarcasme niet waarderen. ‘Bedankt meneer de brandweercommandant,’ siste hij, ‘en nu wegwezen!’

De commandant stapte in en de brandweerauto scheurde uit een soort protest met loeiende sirene weg.

‘Zo, weg is weg,’ mompelde Houb.

Een ziekenbroeder stapte op hem af: ‘zeg inspecteur, wij kunnen ook wel weer gaan zeker? Ik denk niet dat we dat lijk nog opgestart krijgen. Bovendien willen we naar huis. Mijn collega zit al in de kar in te wachten. Hij wil op tijd thuis zijn voor de samenvatting van de Tour.’

‘Wie heeft vandaag trouwens gewonnen?’ vroeg Houb.

‘Euh, Cavendish of zo… oh toch niet. Het is vandaag een rustdag.’

‘Jaja, ach zo,’ knikte Houb. Hoezo een samenvatting lul, dacht hij. Hij wierp de man nog een wantrouwende blik toe en vroeg vervolgens: ‘hoe is het trouwens met Ad Veuls, onze agent?’

De man begon te lachen: ‘Oh, die hebben we weer gereanimeerd. Tja, sommigen kunnen er niet goed tegen. Hij loopt hier weer ergens rond, dus…nou doei!’ Hij draafde naar de ambulance stapte in en scheurde weg. Ook met sirene.

‘Idioten,’ mompelde Houb. Hij keek op zijn horloge en zag dat het inmiddels al bijna half zes was.

Ludo kwam hem informeren over de stand van zaken. ‘De mannen van het lab zijn onderweg,’ vertelde hij, ‘dat duurt nog wel een uur voor die hier zijn.’

‘Mooi,’ bromde Houb, ‘weet er al iemand wie het lijk is?’

‘Ja,’ zei Ludo. Hij wees naar enkele mensen die achter het lint druk met elkaar in gesprek waren. Ook de petten van Ad Veuls en Hans Van Ombeek waren zichtbaar. ‘Daar bij Van Ombeek en Veuls staan wat buren en familie. Ik heb ze allemaal kort verhoord. Ik rapporteer dat straks wel op het bureau. Volgens hen is de onfortuinlijke kop van de boer zelf, ene Dré Klavermans. De rest van zijn lijf ligt in die kar geloof ik, maar dat zal je zelf ook wel gezien hebben. Ze zijn nu van alles aan het regelen.’

‘Zoals?’

‘Ja, iemand zal de koeien moeten melken. Een buur heeft zich al aangemeld. Misschien is hij al bezig. De vrouw van Klavermans zit in een shock in haar huiskamer. Ze hebben geen kinderen, misschien gelukkig maar. Een aantal broers en zussen is bij haar. We kunnen haar vandaag het beste met rust laten. Ze heeft zoveel voor de kiezen gekregen.’

‘De koeien ook,’ mompelde Houb. Hij voegde zich met Ludo bij het groepje Van Ombeek en Veuls.

‘Zeg Houb,’ begon Van Ombeek, ‘er is een probleempje: één van hen wil de tractor met die kar eruit rijden. Mag dat? Het lijkt mij dat ze die maar niet moeten gebruiken. Een boer uit de straat hier is thuis een andere voerwagen aan het halen. Ja, mooi hoe die mensen hier voor elkaar klaarstaan. De koeien moeten toch gevoerd worden, begrijp je, en ja dat hoofd ligt er ook nog dus…’

Houb dacht even na en zei: ‘inderdaad, dat moet snel gebeuren. Die koeien loeien zich een ongeluk. Als jij samen met Ad voor het hoofd zorgt, dan bekommer ik me om de voerwagen. Ik rijd hem er hoogstpersoonlijk uit. Je weet wel in verband met vingerafdrukken en zo. Geldt ook voor jullie. Doe latex handschoenen aan en rol de kop voorzichtig in een plastic zak. Leg hem zolang maar daar tegen die grashoop aan op het muurtje van de sleufsilo, een beetje uit het zicht. Dan kunnen de ‘labzwansen’ hem dadelijk meenemen.’ Houb vond ‘Labzwansen’ een flauwe woordspeling die toch niemand begreep, maar hij gebruikte hem toch.

Agent Veuls leek weer wit weg te trekken. Houb hoorde Van Ombeek tegen hem fluisteren: ‘Ik doe het wel alleen Ad. Ga jij maar in de auto zitten. Misschien is er op de radio ergens wat tournieuws. Kun je horen wie de etappe vandaag heeft gewonnen, hè Ad. Heb je wat afleiding.’ Veuls slofte lijkwit naar de surveillancewagen.

Houb zuchtte en schudde zijn hoofd. ‘Het is vandaag een rustdag, maar goed, laat hem maar. Nou, jij zorgt dan voor die kop. Maak ook maar wat foto’s van alles. Ga dan naar de kermis om daar een oogje in het zeil te houden.’

Van Ombeek begon tegen te stribbelen: ‘Ja, maar mijn dienst zit er eigenlijk op, ik bedoel…’

‘Naar de kermis, zeg ik je verdomme!’ fulmineerde Houb, ‘normaal doe je dat graag genoeg. Ga met je maat maar naar De Zilveren Tijger om te kijken of het daar niet uit de hand loopt. Er is van de week ook al een spaarkas gejat daar, dus…hop met dat hoofd en die foto’s en chop chop chop!’

Vervolgens stuurde Houb de rest ook weg, behalve twee boerenmannen die aangaven te moeten blijven om te helpen met voeren, melken en wie weet wat nog meer. Toen Van Ombeek het hoofd had verzameld en met Veuls was gevlogen, liep Houb in de richting van de trekker.

‘Gaat jou dat lukken?’ vroeg Ludo bezorgd.

Houb grinnikte: ‘Of me dat gaat lukken…Tjonge Ludo, dat wist jij nog niet, maar ik heb nog boerenroots jongen.’ Hij wees naar de tractor: ‘Dat hier mijn beste Ludo, is een International, in de boerenvolksmond ‘Cormick’ genoemd, van het type 844. Viercilinder en een dikke tachtig pk, waarschijnlijk met stuurversnelling. Een makkie! Ik pleur dat ding wel achteruit. Aan de kant!’

Dat laatste deed Ludo graag en zo reed Houb achteruit de stal uit. Hij reed wel heel het lint stuk, maar dat deerde hem niet. Het lint moest daar toch weg.

 

Terwijl de mannen uit de buurt met de diverse boerenwerkzaamheden begonnen, was het wachten op de technische recherche. Ludo en Houb gingen, nadat ze de resten lint hadden opgeruimd, even tegen de stalmuur zitten. Het prettige geronk van de melkmachine was al te horen.

‘Nou vertel eens Ludo, wat je al hebt opgestoken?’ vroeg Houb op een hooisprietje kauwend.

Ludo keek in zijn notitieblokje: ‘Lieve Nathalie, je weet dat ik nog erg veel van je hou. Ik had gisteren niet…….euh volgende pagina.’ Hij sloeg zenuwachtig een blad om. ‘Oh ja, hier heb ik het. Eerst een verklaring van de buurman, weliswaar geen boer geloof ik, van nummer 54: ‘Even na vieren stond ik achter in mijn tuin toen ik een ijselijke gil hoorde, gevolgd door het kabaal van loeiende koeien. In een reflex haastte ik me naar de stal. Daar zag ik de buurvrouw van de tractor afspringen. Ze krijste hysterisch: ‘Oh mijn God, help!’ Ik riep: ‘wat is er aan de hand?’ Ze schreeuwde en wees naar de losband van de voerwagen: ‘Dré is dood, Dré is dood!’ En liep toen hysterisch naar buiten. Ik ging snel kijken en ja, ik zag wat er gebeurd was. Verschrikkelijk. Maar ik hield het hoofd koel. Ik heb ooit medicijnen gestudeerd en zodoende wel wat lijken gezien. Op de snijtafel, begrijp je, dus gewenning zal ik maar zeggen. Maar ja, op zo’n manier is het toch anders. Het hoofd was zo rafelig afgerukt. Toch kon ik nog goed zien dat het boer Dré Klavermans zelf was. Althans zijn hoofd. Maar goed, ik pakte mijn gsm. Ik hoopte dat hij  het deed, want de laatste tijd is het bereik toch slecht hier. Dat komt omdat ik nu Telfort heb en die blijken niet zo’n goed bereik te hebben hier aan de grens, weet je. Maar gelukkig deed hij het. Ik belde meteen 112 en toen was alles gealarmeerd. Ik heb ook nog in de voerwagen gekeken naar de rest van het lijk maar ja: je kunt wel medicijnen studeren, maar hier kon ik toch geen chocola van maken. Dus ben ik naar de arme buurvrouw gelopen die buiten helemaal hysterisch rondliep. Ik heb haar naar binnen gemanoeuvreerd en een kopje thee voor haar gezet. Ze kon geen woord meer uitbrengen. Gelukkig hadden ze een oude telefoonklapper waar ik wat Klavermansen in zag staan, familie dus, en daar heb ik er een paar van gebeld. Hierna heb ik bij mevrouw Klavermans gewaakt, zal ik maar zeggen. Even later arriveerde als eerste die man van Grensstreek TV, maar ik vond het geen goed idee om hem al te laten filmen. Leek me ongehoord. Ik liep dus naar buiten en sommeerde hem even te wachten. Hij had daar geen moeite mee. Vervolgens arriveerden er vrij snel een politiewagen met twee agenten. Die waren ook snel hier hoor, niet zo snel als Grensstreek TV, maar goed. Vervolgens arriveerde de brandweer en de ambulance met in hun kielzog mensen uit de buurt. Je weet hoe dat gaat. Oh ja en gelukkig ook de familie. Die zijn nu binnen bij mevrouw Trees. Het arme mens zal wel helemaal van streek zijn. Misschien had ik achteraf thuis wel een valiumtabletje voor haar kunnen halen, maar ach de familie heeft allang haar huisarts gebeld geloof ik. Moet je nog meer van me weten of was dit het?’

‘Hèhè ‘ Ludo was bijna buiten adem. ‘Zo, dat was dus zijn verklaring,’ zei hij naar lucht snakkend.

‘Jezus,’ zei Houb met ingehouden lach, ‘Ludo jongen, heb je dat helemaal letterlijk opgeschreven?’

Ludo glom van trots: ‘Jazeker Houb. Het was wel een hele klus. Hij praatte ook zo snel, maar tja, dan liet ik het hem maar herhalen. Maar het is zo duidelijk niet?’

‘Te duidelijk,’ zei Houb, ‘al die ruis had je ook weg kunnen laten. Maar toch: puik werk makker.’

Het bleef een poosje stil. De beide mannen staarden bedachtzaam voor zich uit. Meer heeft hij kennelijk niet, dacht Houb. ‘Had je nog meer Ludo,’ vroeg hij eindelijk de stilte doorbrekend.

‘Euh, nee, eigenlijk niet, dit leek me te volstaan. Die anderen waren gewoon in het kielzog van de brandweer en ambulance aan komen waaien.’

‘Mooi,’ zei Houb. Hij hees zich weer overeind en spuugde hetgeen wat er van zijn hooisprietje was overgebleven uit. ‘Kom Ludo,’ zei hij dan kijken we ondertussen een keer rond.’

Ludo sprong overeind en snelde achter hem aan naar de maishoop waar de oude tractor met de voorlader stond. Houb wees er met de steel van zijn pijp naar en zei: ‘Hier heeft hij zijn laatste mais geladen, denk ik.’

Ludo knikte: ‘Dat denk ik ook. Jezus, arme kerel. Ik denk dat het best leuk werk is, zo een beetje voer laden met zo’n olijk trekkertje, maar dat kan hij nu niet meer. Het is toch een raadsel hoe die man in die wagen terecht is gekomen.’

Houb sloeg zijn vinger voor zijn mond. ‘Stil eens Ludo, ik zie iets.’

‘Hoezo, stil zijn. Je kunt toch gewoon kijken met geluid erbij, of niet dan?’

‘Hou je mond en kijk even mee. Zie je daar in die gemorste mais ook dat spoor van de trekker met voermengwagen?’ Ludo knikte en wees ook. ‘Dat daar bedoel je?’

‘Precies, als je nu even meekomt.’

Ze liepen tot aan de hoop. ‘Kijk,’ zei Houb, ‘je kunt zien dat de wagen hier met zijn kont tegen heeft gestaan. Dat doen die lompe boeren altijd. Gewoon achteruit rijden met de instelling: boem is ho. Hop helemaal ertegenaan. Ik ken die geintjes wel. En nou dan het volgende: zie je hoe hoog die maishoop is?’

Ludo keek omhoog: ‘het is een flinke hoop ja.’

‘Precies, de kuil steekt nog wel anderhalve à twee meter boven die kar uit. Wat die boeren misschien doen is het volgende: ze klimmen dan boven op die kuil en kijken dan van boven in de wagen hoe het voer gemengd wordt. Dat vinden ze leuk. Kom we zullen daarboven eens een kijkje gaan nemen.’

Ze klommen de kuil op aan de kant waar zo te zien wel vaker tegenop geklommen was. Het was een hele klim. Houb hijgde toen hij boven was. ‘Ik denk dat ik eerdaags ga lijnen Ludo,’ zei hij puffend, ‘dat zou voor jou ook wel eens iets zijn. Maar gelukkig heb je net je chips al uitgekotst. Dat scheelt weer.’

Ludo deed net alsof hij het niet hoorde. ‘Kijk Houb,’ wees hij, ‘daar kun je zien dat er een hoek is afgebrokkeld. Misschien heeft hij gewoon teveel op het randje gestaan of zo. Denk jij niet dat het gewoon een ongeluk is?’ Hij klonk een beetje teleurgesteld.

Houb keek peinzend voor zich uit. ‘Is mogelijk, waarschijnlijk wel. Maar het kan ook dat iemand hem geduwd heeft. Laten we niet meteen opgeven Ludo. Laten we het op zijn minst ‘verdachte omstandigheden’ noemen. Het is ons eerste lijk, dat wil ik niet zomaar opgeven.’

‘Tja ik ook niet. Hopelijk gooit de technische recherche geen roet in het eten. Misschien zijn ze al boos dat ze voor een ongeluk, tussen aanhalingstekens dan, op moeten komen draven.’

‘Beste Ludo,’ zei Houb belerend, ‘als het gewoon een ongeval is dan is het toch een bedrijfsongeval en zoiets moet ook altijd worden onderzocht. Bovendien: iemand moet de stukken lijk uit dat voer peuteren. Lijkt me niet iets voor jou.’

‘God nee,’ verzuchtte Ludo. Zijn gezicht vertrok weer helemaal. ‘Miljaardeju Houb, dat is me wat zeg…  Geloof maar dat het pijn doet als je in zo’n voermengwagen terechtkomt. Tsjonge jonge, ik heb me laatst thuis gesneden aan de kaasschaaf en dat vond ik al een helse pijn. Maar ja, dan plak je er een pleister op en klaar is Kees. Maar dit is andere koek.’

‘Mwah,’ zei Houb in een poging het ietwat te relativeren, ‘dat is niet te vergelijken. Hij heeft er waarschijnlijk niks van gevoeld. Tenminste… dat ligt eraan hoe snel zijn kop eraf gejast werd. Het moeilijkste moment is, denk ik, het moment dat je valt en je weet in een flits: ja, ik word zo meteen helemaal vermalen. Zo van: dat was het dan jongens. Maar weet ik veel… Misschien was hij al dood toen hij erin viel, of misschien heeft hij wel drie minuten in dat ding geworsteld voor zijn leven. De technische recherche zal het wel allemaal uit gaan pluizen.’ Hij hoorde een tractor achterom komen. ‘Kom we gaan nu opzij. Daar is zo’n lomperik met een andere voerwagen.’

Ze holden snel van de maishoop naar beneden. Ludo stak enthousiast zijn duim op naar de man die in de tractor kwam aanrijden. De man stopte en opende zijn tractordeur. ‘Hè, wat is er?’ riep hij verbaasd boven het motorgeluid uit, ‘waarom steek jij een duim tegen me op? Is er iets?’ Hij wantrouwde het gebaar kennelijk een beetje of hij snapte het niet.

‘Euh, er is niks hoor!,’ riep Ludo terug, ‘ik bedoel alleen dat ik het mooi vind hoe jij hier vrijwillig bijspringt. Mooi dat het nog bestaat: buren die elkaar in tijd van nood helpen!’

De man knikte en ging verder met zijn werk.

‘Idioot,’ mompelde Ludo.

‘Ken jij hem?’ vroeg Houb.

‘Neen, dat niet. Maar hij was ook achter de brandweer aan naar hier gekomen. De buurman op nummer 50 geloof ik. Ramptoeristen, dat zijn het.’

‘But aren’t we all,’ zei Houb. Hij begon zijn pijp te stoppen en keek nog eens rond. ‘Wat is het een rare wereld, hè Ludo. Boeren, die vermalen worden in een voermengwagen. Dat verzint de beste detectiveschrijver nog niet. Maar goed we hebben een lijk. Ons eerste lijk Ludo. Potverdikkeme!’

‘Sirtaki baas?’ vroeg Ludo hoopvol.

Houb glimlachte. ‘Neen, nu niet meer Ludo. Maar als straks blijkt dat het echt moord is, dan wil ik zeker nog wel een dansje met je maken.’ Hij joeg een vlam in zijn pijp.

 

Het was wel tegen negenen toen in een raar vierkant busje drie mannen arriveerden. ‘Eindelijk, daar is de technische recherche Houb,’ zei Ludo. Ze zaten samen tegen de motorkap van de Multipla aan en bleven rustig toezien hoe de drie uitstapten. De grootste van het drietal stapte op hen af, terwijl de andere twee de bekende witte pakken aan begonnen te trekken.

‘Een eikel, wedden,’ fluisterde Houb.

De man gaf eerst Ludo een hand en kneep er krachtig in. ‘Anton Huijgebaard, aangenaam.’ Ludo gaf zijn naam ook prijs maar de man luisterde niet eens meer. Hij was al druk bezig met het vermorzelen van de rechterhand van Houb. Het deed pijn maar Houb gaf geen krimp. ‘Hoofdinspecteur Houb,’ zei hij de man recht in de ogen kijkend, ‘Houb met O U B. En je hoeft godverdomme niet zo hard te knijpen man. Ik ben je arrestant of je vrouw niet.’

‘Ha, we hebben een grapjas,’ sneerde Huijgebaard, ‘jij bent in charge hier, is het niet? Nou vertel eens jongeman, wat kunnenn wij voor jou betekenenn?’ Hij articuleerde als Swiebertje. Houb haatte mensen die articuleerden als Swiebertje. ‘Nou meneer Anton Huijgebaard, wij hebben hier een lijk dat nader onderzocht moet worden op eventuele eigenaardighedennn,’ swieberde hij terug.

‘Dan zullen wij dat eens nader onderzoekennn kerel.’ Ook Huijgebaard bleef in zijn rol. Hij kon nu niets anders. ‘En waar bevindt zich dat lijk, mijn jongenmannn.’

Houb begon er nu ook theatraal bij te wijzen: ‘daarzo, in gindse voermengwagennn.’

‘Ha ginder, je bedoelt dat groenen ding achter die rodennn tractor die we daar geparkeerd hebbennnn?’

‘Precies, ga daar de overledene maar zoekennn. Je zult wel even bezig blijvennn.’

‘En waar is het lint jongenmannnn?’

‘U bedoelt dat roodwittenn lint met ‘politie niet betreden’ erop?’ Dat is een goeien.’

Huijgebaard viel nu plotseling wel uit zijn rol. ‘Verdomme ja, het lint godverdomme!,’ brieste hij, ‘je weet toch dat je allemaal af moet zetten met lint. Of hebben we dat niet op de politieschool geleerd. Stelletje sukkels!’

Ludo staarde een beetje naar de grond en haalde zijn schouders op. Houb ging in de verdediging: ‘Luister Meneer Huijgedinges, dat lint is alweer opgeruimd. Zie jij nog omstanders dan. Die zijn niet zo gek om ook twee uur op de forensische jongetjes te wachten. Tjonge, tjonge met je lint. Dat is nu mosterd na de maaltijd.’ Het swieberen liet hij nu ook achterwege.

Huijgebaard maakte zich nog groter dan hij al was en ging op vijf centimeter voor hem staan. ‘Het is je eerste lijk hè,’ siste hij smalend, ‘ik pik ze d’r altijd meteen uit, die eerstelijksinspecteurtjes. Prachtige nieuwe trenchcoat, waarschijnlijk ook een pijp. Die domme apathische blik in hun ogen. Je ziet het gewoon. Dat geldt ook voor je maat, hè. Het is een Belg, of had je dat nog niet gehoord. Zo iemand die je alleen een puntzak vast kunt laten houden hè. Tjonge jonge, stelletje kansloze rukkers.’

‘Rukken is soms ook fijn,’ mompelde Ludo.

Houb verroerde geen vin, veegde wat Huijgebaardspeeksel uit zijn gezicht, zuchtte een keer en zei: ‘zo, dat heb je mooi gezegd, mijn Toontje. Nou vooruit aan het werk, straks is het donker. Chop chop chop!’

Huijgebaard draaide zich om en riep naar de twee witte pakken: ‘Hoor je wat de inspecteur zegt: we moeten snel aan het werk jongens. Chop chop chop!’ Hij richtte zich weer tot Houb: ‘dat gechop heb je zeker van Frost hè. En ja, zo’n geruit gleufhoedje zou jou misschien ook wel staan. Misschien iets voor de volgende keer.’ Hij knipoogde er ook een keer bij. Houb werd er nu wel een beetje misselijk van.

De twee witte pakken kwamen informeren wat ze precies moesten doen. Houb legde het één en ander uit. Huijgebaard had netjes gezwegen, maar toen Houb klaar was zei hij: ‘Heb je waar de wagen op de stal heeft gestaan en die kop heeft gelegen afgetekend en zo. Je weet toch dat je dat af moet tekenen met wit krijt.’

Nu werd het Ludo teveel: ‘Godverdomme we hebben foto’s laten nemen. Foto’s, dat is toch veel makkelijker. Met je debiele witte krijt. Het is verdomme een stal, dat krijt likken de koeien er zo af. Met je belerend gedoe. Wij weten heel goed wat we doen hoor. Peuter dat lijk uit die wagen, ga heen en onderzoek het. Miljaardeju, ik heb nog meer te doen. Ik wil mijn vriendinneke straks nog een keer te grazen nemen. Dus, Chop chop chop!’

Zowel Huijgebaard, Houb en de twee witte pakken staarden vol verbijstering naar Ludo.

‘Bedoel je éne Nathalie,’ vroeg Houb.

Er werd gelachen. Zelfs Huijgebaard toverde een vrolijke grimas op zijn gezicht. De sfeer werd zienderogen beter.

Een mooi moment, dacht Houb, om nu fluitend naar de graskuil te lopen om de plastic zak met daarin het hoofd van Dré Klavermans te halen. Dat deed hij dan ook. ‘Hier Anton,’ zei hij, terwijl hij hem de zak overhandigde, ‘ hier heb je vast de kop. Die is redelijk intact. Enfin, we weten in ieder geval wel wie het is.’

De doffe dode ogen van boer Klavermans leken door het transparante plastic in de ogen van Huijgebaard te kijken. Huijgebaard trok een vies gezicht. ‘Godnondeju, wat een lelijke vent,’ zei hij, ‘daar is niet veel aan verspild. Maar evengoed toch erg.’ Terwijl de twee witte pakken over de rand van de voerwagen klommen, legde hij de kop alvast in het busje. ‘Zo nu de rest nog,’ zei hij.

Houb en Ludo knikten. ‘Dat zal nog een hele klus zijn,’ zei Houb, ‘hij is in vele stukjes.’ Vanuit de voermengwagen konden ze dit beamen. ‘Goeie god, hier zijn we voorlopig wel even mee bezig baas,’ klonk het vermoeid.

Huijgebaard zuchtte: ‘dat wordt dan nachtwerk mannen. Maar ja: het hoort er allemaal bij.’

‘Op de boerderij!’ zongen Houb en Ludo in koor.

Huijgebaard lachte. Echt waar. Huijgebaard lachte de tranen uit zijn ogen.

 

Het was bijna donker toen de groene Multipla door de Brabantse groene maisakkers en weilanden terug scheurde in de richting van het bureau. Achter de wolken hing nog net de mooie rode gloed van de zon. ‘Een mooi landschap, een lieflijk beeld,’ orakelde Houb, terwijl hij in het kader van ‘het nieuwe rijden’ veel te vroeg naar de vijfde versnelling schakelde. ‘Ludo, jongen als je dat zo ziet dan is het nauwelijks voor te stellen dat dit het decor is van een gruwelijke lugubere moord.’

‘Of misschien een ongeluk,’ begon Ludo weer twijfelachtig.

‘Neen Ludo,’ zei Houb vastberaden, ‘het is moord. Ik weet het zeker. Ik voel dat gewoon. Ik heb daar een neus voor.’

‘We zullen het gaan zien,’ zei Ludo, ‘wanneer zou de technische recherche klaar zijn?’

‘Die zijn voorlopig nog wel bezig,’ grinnikte Houb. ‘Huijgebaard belt zo gauw hij meer weet. Maar dat zal waarschijnlijk overmorgen zijn. Zo’n patholoog-anatoom is er natuurlijk nog niet  één, twee, drie mee klaar. Het zal een hele puzzel zijn.’

‘En wij? Wat doen wij ondertussen?’ vroeg Ludo.

‘Jij doet morgen maar een buurtonderzoek, dan ga ik ondertussen met die mevrouw Klavermans babbelen. Ik wed dat ze van die droge mariakoekjes bij de koffie serveert. Van die stomme koekjes in zo’n ouderwetse koektrommel. Zo één waar zo’n ranzige meellucht uit ontsnapt als het deksel open gaat.’

‘Gezellig, het zal er wel druk zijn. Familie, vrienden en kennissen en zo. Misschien wel de pastoor. Ze zal helemaal suf gecondoleerd worden. Dat heb je met zoiets.’

Houb knikte: ‘en dan al die clichés: ‘je hebt geen keuze Trees, je moet verder’. ‘Je hoofd niet laten hangen’. ‘Ieder huisje heeft zijn kruisje, je bent niet te enige’. Of deze: ‘je wordt zo geleefd ‘mee zon doag’ en ‘je moet ook nog alles regelen’. En dan gaat zo ‘n visite al zijn eigen dodelijke ongevallen opsommen en steggelen wanneer wat is gebeurd en wie het doodst is. Ondertussen kwijlt die Trees heel het tapijt onder van al die aandacht. Jezus wat een ellende…’

‘Jaja,’ riep Ludo opgewonden, ‘en wat vind je van deze: ‘de echte klap moet nog komen’ of ‘de goei goan urst’. Miljaardeju, ik ben blij dat ik niet mee hoef.’ Hij dacht even na. ‘Trouwens Houb, als die buurt daar allemaal binnen zit, heeft dat buurtonderzoek morgen dan wel nut? Misschien is het beter dat ik dat overmorgen doe. Misschien is er dan ook uitsluitsel van het forensisch gedoe, net zo gemakkelijk. Ik heb afgelopen zaterdag ook al langer doorgewerkt en ik wil morgen mijn voordeur schilderen. Euh ja …euh, begrijp je.’

Houb glimlachte, laste een korte pauze in om Ludo expres nog even in het ongewisse te laten en zie toen: ‘Mja, misschien heb je gelijk. Ga morgen je voordeur maar schilderen jongen. Welke kleur had je in gedachte?’

Ludo leek even te aarzelen. ‘Euh Jezus…donkergroen waarschijnlijk, ja ik denk donkergroen. Dat is hij nu ook dus dat is het gemakkelijkst.’

‘Schijterd, pak eens geel.’

‘Neen, donkergroen net als jouw Multipla. Heb je trouwens nog fatsoenlijke muziek in deze huifkar?’ Ludo had duidelijk geen zin in een gesprek over de eventuele kleuren van zijn voordeur.

Houb haalde uit het zijvak van zijn deur twee cd’s en gaf ze aan Ludo. ‘Dit zijn de enige twee cd’s die ik momenteel in de auto heb liggen Ludo. De ene heb ik destijds vol gebrand met smartlappen om een mooi nummer uit te zoeken voor ons optreden. Arno en Gratje is nummertje drie geloof ik. Ga je gang.’

Ludo trok een zuur gezicht. ‘Nu even niet Houb,’ zei hij, ‘even kijken wat die andere is.’

Murder Ballads van Nick Cave and the Bad Seeds, ken je die?’

‘Geweldig, ik zie het!’ schreeuwde Ludo. Hij duwde de cd in de gleuf.

Net aan het begin van nummertje drie, het duet met PJ Harvey, arriveerde ze bij het bureau.

‘Shit, net het mooiste nummer, kan ik de auto uit,’ klaagde Ludo. ‘Afijn, doen we nog een bakje Houb?’

‘Nee, ik ga naar huis. Ik wil straks De Avondetappe zien.’

‘Oh dat is met die Mart Smeets van jullie hè. Een leuk programma. Wie heeft vandaag eigenlijk gewonnen?’

‘Niemand.’

‘Niemand?’

‘Nee, het was een rustdag Ludo. Nou tot overmorgen dan. Houdou!’

‘Salut!’ Ludo sloeg de deur achter zich dicht. Terwijl hij naar zijn auto liep, een nostalgische donkerblauwe kever, draaide Houb nog even zijn raam open en stak zijn kop erdoor. ‘En doe de groeten aan Nathalie!’ schreeuwde hij. Hij had Nathalie nog nooit gezien, maar had er wel een bepaald beeld bij. Ludo stak zijn hand omhoog ten teken dat hij het had gehoord. Klootzak, dacht Houb, die gaat morgen lekker de etappe zien. Houb dacht dat er een bergetappe op het programma stond. Hij wist het niet zeker.

Hij reed naar huis, naar zijn Josefien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IV

 

Houb belde de volgende morgen netjes aan bij de voordeur van Koepadweg 52. Naast de deur hing een dakpan met ‘welkom’ erop. Dat iemand de moeite neemt om zo ‘n ding te kopen en aan de muur te bevestigen, dacht Houb. Hij beredeneerde vervolgens dat het ook mogelijk was dat de bewoners het ding cadeau hadden gekregen en er fatsoenshalve niet onderuit konden om hem op te hangen. Wat kan mij het trouwens schelen, dacht hij verder, het ding hangt er en daarmee is voor mij de kous af. Hij had een hekel aan dergelijke dingen. Even vond hij het, wat dat betrof, bijna terecht dat de vermoedelijke bevestiger van het ding in honderd stukjes was gehakt. Hij schrok af en toe zelf van dergelijke gedachten. Niet doen Houb, sprak hij in zijn hoofd tot zichzelf, niet van dergelijke rare gedachten hebben jongen. Hij recapituleerde even: ik ben hoofdinspecteur Houb, sta voor de deur van iemand die op een wrede manier overleden is en dat is heel erg.

Hij schrok toen de deur plotseling openzwaaide en er een vrouw met grijze lange haren en een venijnig rood brilletje tevoorschijn kwam. Ze keek hem verbaasd aan.

‘Euh …. mevrouw Klavermans.,’ begon Houb aarzelend.

‘Nee, ik ben Jo. Ik ben getrouwd met haar broer. Ik weet niet wat je komt doen maar je komt op een verkeerd moment, dus ik denk dat je beter kunt gaan. Mevrouw Klavermans heeft nu geen trek in vertegenwoordigers. Ga je koeienbrokken maar ergens anders slijten. Houdou!’

Bitch, dacht Houb. Het lukte hem nog net zijn voet tussen de deur te zetten voordat deze voor zijn neus werd dichtgetrokken. Vervolgens trok hij zijn politiepasje tevoorschijn. ‘Politie! Mijn naam is Houb,’ zei hij met krachtige stem, ‘Hoofdinspecteur Houb, met O U B. Ik verzoek u dringend mij binnen te laten. Ik moet mevrouw Klavermans even spreken over het voorval van gisteren. Dit is een bevel.’ Hij duwde het ‘Jo-mens’ met deur en al aan de kant en beende naar binnen.

In de rokerige huiskamer aan het einde van de gang, zat aan een massief eiken tafel met zo’n kitscherig Perzisch tapijtje, een behoorlijk clubje mensen voor zich uit te zwijgen. Ze keken wel allemaal op toen Houb ten tonele verscheen. Eén van hen had rode ogen van het huilen. Ze droeg een grijsgroene trevirajurk. Die moet het zijn, beredeneerde Houb. Hij stapte op haar af en gaf haar een hand. ‘Hallo mevrouw, mijn naam is Houb,’ sprak hij met toepasselijke zachte stem, ‘hoofdinspecteur Houb met O U B. Allereerst gecondoleerd met het verlies van uw man, mevrouw Klavermans. Sorry dat ik op dit …’

‘Oh, wacht eens meneer,’ onderbrak ze hem plotseling terwijl ze haar hand terugtrok, ‘ik denk dat u de verkeerde voor heeft. Ik ben de voormalige overbuurvrouw, ja van schuin tegenover. Trees is in de keuken. Erg hè wat er met Dré is gebeurd. Ik weet hoe het voelt voor Trees. Ik verloor vandaag precies vier jaar, drie maanden en twaalf dagen geleden ook mijn man. Ook plotseling. Weliswaar aan een hartstilstand, maar goed, in feite is het allemaal hetzelfde. Van de ene op de andere dag staat je leven op zijn kop. Nu komt het bij mij allemaal weer terug. Ik zei al tegen Trees: het wordt nooit meer hetzelfde. Het is verschrikkelijk.’ Ze pakte haar zakdoek en begon hevig te snotteren.

‘Laat je maar gaan Paula,’ zei een man in een vieze overall, ‘je hoeft je niet te schamen. Laat het maar komen, dan is het eruit.’

Wat een pathetisch gedoe, dacht Houb. Terwijl het Paula-figuur naar buiten griende, liep hij verder naar de keuken. De vrouw waar het allemaal om draaide stond doodgemoedereerd in een Honig-schort met ‘Trees’ erop een koffiefilter vol te scheppen. Deze pose belemmerde Houb haar een hand te geven. Hij begon maar alvast zijn riedeltje af te steken: ‘Hallo mevrouw, mijn naam is Houb, hoofdinspecteur Houb met O U B. Allereerst gecondoleerd met het verlies van uw man, mevrouw Klavermans. Sorry, dat ik op dit ongewenste tijdstip kom, maar dat kan nu eenmaal niet anders.’

Mevrouw Klavermans keek pas op toen ze de koffie aan had gezet. Houb gaf haar nu snel een hand. ‘Zo nu kan ik u een hand geven.’

Mevrouw Klavermans hield zijn hand even vast. ‘Bedankt voor je medeleven,’ zei ze schijnbaar emotieloos, ‘wie ben je eigenlijk?’ Ze had een lege suffe blik in haar ogen, waarschijnlijk van de kalmeringspillen. Ze was er niet helemaal bij. Oxazepam, schatte Houb. ‘Oh, mijn naam is Houb, hoofdinspecteur Houb met O U B,’ klonk het ten derde male.

‘Hoofdinspecteur? Ben jij van de politie?’

‘Precies mevrouw…eh of mag ik Trees zeggen? Dat praat wat gema…’

Ze begon hysterisch te krijsen: ‘Jullie hebben hem meegenomen, jullie hebben hem meegenomen! Waar is hij! Ik wil hem terug!’ Met beide vuisten begon ze op Houb zijn borstkas te bonken.

Die Oxazepam is ook niet meer wat het geweest is, dacht Houb, terwijl hij een verwoede poging deed zich af te weren.

‘Wat is hier aan de hand?’ klonk een stem van iemand die de keuken in was gesneld. Trees, vakkundig door Houb in een soort staande houdgreep genomen begon heftig te snikken. ‘Rustig maar,’ zei Houb, ‘rustig maar, wij zijn bij je.’ Hij wist ook niks beter te zeggen. Hij draaide zijn hoofd en keek recht in de ogen van een autoritaire man in een zwart kostuum met witte boord. Houb meende in hem de overkoepelende Kempenpastoor te herkennen. Dat was een pastoor die sinds kort aan het hoofd stond van alle Kempenparochies en soms inviel waar het nodig was. Zijn vermoeden werd bevestigd toen Trees hijgend met haar laatste kracht uitkraamde: ‘doe dan iets meneer overkoepelende pastoor, zij hebben hem meegenomen! Zij hebben hem meegenomen!’

‘Aan de kant jij!’ bulderde de pastoor, terwijl hij Houb van Trees aftrok en hem wegduwde. Vervolgens sloeg hij zijn armen om Trees heen. ‘Rustig Trees,’ zei hij nu kalm, ‘meneer pastoor is bij je.’

Trees snikte nu een behoorlijke versnelling lager. Bijna geruisloos zelfs. Houb meende te zien hoe meneer pastoor met zijn grote rechterhand over haar bibs aaide. Hij werd er bijna misselijk van. Vervolgens zag hij hoe achter hem het keukendeurgat zich gevuld had met nieuwsgierige zwijgende koppen. Met één driftig handgebaar wuifde hij ze een centimeter of tien naar achteren. ‘Nu even geen pottenkijkers,’ siste hij. Vervolgens sloeg hij hard de deur dicht.

De pastoor had Trees nog stevig vast en was ogenschijnlijk niet van plan haar voorlopig los te laten. Maar Trees rukte zich plotseling los. Ze begon weer luider te snikken.

‘Kijk eens wat je doet’ brieste de pastoor met een vernietigende blik in de richting van Houb.

Houb haalde zijn geopend leren etuitje weer te voorschijn. ‘Mijn naam is Houb, hoofdinspecteur Houb met O U B. Ik ben gewoon bezig met mijn onderzoek.’

‘Welk onderzoek?’ klonk het verbaasd uit de Godsdienaar zijn mond.

‘Het onderzoek naar de dood van meneer Klavermans, weet je wel.’ Houb probeerde het expres zo laconiek mogelijk te brengen.

‘Wat? Hoezo? Die is toch gewoon per ongeluk in de voermengwagen terechtgekomen en vermalen. Niks bijzonders aan het handje, lijkt mij.’

Trees viel flauw op de zwart-wit geblokte tegelvloer. Houb en de pastoor keken er even geïrriteerd naar, alsof ze niet wilden worden gestoord in hun gesprek. Ze gingen dan ook gewoon verder met het gesprek.

‘Nou, niks bijzonders… dat denk ik niet,’ was Houb weer aan het woord, ‘in de eerste plaats is het geen alledaagse gebeurtenis en mochten er geen verdachte omstandigheden zijn, dan is het nog altijd een bedrijfsongeval. Dat moet ook door ons worden onderzocht. Het slachtoffer ligt nu bij de patholoog-anatoom voor nader onderzoek.’

‘Oh, daarom schreeuwde Trees zo dat jullie hem hadden meegenomen,’ begreep de pastoor, ‘hoe lang houden jullie hem vast?’

‘Daar kan ik nog niks over zeggen, meneer pastoor. Daar heb ik morgen pas uitsluitsel over. Dat wordt hoogstwaarschijnlijk vrijdag.’

‘Nondeju, het is me wat.’

Een pastoor die vloekt, dacht Houb. God hebbe straks zijn ziel misschien wel niet. Hij meende ook te ruiken dat de pastoor naar drank stonk. Hij keek de pastoor strak in zijn ogen en zei langzaam: ‘Nondeju…zeg dat wel meneer pastoor. Het was in een vloek en een zucht gebeurd met de arme man. Was hij gelovig, denkt u?’

De pastoor trok een zurig gezicht. ‘Mmm, echt veel in de kerk kwam hij niet, maar gelovig of niet, hij zal toch de grond in moeten.’

‘Of de oven in,’ zei Houb met een lichte grinnik in zijn stem, wetende dat pastoors doorgaans een hekel hebben aan cremeren.

‘Niks te oven,’ bromde de pastoor, ‘cremeren is niet zoals het eigenlijk is bedoeld. Volgens de katholieke leer is begraven na een prachtige kerkelijke mis het meest gewenst. Dat is toch niks: dat  kil gedoe in zo’n crematorium.’

Houb toverde een grote grijns op zijn gezicht: ‘kil voor de nabestaande, maar niet voor de dode zelf.’

De pastoor hoorde dit laatste niet meer. Hij concentreerde zich weer op zijn Trees die nog op de vloer lag. ‘Mm,’ merkte hij op, ‘het duurt wel erg lang voor ze bijkomt. Eventjes kijken.’ Hij knielde bij haar neer en hield zijn hand op haar voorhoofd. ‘Ziet er niet best uit. Zal ik mond-op-mondbeademing toepassen. Ik heb een BHV-cursus gehad, dus…’ Hij werd plotseling wel heel opgewonden. ‘Ja, laat ik dat eens doen,’ hijgde hij. Bang dat Houb deze handeling eventueel zou tackelen, voegde hij meteen de daad bij het woord. Houb zag dat hij met zijn andere hand zowat haar borsten begon te masseren. Wel wel, dacht hij, een naar drank stinkende hitsige overkoepelende pastoor die een lelijke boerin in een Honig-schort  aan het beademen is op een zwart-wit geblokte tegelvloer. Laten ze er samen in blijven. Sterven zoals God het heeft bedoeld: vol spijt en zonde. Twee zinloze levens in een even zinloos sterven. Zwarte romantiek ontsnapt uit een nog te maken nummer van Nick Cave. Een prachtig surrealistisch sfeerbeeld, jammer dat ik mijn fototoestel niet bij me heb.

De ‘verboden kus’ had wel resultaat. Na wat gemurmel en gerochel sloeg de arme Trees haar ogen open. ‘Lieve hemel,  meneer pastoor, wat gebeurt er….waar ben ik?’ kreunde ze. Ze veegde verbaasd het speeksel van de pastoor uit haar snor.

‘Rustig maar lieve Trees,’ zei de pastoor nahijgend, ‘meneer pastoor is bij je. Meneer pastoor laat je niet in de steek. Voor mijn part blijf ik de hele dag en nacht. Ja, Trees als je het niet aankunt wil ik hier wel overnachten…’

Nu werd het Houb toch echt te gortig. ‘Ga heen idioot!’ riep hij naar de pastoor, ‘laat mevrouw eens overeind komen. Vort hengst, ga er eens vanaf.’ Jezus, ik noem de pastoor een idioot en een hengst, dacht hij in een flits terwijl hij de pastoor wegduwde.

De geestelijke rolde eerst een meter verder en stoof toen overeind. ‘Wel verdomme!’ bulderde hij, ‘maak jij hier de dienst uit! Ik heb net haar leven ongeveer gered. Krijg helemaal het heen en weer!’ Hij duwde Houb hardhandig achteruit tegen de aanrecht.

‘Au!’ riep Houb. ‘Met A U,’ mompelde hij vervolgens, terwijl hij over zijn zere rug wreef. Trees, die inmiddels verbaasd en beduusd rondkijkend een zittende positie had aangenomen, voelde hoe de pastoor haar met zijn armen onder haar oksels overeind begon te tillen. Toen ze weer recht op haar benen stond merkte ze dat de handen die bij de armen hoorden haar beide borsten bedekten. ‘Ja, ja , nu is het wel genoeg meneer pastoor,’ zei ze zichzelf los wurmend, ‘het gaat wel weer hoor.’

De pastoor fatsoeneerde zijn kraag. ‘Gelukkig Trees, het is ook niet misselijk wat je allemaal meemaakt. Komt er ook nog zo’n moeial aan je kop zeuren.’ Hij keek met een vernietigende blik in de richting van Houb. ‘Verder is het maar afwachten Trees, wanneer die flikken de arme Dré weer vrijgeven.’ Hij verwachtte van Houb een reactie, maar kreeg die niet.

Houb begon leunend tegen de aanrecht doodgemoedereerd zijn pijp te stoppen.

De pastoor schraapte zijn keel. ‘Want, euh Trees,’ ging hij verder, ‘wil je hem straks hier nog opbaren?’

Trees keek met holle ogen een beetje in de verte. ‘Opbaren?’ herhaalde ze langzaam, ‘opbaren….nee, dank je de koekoek. Dat vind ik niet nodig. Bovendien zal hij wel helemaal verminkt zijn. Zijn hoofd was er in ieder geval al af. Nee, dat opbaren is allemaal niet nodig. Dood is dood.’ Ze begon weer te snikken. ‘Ik wil hem laten cremeren, dat is het goedkoopst meen ik. Ik heb al genoeg ellende. Ik heb Tinus al aangenomen als vaste knecht. Kost ook geld.’

‘Wie is Tinus?’ vroeg Houb, terwijl hij naar zijn lucifers zocht.

‘Tinus is Martin Bundsteker. Hij helpt ons in de drukke tijd wel eens. Hij is een goede knecht die alles kan. Hij wil nu zijn baan bij de loonwerker opzeggen om bij mij te komen werken. Ik kan de boerderij zelf toch nooit voortzetten. Ik ben blij dat ik Martin heb… het is zo’n lieve kerel.’

Houb zag dat haar ogen een beetje twinkelden toen ze de naam ‘Martin’ uitsprak.

De pastoor kuchte een keer: ‘Ahum, euh je zei cremeren Trees? Is begraven niet beter? Als goed katholiek verdient hij een mooie begrafenis, niet?’

‘Niks mis met cremeren,’ zei Houb, terwijl hij toepasselijk een vlam in zijn pijp hield, ‘het lijkt me in deze situatie het best.’

Trees knikte instemmend: ‘Precies, gewoon naar Heeze naar het crematorium en klaar. Zijn as strooi ik uit hier over de akkers. Dat zou hij zo gewild hebben.’

‘As zomaar rondstrooien is verboden,’ wist de pastoor. ‘Daar gelden strenge regels voor. Er is toch niets mooiers dan een prachtig graf met een mooie zerk. Ik zou hem toch maar begraven.’ Deze laatste woorden kwamen bijna dreigend uit zijn strot.

‘Is er geen tussenweg?’ vroeg Houb op een bemiddelend toontje. ‘Je kunt de urn toch begraven?’

Trees schudde haar hoofd: ‘Nee dat vind ik dubbelop. Hij komt heus niet meer tot leven, hoor. Maar goed meneer pastoor, als ik bij u nu eens een mis doe en dan een crematie zonder toeters en bellen in Heeze. Dat kan toch ook. Dat doen er wel meer geloof ik.’

De pastoor dacht even na. ‘Mm misschien is dat wel iets,’ koos hij eieren voor zijn geld, ‘als Dré dan vrijdag terug is dan kan de mis op zaterdagmorgen wel plaats vinden. Om half elf is een mooie tijd. Dan kan ik ‘s middags nog de etappe van de Tour zien. Ik hoef toch niet mee naar Heeze. Zullen we dat voorlopig afspreken dan?’

‘Ik zorg wel dat hij vrijdag terug is,’ kwam Houb tegemoet. Hij ging er maar vanuit dat dat moest lukken.

Trees knikte: ‘Is goed dan. Ik hoef dan ook geen dure kist te kopen, denk ik. Misschien zijn een paar lege dozen al goed genoeg. Het gaat toch gelijk de oven in.’

Houb knikte: ‘Net wat je zegt Trees.’

De pastoor kreeg bijna een beroerte.

Trees dacht nog even na en zei toen: ‘Ja, dat doe ik. Hij is toch in weet ik niet hoeveel stukken. Ik heb nog een lege doos staan waar een breedbeeldtelevisie in heeft gezeten en nog een doos van zo’n stoomreiniger die ik laatst bij de Aldi in een aanbieding heb gekocht. Dat is al bijna genoeg denk ik. Oh ja, als het dan nog niet lukt, dan staat hier nog ergens een doos waar een elektrische barbecue in heeft gezeten. Die heb ik ooit gekiend met ‘Koningedag’.

‘Koninginnedag bedoel je zeker,’ corrigeerde Houb.

‘Nee nee, Het is wel ‘Koningedag’. Zo noemen we ons jaarlijks familie-evenement. Ik heet ‘De Koning’ van mezelf namelijk. Onze familiedag heet dan ook ‘Koningedag’. Onze Piet heeft dat ooit verzonnen.’

‘Origineel,’ vond Houb.

De pastoor begon over zijn borst te wrijven. Hij bleef er letterlijk bijna in. ‘Kartonnen dozen,’ stamelde hij, ‘dat kunt u niet menen mevrouw Klavermans. Dat ziet er toch niet uit.’

‘Oh jawel,’ repliceerde ze resoluut, ‘ik doe er anders wel van dat bruin kaftpapier omheen.’

Houb beet op zijn lip om zijn lach in te houden. De pastoor pakte een doosje uit zijn zakken, nam er een pilletje uit en duwde die onder zijn tong. ‘Kaftpapier, kaftpapier,’ zei hij prevelend. Hij sloeg een kruisje en verloor vervolgens zijn bewustzijn.

‘De koffie is klaar,’ wees Houb naar het koffiezetapparaat. Hierna liep hij naar de keukendeur. Hij wilde weg. ‘Met die pastoor komt het wel goed,’ zei hij. ‘Rol hem zo meteen maar even in de stabiele zijligging. Ik spreek u later nog wel mevrouw Klavermans. Nog een prettige dag verder… sorry, ik bedoel sterkte mevrouw Klavermans.’ Met de pijp in de mond beende hij weg door de huiskamer, de daar aanwezige condoleurs totaal negerend.

Buiten stond drama queen Paula nog steeds te snikken. Vergeefs, want niemand had kennelijk de moeite genomen haar achterna te komen.

‘Never a dull moment als inspecteur zijnde,’ mompelde Houb, terwijl hij in zijn Multipla stapte. Hij reed naar huis om de touretappe te kijken.

 

Die avond zat hij met zijn Josefien op de bank. Ze keken samen naar Grensstreek TV. Het regionale nieuws overtrof Houbs stoutste verwachtingen. Jawel, ze opende met de zaak Klavermans. ‘Het is nog onduidelijk of het een misdrijf of een ongeval betreft,’ zei de nieuwslezer op spannende toon na de eerste informatie. Hierna kwamen de beelden. Theo had zijn werk goed gedaan, constateerde Houb. Hij zag zichzelf onder het lint door gaan en schitteren in het korte, doch doeltreffende interview. Ook Ludo kwam op tv redelijk over, vond hij. Josefien kuste hem op de wang. ‘Ik ben trots op je,’ fluisterde ze.

Houb glunderde. ‘Ik ook op mezelf,’ zei hij. ‘Weet je schat, ik denk dat ik binnenkort een geruite gleufhoed ga kopen. Dan is het helemaal top. Over geruite gleufhoedjes gesproken: komt vanavond Frost?’

Josefien knikte: ‘Yep.’

‘Waar wacht je dan op?’

Josefien verdween in de keuken om een zak chips te gaan halen. Ze kwam terug met paprika want die had Houb momenteel het liefst. Toen zich bij Frost het eerste lijk aandiende riepen ze in koor: ‘Yes, we hebben een lijk!’ Hierna mocht de zak open.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

V

 

Donderdagmorgen op het bureau zat Houb peinzend bij de telefoon te wachten toen Ludo binnenkwam. ‘En lekker geschilderd Ludo?’ informeerde hij.

Ludo trok een zuur gezicht. ‘Ook goedemiddag Houb,’ zei hij zuchtend, ‘en neen, ik ben niet aan schilderen toegekomen. Ik voelde me niet zo lekker. Heb de hele middag op de bank gelegen.’

‘Tour gezien?’

‘Ja een beetje. Ik dacht eerlijk gezegd dat er een bergrit op het programma stond, maar dat viel tegen. Miljaardeju, wat een kutetappe. Een Raborenner van jullie was vierde. Heel Holland blij natuurlijk. Sjonge jonge, om de vierde plek. Waar gaat het over.’

‘En de Belgen?’ vroeg Houb.

‘Ach miljaardeju! Kut Houb, echt kut. Was Tommeke Tommeke Tommeke er maar bij.’

‘Tja,’ zei Houb. Hij trommelde met zijn pen op het bureau. ‘Ik heb nog niks gehoord van die Huijgebaard, de klootzak. Zullen we anders nog een keer oefenen Ludo?’

‘Oefenen?’

‘Ja, pappie ik zie tranen in uw ogen, weet je nog.’

‘Och god, nee hè.’

‘Weet je Ludo, ik heb gisteren nog over onze act na zitten denken,’ zei Houb, terwijl hij alvast recht ging staan om de stoel in zijn positie te zetten, ‘ het gaat kennelijk niet alleen om het zingen. De presentatie is ook belangrijk. Dus ik heb bedacht: aan het einde van het liedje gaan we samen snikkend zitten zingen tot we letterlijk zitten te grienen, en dan Gratje, als het liedje uit is, dan geef ik jou een kus op de wang.’

‘Mijn god, nee toch. Jonge Houb miljaardeju, we gaan af als een gieter.’

Houb had deze reactie verwacht. ‘Nee Ludo, geenszins,’ zei hij, ‘we zijn zo fier als een gieter. Dat zeggen jullie Belgen toch altijd…’

‘Nee, nee en noch eens nee,’ onderbrak Ludo. Hij ging als een klein kind met de armen over elkaar met een nee-gezicht op het bureau zitten.

Houb liep naar hem toe, omhelsde hem en probeerde hem te kussen.

Ludo verweerde zich dapper. ‘Flikker op!,’ riep hij, terwijl hij Houb probeerde weg te duwen.

Houb hield echter stand. ‘Ik hou van je Arno,’ fluisterde hij in diens oor, ‘we gaan het samen helemaal maken ginder.’ Zijn gsm begon te rinkelen. Houb liet Ludo meteen los en nam een meter afstand om het ding uit zijn broekzak te murmelen.

‘Saved by the bell,’ grinnikte Ludo. Hij veegde wat speeksel van zijn linkerwang.

Houb drukte op het bekende knopje met het groene hoorntje. ‘Hoofdinspecteur Houb, Houb met O…’

‘Ja, dat weet ik onderhand wel klootzak,’ onderbrak iemand hem aan de andere kant van de lijn.

Houb herkende meteen de stem van Huijgebaard. ‘Oh ben jij het meneer Huijgebaard.’

‘Ja, Huijgenaard met U en een lange IJ! Luister Houb: ik heb nieuws voor je. Kun je meteen komen naar het forensisch lab hier in Eindhoven.’

‘Nu meteen?’ Houb merkte dat hij erg opgewonden werd.

‘Ja, nu meteen. Het één en ander duidt erop dat er geen sprake was van een normaal ongeluk. Jongen, proficiat. Je hebt een zaak!’

‘Serieus?’

‘Jaja, kom je zo meteen? Dan kan ik het je laten zien.’

‘Ik ben al onderweg!’ De adrenaline in Houbs bloed nam met de seconde toe. ‘Tot zo Anton. Het was toch Anton hè?’

‘Ja ja, tot zo.’ De verbinding werd verbroken.

Ludo keek verwachtingsvol naar de ogen van zijn supervisor: ‘En?’

‘We hebben een moord Ludo,’ sprak Houb gewichtig, ‘een moord. M O O R D!’

‘Piep piep piep piep piep’. Ludo deed de bekende lingopiep na. ‘Een goed woord: moord.’

Houb grijnsde van oor tot oor en sloeg zijn arm om Ludo’s schouder: ‘Sirtaki Ludo?’

Tot wel driemaal toe dansten de twee de befaamde Griekse dans rond het bureau.

Hierna scheurde een groene Multipla over de A67 richting Eindhoven. Het ‘nieuwe rijden’ liet Houb maar voor wat het was. Daar was hij nu niet meer mee bezig.

 

Tot Houbs en Ludo’s verbazing bleek Huijgebaard in hoogst eigen persoon de patholoog-anatoom te zijn. Hij liep voor hen uit naar de snijtafel.

Hopelijk gaat Ludo niet overgeven, dacht Houb. Hij achtte de kans daarop nu wel kleiner omdat er deze keer geen chips aan te pas was gekomen. Nee, voor chips zou zich toch tenminste weer een nieuw lijk aan moeten dienen.

‘Kijk, hier hebben we de heer Klavermans,’ wees Huijgebaard, ‘althans het stuk romp en de kop.’

‘En de rest?’ vroeg Houb. Hij zag dat Ludo al lijkbleek werd.

‘De rest…,’ grinnikte Huijgebaard, ‘de rest heb ik in een vuilniszak in de koeling gezet. Daar was geen eer meer aan te behalen.’ Hij keek naar Ludo die witjes stond te trillen. ‘Zeg jongen,’ zei hij, ‘je bent volgens mij ook bijna dood. Je ziet zo wit als een lijk man. Straks lig je hier ook op de snijtafel.’

Houb begon lachend zijn pijp te stoppen. Ludo sprintte weg.

‘Die gaat kotsen,’ wist Houb.

Huijgebaard knikte: ‘Dat doen er veel de eerste keer.’

‘Het is voor hem de tweede keer,’ zei Houb, ‘maar dan wel bij hetzelfde lijk.’

Huijgebaard haalde zijn schouders op. ‘Dat heb je ooit,’ zei hij, ‘niet iedereen kan ertegen. Het is of beter ‘was’ ook een erg lelijke boer.’

Houb werd ongeduldig: ‘nou vertel op, wat heb je allemaal ontdekt?’

Huijgebaard ontpopte zich als een heuse docent en swieberde niet meer. ‘Luister Houb, allereerst de kop. Ik heb metaalresten ontdekt op de plaats waar hij van de romp is gescheiden. Deze metaalresten corresponderen met de messen van de voermengwagen. Mijn theorie is dat het hoofd onmiddellijk af is gehakt door de messen vooraan in de wagen. Daar is heel veel kracht voor nodig, maar zo’n mengwagen is sterk. Waarschijnlijk is het hoofd toen met een kracht naar boven gevlogen en over de rand van de wagen op de losband terechtgekomen. Het stuk romp is in een hoek beland en zodoende redelijk intact gebleven. De rest was compleet vermalen en gemengd door het voer. We hebben alle stukjes er tussenuit gevist met kleding en al…’

‘En het voer dat overbleef?’ onderbrak Houb. Hij joeg een vlam in zijn pijp.

‘Euh, dat is weer gewoon aan de koeien gevoerd. Zat wel wat bloed bij, maar dat donderde niet. Dat vraten die koeien wel. Is gezond, zit veel ijzer in.’

‘Oké,’ knikte Houb, ‘en verder?’

‘Ja, het zou gewoon een ongeluk kunnen zijn geweest, ware het niet dat ik toch iets verdachts opmerkte aan de achterkant van de romp. Kijk hier maar Houb….zie je het?’

Houb boog zich over de romp en keek naar de plek die Huijgebaard hem aanwees, maar zag door de vele littekens en schrammen eigenlijk niet wat Huijgebaard bedoelde. ‘Ik zie niet wat jij bedoelt,’ zei hij. ‘Ik zie door de vele bomen het bos niet meer.’ Hij zoog heftig een keer aan zijn pijp en creëerde een grote rookwolk.

‘Je mag hier eigenlijk niet roken,’ zei Huijgebaard hoofdschuddend. ‘Maar ach, toe nu maar,’ ging hij vervolgens schouderophalend verder, ‘ het is al spannend genoeg voor je. Ik weet wat het is. Ik heb drieëndertig jaar gerookt. Als een ketter. Geen pijp natuurlijk, maar sigaretten. De één met de ander. Tjonge jonge, dat heeft me kruim gekost om er vanaf te komen. Ik heb er nu, als ik dat ruik, nog wel eens zin in. Van de week nog, ik was bij mijn broer…’

‘Zeg nou wat ik moet zien Anton. Verdomme, met je gezanik over roken.’ Houb hield het niet meer.

Huijgebaard kuchte een keer gewichtig en ging met zijn vinger naar een klein rond wondje. ‘Dit kleine wondje Houb, is van een ander kaliber.’ Hij ging met zijn vinger een dikke twintig centimeter naar links. ‘En hier hebben we hetzelfde kleine ronde wondje. Nu zal je zeggen: ‘so what,’ ware het niet dat de ijzerdeeltjes die we erin aan hebben getroffen van een andere structuur zijn dan de ijzerdeeltjes in de rest van de wonden. Ik had het specifiek laten onderzoeken, omdat ik het zo’n rare wondjes vond.’

Houb die aandachtig had geluisterd trok nog een keer aan zijn pijp. ‘Dus…?’ zei hij rook uitblazend, ‘dus dat wil zeggen dat…’ Hij wist zelf eigenlijk niet wat hij wilde zeggen maar hoopte dat Huijgebaard in zou vallen. Dat gebeurde ook.

‘Jij zegt het Houb, hij is gestoken met twee ijzeren pinnen vanuit dezelfde hoek. Geheel in de agrarische stijl. Dus, dan denk je aan een….’ Hij keek Houb afwachtend aan.

‘Euh,’ klonk het aarzelend, ‘twee kruiskopschroevendraaiers?’

‘Nee, man. Denk eens na…’

‘Twee gewone schroevendraaiers.’

‘Nee!’

‘Twee grote spijkers of zo?’

Huijgebaard trommelde nu rustig op de rand van de snijtafel. ‘Nee,’ zei hij bijna timide zijn hoofd schuddend. Hij speelde zijn geduld.

‘Twee kozijnhaken? Weet ik veel.’

‘Denk eens na. Wat heeft een boer ooit in zijn hand?’

‘Zijn lul?’

Huijgebaard grinnikte een keer. ‘Nee man, geen riek maar een ….’

‘Gaffel!!’ Houb schreeuwde het uit.

‘Yep.’

‘Slim van me dat ik daar zo snel opkom.’

Huijgebaard zuchtte: ‘Inderdaad malloot. Nee, maar ik heb het nader onderzocht en het klopt precies met een gaffel. De afstand, het soort ijzer en alle andere forensische details die ik je zal besparen. Het lijdt echt geen twijfel: het ware ene gaffel.’

‘Jezus….’ Houb staarde nadenkend voor zich uit. ‘Dus iemand heeft hem van achter met een gaffel gestoken waardoor hij in dat ding is gesodemieterd. Interessant.’

‘Zeker,’ knikte Huijgebaard, ‘proficiat Houb, je kunt op onderzoek uitgaan mijn bestenn jongennn.’

‘Yes!’ Houb had geen zin in geswieber en zou bijna een eenpersoons Sirtaki hebben gedanst.

‘Nou dat was het dan,’ zei Huijgebaard, ‘Het lijk wordt vandaag nog afgeleverd bij de nabestaanden. Oh ja, het tijdstip van overlijden is inderdaad die dinsdagmiddag, dus dat klopt met de situatie. Hij is niet tevoren vermoord. Uit de sectie blijkt dat hij nog leefde toen hij in dat ding viel. Als je me verder nog nodig hebt dan hoor ik het wel. Ga nu maar ginder naar uwen maat. Hij zal u nu wel nodig hebbennn.’

Houb verliet even later huppelend als een kleuter het pand. ‘Het is moord jaja, het is moord jaja!’ zong hij met zijn inmiddels uitgedoofde pijp zwaaiend.

 

Buiten stond Ludo tegen een muur naar het belendende plantsoen te staren. Hij schrok toen Houb hem op de schouder klopte en clichématig vroeg: ‘Alles goed Ludo?’

‘Jaja,’ zuchtte Ludo, ‘sorry Houb, maar van die dooie boer word ik telkens onpasselijk. Ik heb dat halve plantsoen ondergekotst. Jezus, ik kan er niks aan doen. Zo’n lijk is heel leuk, maar waarom moet het nu per se zo’n vies lijk zijn? Het lijkt wel of ik in een aflevering zit van Silent Witness. Daar hebben ze ook altijd van die gore lijken. Maar hoe zit het nu? Wat wist hij allemaal?’

‘Luister Ludo,’ begon Houb enthousiast. Hij sleurde hem mee naar het picknickbankje dat aan de rand van het plantsoen stond. ‘Dit bankje,’ wees Houb, ‘is de maishoop. Jij bent nu boer Dré en staat boven op de maïshoop.’

Ludo ging op het bankje staan. ‘Spannend,’ zei hij droog, ‘ben ik zo lelijk genoeg?’

‘Meer dan dat! Maar nu het volgende: jij, boer Dré, staat dus boven op die kuil en je staart wat in je domme godvergeten voermengwagen. Duidelijk?’

Ludo ging aan de rand van het bankje staan, staarde naar de grond onder hem en zei met zware hijgende stem: ‘Oh, wat heb ik een mooie leuke voermengwagen, en wat mengt hij mijn voer goed. Oh wat ben ik blij. Ik word er helemaal opgewonden van, oh jaaa…’

‘Prima Ludo, houd dit vast!’ regisseerde Houb verder, ‘nu komt er achter jou iemand aangeslopen. Iemand die we nog niet kennen.’ Hij sprong aan de andere kant op de bank. ‘En deze iemand heeft in zijn handen een vlijmscherpe gaffel, sluipt op jou af en tjakkaa!’ Hij priemde één vinger en de steel van zijn pijp in Ludo’s rug. ‘Hij steekt de gaffel in je rug en jij, oh arme Dré, jij valt in de voermengwagen je dood tegemoet.’ Hij duwde Ludo van de bank af. Het werd een behoorlijke tuimeling.

‘Godverdomme Houb,’ reageerde Ludo verbaasd vanaf de grond, ‘zou het zo gegaan zijn?’

‘Zo is het gegaan Ludo, wis en waarachtig.’

 

Terwijl hij op het bankje met Ludo de laatste feiten nog eens rustig besprak ging zijn mobiel. Het was Theo van Grensstreek TV. ‘Nog nieuws over die voermengwagenzaak?’ vroeg hij.

‘Nee,’ zei Houb resoluut, ‘ik kan er nog geen mededelingen over doen.’

‘Jammer, ik had gehoopt dat het moord zou zijn, is er echt nog niks bekend?’

‘Nee Theo, ik zeg het je net. En is er nog nieuws van het Joycefront?’

‘Ze is nog steeds ziek. Maar ik heb gehoord dat het uit is met haar vriendje. Dat zal er wel mee te maken hebben.’

‘Mooi,’ zei Houb en hing op. ‘Voermengwagenzaak,’  mompelde hij, ‘niks te voermengwagenzaak. We noemen het voortaan ‘De Bergeijkse gaffelmoord’. Dat lijkt me nu een betere titel.’

Ludo knikte en zei zuchtend: ‘Dat was zeker die mongool van Grensstreek TV.’

‘Ja,’ zei Houb, ‘Ludo, we houden het nog een tijdje uit de publiciteit. Dat kan het onderzoek schaden, weet je wel. Oh, en by the way: het is uit tussen die blonde presentatrice en haar vriendje.’

‘Oh,’ zei Ludo, ‘dat is die Joyce toch.’ Hij leek aangenaam verrast.

 

Houb stuurde de Multipla de snelweg op, richting nog verder van huis.

‘Waar ga jij nu heen?’ vroeg Ludo.

Houb keek opzij: ‘naar de Makro, Ludo. Dat is zo’n pasjesgroothandel en bij het politiekorps hebben ze zo’n pasje.’

Ludo trok een afkeurend gezicht. ‘Ik heb het niet zo op die stomme groothandels. De Makro…die hebben wij bij ons ook geloof ik. Net zo duur als ergens anders en dat noemen ze dan groothandel. Wat gaan we daar eigenlijk doen, Houb?’

‘Gewoon even kijken voor een geruite gleufhoed voor mezelf en voor een kort leren jasje voor jou. Kunnen we declareren als zijnde bedrijfskleding, schat.’

‘Wow, een leren jack, een leren jack,’ joelde Ludo, ‘miljaardeju nog aan toe. Net als die mannen van Tatort.’

‘Wie is eigenlijk Tatort? Weet jij dat?’

‘Puh, euh….daar vraag je me wat. Nee, eigenlijk weet ik dat niet. Er lopen wel altijd mannen rond in korte leren jacks en meestal ook wat van die wijven. Maar wie nu eigenlijk Tatort is… Ik zou het miljaardeju niet weten.’

‘Vreemd is dat hè,’ vond Houb, ‘dat niemand weet wie Tatort is. Ik heb het vaker aan verschillende mensen gevraagd maar tot op heden nog geen bevredigend antwoord mogen ontvangen. Ach ja, dan Derrick. Bij hem is het tenminste duidelijk.’

Ludo knikte. ‘Derrick is Horst Tappert,’ wist hij, ‘die sukkel met zijn grote bril en dikke oogwallen. Zijn maat Harry heeft overigens ook een korte leren jas of jack. Het is wel echt iets voor de ‘second guy,’ geloof ik.’

‘Precies,’ zei Houb. Hij bedacht dat hij honger had gekregen en hij wist dat ze bij de Makro lekkere ranzige bami hadden. Houb was dol op bami die niet van de Chinees afkomstig was.

 

Bij de Makro was het niet druk. Houb duwde het karretje en Ludo slenterde wat zijlings door de rekken. Een bijna lege Makro ziet er heel depressief uit, bedacht Houb. Vervolgens beredeneerde hij dat een volle Makro ook iets depressiefs heeft. Eigenlijk was de Makro altijd depressief. De gedachten aan zijn hoed en de bami hield hem op de been.

Ludo bleek weinig last te hebben van een dergelijk ‘unheimliches gefühl’. Hij stond met zijn neus tussen de lingerierekken te snuffelen. ‘Kijk dit Houb, Moet je hier kijken. Miljaardeju, wat is dit geil. Vind jij dit niet geil!’ Hij hield een vuurrode bodystocking omhoog. Op het kartonnen plaatje stond de afbeelding van een bevallige dame die er ook nog zwarte netkousen bij droeg.

‘Mwah,’ zei Houb, ‘ik weet niet of ik erin pas.’ Een aanwezige verkoopster keek geïrriteerd op.

‘Toch denk ik dat ik het maar koop, schat. Het zal je ongetwijfeld goed staan,’ zei Ludo, ‘op die roze olifantenstring ben ik onderhand wel uitgekeken. De verkoopster deed nu of ze niets hoorde. Ze ging gewoon verder met de grote maat bh’s goed hangen.

Houb liep op haar af. ‘Het is niet wat je denkt hoor,’ zei hij op een geruststellende toon, ‘het was maar een grapje van hem. We zijn helemaal geen homostel, maar twee rechercheurs die bezig zijn met een moordzaak getiteld: ‘De Bergeijkse gaffelmoord’. Wij zijn hier om een geruite gleufhoed en een leren jack te kopen. De geruite gleufhoed is bedoeld voor mij en de korte leren jas voor hem. Je weet wel, zo’n leren jack, net zoals die mannen van Tatort dragen. Weet jij trouwens misschien wie Tatort nu precies is. Ja, weet jij wie Tatort is?’

De verkoopster keek hem met grote glazige ogen aan. ‘Euh, nee,’ stamelde ze, ‘ de herenafdeling is die kant op.’ Ze wees naar de andere kant van de roltrap.

‘Oh ja, precies. Dank u wel mevrouw. Ga je mee Ludo.’ Ze liepen een stukje verder om uit het zicht van de Makrovrouw in de lach te schieten.

‘Miljaardeju,’ hinnikte Ludo, ‘never a dull moment in de Makro.’

‘Zo grappig was het niet,’ zei Houb alweer zoekend om zich heen kijkend. ‘Kom we gaan die twee items scoren.’

Het viel ze niet mee. Er was nergens een geruite gleufhoed te bespeuren. Houb besloot maar een zwarte te proberen.

‘Je bent zo net die dikke van de Blues Brothers,’ merkte Ludo op.

Houb besloot over te schakelen naar een lichtbeige.

‘Dat is beter,’ knikte Ludo, ‘die past waarschijnlijk goed bij je lange jas. Maar omdat je nu alleen een blouse aanhebt, is het geen gezicht.’

‘Ik weet het Ludo,’ zuchtte Houb, ‘zo’n hoed kan alleen maar in combinatie met mijn jas. Ik vind het niks dat het in de zomer soms te warm is voor mijn zogenaamde trenchcoat. Het leven van een detective is soms moeilijk. Dat probleem heb jij straks ook met je leren jasje Ludo.’ Hij smeet de hoed in het karretje. ‘Zo, op naar de jassen.’

Het eerste, beste jasje dat Ludo aantrok paste hem als gegoten. ‘Geweldig Ludo, hij staat je echt geweldig,’ probeerde Houb hem te enthousiasmeren.

Ludo bleek nog niet overtuigd. ‘Zou ik er niet nog een paar passen?’ begon hij, ‘om nou de eerste de beste in de kar te gooien…’

‘Nee nee,’ zei Houb snel, ‘niks meer passen Ludo. Straks ga je twijfelen. Hop in de kar met dat ding! Die jas is voor jou gemaakt!’

Ludo deed de jas uit en gooide hem in de kar. ‘Je hebt gelijk Houb,’ zei hij meegaand.

Stomme imbeciel, dacht Houb. Hij verlangde naar zijn bami. ‘Kom mee Ludo, we gaan een hapje eten. Je hebt daarnet gekotst, dus je zal onderhand wel honger hebben.’

Ludo lachte. ‘Ha, ik word getrakteerd op een etentje.’

‘Precies,’ zei Houb. Ze parkeerden de kar ergens aan de kant op de daarvoor bestemde karretjesparkeerplaats en liepen het restaurant binnen.

‘Het is zo’n langsloopzelfbediening!’ Ludo glunderde als een klein kind terwijl hij achter Houb aanhobbelde. Hij koos precies dezelfde dingen als Houb, tot de cola light aan toe. Dit beviel Houb allerminst. Goddelijke bami niet van de Chinees, dat was niet aan iedereen besteed, vond hij. Zeker niet aan Ludo.

Net toen ze zich met hun bami hadden gesetteld aan een tafeltje met uitzicht op de foodafdeling, begon Houb’s gsm een luide ringtone door het restaurant te verspreiden. Enkele mensen keken geïrriteerd op. Misschien dat ik het irritante Peer Gynt-deuntje een keer moet veranderen, dacht Houb terwijl hij ‘opnam’. ‘Inspecteur Houb, Houb met O U B’ zei hij zo luid mogelijk zodat iedereen in het restaurant hem kon horen.

‘Dag Houb jongen,’ klonk het aan de andere kant van de lijn, ‘hoe gaat het?’

Houb herkende de stem van de burgemeester van Bergsel. ‘Ha mijnheer edelachtbare edelgestrenge hooggeëerde excellentie of zoiets Lepemans. Alles gaat goed hier. We zijn druk bezig met de act hè.’

Ludo keek hem verbaasd aan. Houb knipoogde een keer naar zijn kompaan. ‘Ja burgemeester,’ ging hij verder, ‘wat we precies doen verraad ik niet, maar het wordt erg leuk. We doen Arno en Gratje. Nee, geintje. Je ziet het straks wel. Wat ga jij doen?’

‘Als ik zeg smurfen…’

‘Aha, Vader Abraham… Ook leuk!’ Houb moest er zelf om lachen dat die laatste twee woorden wel heel rot uit zijn strot kwamen. Hij zag Lepemans al voor zich met een baard en bolhoedje net zoals die sukkel van een Pierre Kartner.

‘Jaja,’ zei Lepemans weifelend, ‘vertel eens Houb. Was je nog op de kermis geweest?’

‘Euh…’ Houb moest even nadenken. ‘Nee joh,’ zei hij toen op krachtige toon, ‘ik heb er de uniformen gewoon op afgestuurd. Er kwam iets tussen. Ik weet niet of je dat al hebt gehoord.’

‘Nee, vertel?’

‘Van die boer daar achteraf op de Koepadweg, niks van gehoord?’

‘Oh, ja een vreselijk ongeluk met een voermengwagen, was het niet. Tenminste, er stond een klein berichtje van in de krant.’

‘Oh ja,’ zei Houb verbaasd, ‘in de krant? Dat wist ik niet. Het is wel bij Grensstreek TV geweest.’

‘Oh, dat heb ik niet gezien.’

‘Het gesprek vervaagt tot huisvrouwengeklets, dacht Houb. Hij besloot er iets aan te doen. ‘Luister mijnheer Lepemans,’ sprak hij gewichtig, doch op zachte toon, dat niemand mee kon luisteren, ‘het was namelijk geen ongeluk maar moord.’ Hij sprak het woord ‘moord’ zorgvuldig uit, aandacht schenkend aan elke letter.

Er viel een stilte aan de andere kant. Houb genoot met volle teugen. Daar heb je zo gauw niet van terug makker, dacht hij.

‘Moord…moord,’ herhaalde de burgemeester uiteindelijk, ‘mijn lieve help. Hoe dat zo? Vertel!’

Houb schraapte zijn keel en zei ondertussen door het raam naar een stapel bokworstblikken starend: ‘Het was geen ongeluk maar moord. Die boer is door iemand met een gaffel geprikt en vervolgens is hij in die voermengwagen gesodemieterd. We hebben de zaak in onderzoek.’

‘Weet je het zeker Houb? Weet je zeker dat het moord is?’

‘Absoluut, dat lijdt geen twijfel. De technische recherche heeft hier voldoende bewijs voor. Maar maak je niet druk. Ik en Ludo zijn ervan overtuigd dat we dit misdrijf binnen afzienbare tijd zullen oplossen.’ Houb zei vaak ‘ik en Ludo’ in plaats van ‘Ludo en ik’. Hij wist dat dat eigenlijk niet zo hoorde, maar dat interesseerde hem geen reet.

Het begon de burgemeester nu pas echt te dagen. ‘Sodeju, een moord in Bergsel, dat heb ik sinds ik hier burgemeester ben nog niet meegemaakt en ik ben toch al twaalf jaar burgemeester. Ja, er is wel een keer iemand door zijn vrouw omver gereden en in coma beland. Nu is die onlangs wel overleden, maar dat vind ik toch geen echte moord. Zijn vrouw reed hem kennelijk per ongeluk omver, maar volgens de buren was het expres. Afijn, niemand weet er nog steeds het fijne van, dus vind ik het niet tellen als zijnde moord. Waar jij het over hebt is andere koek. Jezus, een moord! Wat moet ik zeggen als de pers me belt Houb? Ja, stel dat Omroep Brabant hier straks aan de deur staat. Wat zal ik zeggen? Er is toch wel een kans dat Omroep Brabant hier induikt toch?’

Houb vond hem nu wel heel enthousiast klinken. Even de euforie wat temperen, dacht hij. Hij besloot een keer interessant te kuchen, deed dit ook, en zei met duidelijke stem: ‘Luister mijnheer Lepemans: voor het onderzoek is het beter dat er niets over de moord naar buiten komt. Ik heb die vervelende lui van Grensstreek TV ook al tegen mijn zin in te woord gestaan. Maar nu doet noch ik noch u er nadere mededelingen over, begrijpt u. Het kan het onderzoek schaden. Wanneer straks toch de media te woord gestaan moet worden, denk ik dat het leuk is om met zijn tweeën een persconferentie te geven. Dan nodigen we iedereen uit. Heel de pers. Maar pas als de moord opgelost is. Tot het zover is, stuur ik heel die persratten met een kluitje in het riet.’

‘Geen slecht idee, zo’n persconferentie,’ vond de burgemeester, ‘als het zover is dan maken we er een leuke happening van. Ik zorg dan dat cateringbedrijf Het Contènte Mènneke aanwezig is met de nodige versnaperingen. Tot dan houd ik mijn mond. Het is op dit moment ook slecht voor het toerisme. Mensen kunnen zich onveilig voelen. Als straks de daders gepakt zijn is het anders. Het is dan misschien wel een opsteker voor het toerisme hier. Moordtoerisme is misschien een gat in de markt. Jongen Houb, als je het opgelost hebt krijg je van mij een gemeentelijke bonus van vijfduizend euro. Wel delen met je maat Ludo! Dit levert dan misschien straks ook nog publiciteit op. Bergsel kan alle publiciteit gebruiken. Hopelijk komt de dader ook uit Bergsel. Dat zou het mooiste zijn. Heb je al een idee wie erachter zit?’

Houb liet de woordenzee van de burgemeester maar over zich heen komen. Wat een zanikerd, dacht hij, maar vijfduizend euro is niet mis. ‘Tja, wie erachter zit,’ zei hij met een diepe zucht, ‘Jezus, daar kan ik nu weinig over zeggen. Vaak moet je het zoeken in een kleine kring van bekenden. Misschien wel zijn vrouw of voor mijn part de pastoor. Dus wat dat betreft is er genoeg kans dat de dader uit het Bergselse komt.’ Hij had ineens geen zin meer in het gesprek. ‘Maar we houden contact mijnheer Lepemans. Ik hang nu op, want mijn batterij is bijna leeg, dus…’

‘Oké Houb, houd me op de hoogte. Zeg, de groeten.’

‘Groeten,’ zei Houb. Hij klapte zijn metaalkleurige Samsung dicht. ‘Godver, de burgemeester met zijn gezanik Ludo,’ zei Houb, ‘mijn bami is bijna koud.’

Ludo knikte met zijn mond vol.

 

Na het eten namen de helden nog een kijkje op de food-afdeling. Ze bestudeerden samen aandachtig een mayonaise-emmer van tien liter.

‘Zo´n emmer zou ik thuis wel willen hebben,’ zei Houb onder de indruk, ‘ik vind dat zo godallejezus stoer. Maar dan moet er wel zo’n pompje op zitten.’ Hij liep verder.

Ludo holde hem achterna met een losse mayonaisepomp. ‘Kijk Houb, hier heb je zo’n mayonaisepomp. Lachen joh…’.

‘Leg die pomp terug imbeciel,’ zei Houb zonder achterom te kijken. Hij had de chips in het vizier.

Ludo legde snel de pomp op een verkeerde plek terug en holde Houb voorbij om eerder bij de chips te zijn. Het irriteerde Houb mateloos.

‘Kijk, chips Houb!’ jubelde Ludo, ‘die moeten we hebben. Stel dat er zich nog meer lijken aanbieden.’ Hij rukte twee zakken paprika uit de voorste doos en hield ze triomfantelijk omhoog.

‘Wat kosten ze?’ vroeg Houb.

Ludo keek naar de prijsaanduiding. ‘Negenennegentig cent, volgens mij.’

‘Klootzakken,’ knorde Houb, ‘als ze bij de Albert Hein in de bonus zijn, en dat zijn ze vaak, dan zijn ze een stuk goedkoper. En dan zijn dit ook nog prijzen exclusief btw. Stelletje oplichters dat het hier zijn. Vooruit neem maar vier zakken.’

Ludo grinnikte: ‘Vier zakken Houb? Verwacht jij nog zoveel lijken? Paprika of gewoon?’

‘Nee, zoveel lijken verwacht ik niet,’ zei Houb, ‘maar als er onverhoeds nog een lijk valt, wil ik wel wat keuze hebben. Pak maar één paprika, één gewoon, één bolognese en nog een Mexicaanse salsa. Die zijn echt heel lekker. Ik ben die thuis nu ook aan het eten.’

Ludo legde één paprika terug en trok de andere drie opties uit de dozen. Hij bleef een hele poos naar de Mexicaanse salsa staren. ‘Mexicaanse salsa….Die zijn wel twintig cent duurder Houb!’

‘Never mind,’ zei Houb en nu gaan we opschieten, want ik ben moe. Ze kozen op aandringen van Ludo niet voor de kortste kassarij, maar voor het knapste kassameisje. ‘Lekker ding,’ zei Ludo toen ze naar buiten liepen. ‘Echt een slettekopke, miljaardeju.’ Hij maakte buiten zijn mond een vunzige beweging met zijn tong.

‘Jezus Ludo,’ merkte Houb op, terwijl hij het karretje richting auto duwde, ‘Mag je niet meer op die Nathalie van jou of zo. Je bent zo op de wijven vandaag.’

Ludo trok onverschillig zijn schouders op. ‘Nathalie,’ zei hij onderkoeld, ‘Nathalie kan mijn kloten kussen, de trut. Zo vaak heeft ze dat niet gedaan overigens.’

‘Het is uit,’ concludeerde Houb, ‘andere vent of gewoon over?’

‘Beide,’ zei Ludo, ‘de stomme teef. Houb, ik bespaar je de details, maar ze heeft me echt geflikt. Jongen, het begon volgens mij twee maanden geleden al toen ze na een vergadering van de korfbalclub van Lommel nog een pint was gaan…’

‘Oké Ludo,’ onderbrak Houb, ‘bespaar me de details.’ Hij duwde Ludo de gekochte spullen in zijn handen en stak het karretje terug in de rij. ‘Kom Ludo, we pakken nog een bak koffie op het bureau en dan houden we het vandaag voor gezien,’ stelde hij voor. ‘We moeten de gebeurtenissen van vandaag even op ons in laten werken en nog naar de touretappe kijken. Morgen is er weer een dag.’

‘Een vrijdag,’ wist Ludo.

‘Precies,’ was Houb het met hem eens, ‘een vrijdag. Laat het een mooie vrijdag worden maat.’ Hij klikte zijn auto open, waarna Ludo de zakken chips op de middenstoel gooide. Hierna trok deze eerst zijn nieuwe leren jas aan en gooide vervolgens het hoedje over de auto heen in de handen van Houb.

Houb zette zijn nieuwe hoedje op en wilde Ludo over de auto heen een high five geven maar dat mislukte. Dat heb je met zo’n brede auto.

 

‘Wat eten we vanavond schat?’ vroeg Houb eenmaal thuis aan zijn Josefien.

‘Ik ga een lekker pan bami maken lieverd.’

Houb grinnikte en kuste haar op de wang. ‘Ik hou van jou,’ fluisterde hij.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VI

 

Aan de kapstok in het kantoor van Houb hingen een leren jasje en een trenchcoat. Daar bovenop prijkte een mooie hoed. Uit de cd-speler op het bureau klonken de laatste tonen van het roemruchte Pappie, ik zie tranen in uw ogen. De inspecteur en zijn assistent zaten in de bekende positie en waren luid aan het snikken. Eenmaal uitgesnikt kuste Houb Ludo op zijn wang. Hij maakte er een flink geluid bij.

Ludo vloog van zijn schoot. ‘Vunzige smeerlap,’ zei hij een vies gezicht trekkend, ‘gaan we het echt zo doen?’

‘Jaja, we gaan voor die dikke reis schat.’

‘Ik geloof het wel onderhand,’ bromde Ludo, ‘we hoeven niet meer te oefenen vind ik.’

‘We zullen wel zien,’ hield Houb het in het midden. Hij schoof de cd-speler aan de kant en ging op de rand van zijn bureau zitten. Ludo staarde wat afwezig uit het raam.

‘Waar denk je aan Ludo?’ vroeg Houb.

Ludo haalde zijn schouders op en schudde met zijn hoofd: ‘Mm, eigenlijk aan overal en nergens Houb. Dat gedoe met die wijven…’

‘Even niks over de wijven Ludo,’ onderbrak Houb op ernstige toon, ‘we hebben een moord op te lossen, remember. Nu ter zake: jij pakt zo je eigen auto, je gaat die buurt in en je vraagt rond of iemand die betreffende dinsdag of kort daarvoor iets verdachts heeft gezien. Vraag ze letterlijk het hemd van het lijf, en let wel: houd in de gaten of ze misschien niet zelf verdacht zijn. Houd het wel spannend. Niet dat we het voor morgen al opgelost hebben.’

Ludo stond nu ogenschijnlijk ongeïnteresseerd met zijn schouder tegen het raamkozijn aan, zodat hij nog beter door het raam naar buiten kon staren. Hij zei niks.

Hij hangt in een pose, dacht Houb. Hij waant zich één van de mannen van Tatort. Jammer dat nu zijn leren jasje aan de kapstok hangt. ‘Oh ja Ludo,’ ging hij verder, ‘en vraag ze ook meteen maar of ze weten wie Tatort eigenlijk is.’

Ludo leek te schrikken. Hij draaide zich om. ‘Jaja, Tatort,’ zei hij laconiek, ‘en wat ga jij doen Houb?’

Houb liep naar de kapstok en pakte zijn jas. ‘En ik, mijn beste Ludo, ik ga eens een kijkje nemen op de boerderij. Moordwapen zoeken, kijken wie er nu binnen zit te janken, en verder ben ik zeer geïnteresseerd in die Tinus.’

‘Tinus?’ vroeg Ludo. Hij begon zijn jas ook aan te trekken.

‘Ja, dat is de boerenknecht daar. Hij houdt nu het bedrijf draaiende. Hij heet eigenlijk Martin.’

‘Een boerenknecht genaamd Tinus die eigenlijk Martin heet, dat is op zich al verdacht,’ vond Ludo. Hij keek in het spiegelende raam van de binnenmuur om te zien of zijn jasje goed zat. ‘Mm, mooi,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Alleen is het overdag eigenlijk veel te heet voor een jas.’

‘Je moet er wat voor over hebben,’ zei Houb zijn hoed opzettend, ‘ nu vooruit, chop, chop,  chop!’

 

Op weg naar de plaats delict voelde Houb zich opeens heel gelukkig. Ik heb een lieve vriendin, een Fiat Multipla, gisteren twee keer bami gegeten en een moordzaak, dacht hij bij zichzelf, wat wil je nog meer. Hij zette de radio aan en zapte wat heen en weer. Op Studio Brussel stuitte hij op Tom Boy van Betty Serveert. Houb vond het een mooi nummer en zette de radio wat harder. Het was lang geleden dat hij nog iets van Betty Serveert had gehoord. Hij vond die zangeres, Carol van Dyk, vroeger wel iets hebben. Hij meende haar ooit te hebben gezien op Pinkpop, maar dat wist hij niet meer zeker. Hij vroeg zich af of Betty Serveert ooit was afgeschaft en of die introverte Carol nog bestond. Houb meende zich te herinneren dat hij die zangeres een opwindend wijf vond, maar dat wist hij niet meer zeker. Ze was in ieder geval blond en Houb hield van blond. Dat zijn Josefien een brunette was, noemde hij altijd: ‘de tragedie van zijn leven’.

Vooraan op de Koepadweg, halverwege Tom Boy, hoorde hij plotseling een loeiende sirene achter zich. Hij schrok zich rot. In zijn binnenspiegel ontwaarde hij vlak achter zich de zwaailampen van een politieauto met daarin twee lachende gezichten.

‘Och god, Van Ombeek en Veuls,’ mompelde Houb in zichzelf, ‘stupide idioten.’ Hij negeerde ze en reed gewoon verder. Stiekem in zijn binnenspiegel loerend zag hij plotseling de woordjes ‘stop politie’ verschijnen. Nu werd het hem toch teveel en hij stampte op de rem. Achter zich hoorde hij de politieautobanden piepen. Redelijk reactievermogen, vond Houb. Hij zag hoe de twee met ingehouden lach uitstapten. Hij besloot het spelletje maar even mee te spelen om die sukkels hun dag goed te maken. Ik ben eigenlijk veel te sociaal, dacht hij.

Veuls deed het woord. ‘Zo jongeman,’ zei hij, ‘wat zijn we hier aan het doen?’ Hij hield zijn grijns beter verborgen dan Van Ombeek.

Veuls is een beter acteur dan Van Ombeek, dacht Houb, als ik ooit Corry en de Rekels wil gaan imiteren, dan zou hij gerust een Rekel kunnen spelen. ‘Ik zit in een Fiat Multipla en ik ben net gestopt voor de politie, meneer de agent,’ antwoordde Houb. Hij wilde plotseling dat Van Ombeek en Veuls ter plekke stierven, maar dat deden ze niet.

‘Mooi mooi,’ zei Veuls, ‘je weet hoe het moet: stoppen voor oom agent.’ Nu stak Van Ombeek, die een keer quasi zoekend om de auto had gelopen, zijn hoofd door het raam met de woorden: ‘Wist u mijnheer, dat het rijden in een Multipla verboden is?’

Idioot, dacht Houb. ‘Nee, meneer de agent, dat wist ik niet,’ antwoordde hij zonder al teveel overacting, ‘Oei, oei, nou ben ik er gloeiend bij. Nu moet ik de gevangenis in oei, oei, oei.’

‘Ja, nu gaan we jou pakken,’ knorde Van Ombeek, ‘doe je broekje maar eens uit.’ Hij haalde zijn gummiknuppel tevoorschijn.’

Houb rukte in één beweging de gummiknuppel uit zijn hand en wierp het ding over zijn auto de sloot in. ‘En nu opzouten losers,’ zei hij zo driftig mogelijk, ‘ik heb nog een moordzaak te doen. Wegwezen! Nu! Bovendien zat ik net midden in een nummer van Betty Serveert.’

Van Ombeek zijn hoofd kleurde rood. ‘Oh sorry Houb,’ stamelde hij, ‘dat wist ik niet… sorry, het was maar een geintje hè Ad?’

Veuls knikte. ‘Ja, een flauw geintje dat wel, maar…’

‘Maar wat?’ snauwde Houb.

‘Euh…niks. Konden wij weten dat je haast had. Wat zei je trouwens? Een moordzaak? Iets met een Betty? Hoezo?’ Hun schaamte maakte plaats voor nieuwsgierigheid.

‘Daar hebben jullie geen zak mee te maken,’ gromde Houb, ‘het is nog niet in de openbaarheid, dus…’

‘Oh,’ zei Van Ombeek. Hij krabde op zijn hoofd. ‘Dus wij mogen dat ook niet weten?’

‘Nee!’

‘Oh, ik denk dat ik het al weet. Iets met die boer in die voerwagen,’ giste Veuls.

Houb trok een zuinig gezicht: ‘zou kunnen. Je weet het niet.’

‘Ach welja,’ zei Van Ombeek, ‘daar gaat het over, Wedden?’

Houb had een hekel aan mensen die altijd met ‘wedden’ begonnen. Dat vond hij zo debiel en lagere school. ‘Niks wedden mongool,’ zei hij, terwijl hij Van Ombeek een klap op de klep van zijn pet gaf, ‘je hoeft niet te wedden. Ik zal het verklappen: het gaat inderdaad over die boer. Die is niet bepaald een natuurlijke dood gestorven. Iemand heeft hem in dat ding gesodemieterd. Afijn, we zijn een buurtonderzoek aan het doen, dus overmorgen zal de pers er toch wel lucht van krijgen, maar lul er vandaag nog maar niet over.’

Veuls en Van Ombeek sprongen even opzij voor een langskomende auto. ‘Kijk bijvoorbeeld daar ,’ zei Houb de auto nawijzend, ‘die auto, een verdachte Kia Pride met als kenteken 02 LK NG. Misschien zit daar de moordenaar in. Wie zal het zeggen.’

‘Jaja, alles kan,’ zei Veuls zijn pet recht trekkend, ‘maar even serieus. Heb je al iemand op het oog? Ik hoorde net iets van een Betty…?’

‘Betty is een tennisster, of eigenlijk was,’ zei Houb ondertussen in de binnenspiegel kijkend, ‘en nu weer aan de kant jongens. Er komt achter ons een grote John Deere-tractor aan met een hooimachine.’

De twee sprongen weer opzij. De boer laveerde heel langzaam met zijn hooimachine langs de beide auto’s. Hij had het puntje van zijn tong uit zijn mond hangen en keek zo geconcentreerd als een peuter die binnen de lijntjes wilde kleuren.

Hij wil het goed doen, dacht Houb, omdat hij weet dat de politie kijkt. Mensen blijven hoe oud ze ook zijn bang voor de politie. Vroeger bedreigde ze hem waarschijnlijk thuis al met een politieoptreden als hij zijn tien spruitjes niet helemaal opat. Houb zijn gedachten verzonken even naar zijn eigen jeugd vroeger. Toen hij ook een hekel aan spruitjes had. Hij herinnerde zich nog dat zo’n wijkmens van het Witgele Kruis een keer tegen hem zei dat hij net zoveel spruitjes moest eten als de jaren die hij oud was. Hij was toen acht. Tot zijn negende kreeg hij toen telkens acht spruitjes op zijn bord. Na zijn negende verjaardag werden dat er negen. Hij hoopte toen dat hij de veertien niet zou halen.

Hij schrok op uit zijn gedachten want Veuls zijn hoofd hing plots weer in zijn raam: ‘Wat zei je nou over die Betty, Houb?’

‘Niks Lul, die Bettty heeft er niks mee te maken. Ik had het over Betty Serveert, een Nederlands bandje van onderhand tig jaar geleden.’ Daar weet hij geen raad mee, dacht Houb, dat is niet zijn ding.

‘Oh… ’

Van Ombeek zijn hoofd verscheen ook weer in de raamopening: ‘waar hebben jullie het over?’

‘Over niks,’ siste Houb, ‘haal je gummiknuppel uit de sloot en ga die boer met die John Deere en die hooimachine achterna. Die hooimachine was te breed, verder voerde hij geen verplicht zwaailicht, dus chop, chop, chop!’

‘We hebben geen zin in een vette boer met een hooier,’ zei Van Ombeek. De twee begonnen stom te grijnzen. Ze zien er debiel uit met hun petten, dacht Houb. Hij was blij dat hij nooit zo’n pet op hoefde. Hij kreeg zin om ze dit mede te delen. ‘Jullie zien er debiel uit met die petten,’ zei hij, ‘ik ben blij dat ik nooit zo’n pet op hoef.’

‘Nee, jij met dat debiele hoedje en die lange jas en dat met zo’n weer,’  zei Van Ombeek, ‘je lijkt Swiebertje wel.’ Hij lachte luid.

Houb begon maar mee te lachen. ‘Leuk, Van Ombeek, altijd de lachers op je hand jongen.’ Ondertussen was Veuls in de sloot begonnen met zoeken. ‘Verdomme, Van Ombeek, ik kan jouw gummiding nergens vinden!’ klonk het vanachter het lange gras in de slootkant.

‘Zoeken,’ riep Van Ombeek. Hij richtte zich vervolgens weer tot Houb en zei nu heel serieus: ‘Zeg hoofdinspecteur, kunnen wij helpen in die moordzaak? Zeg het maar als je onze hulp nodig hebt hoor. Moord heeft meer prioriteit dan een kapot achterlichtje van een aanhangwagen me dunkt, dus…’

Om voor hem de spanning erin te houden staarde Houb een tijdje zwijgend voor zich uit. ‘Mm,’ zei hij tenslotte, ‘of we jullie hulp ooit in moeten schakelen, weet ik nog niet. Wat ik volgende week in ieder geval wel doe is jullie op de hoogte houden via een briefing. Dat hoor je dan nog wel.’ Alleen een briefing, dacht Houb, verder niet al te veel.

‘Een briefing, oké!,’ glunderde Van Ombeek vanonder zijn pet.

Sukkel, dacht Houb.

Plotseling schrokken ze beiden van een joel vanuit de sloot. Toen ze keken zagen ze Veuls triomfantelijk één of ander raar kastje boven de slootkant omhooghouden.

‘Hè,’ zei Van Ombeek op verbaasde toon, ‘wat heeft hij nou, de idioot?’

Houb schudde zijn hoofd: ‘Dat ik het niet weet. Een weggegooid nachtkastje zonder vibrator of zoiets.’

‘Wat is dat?’ riep Van Ombeek.

Veuls kwam zwijgend met het ding omhoog uit de sloot. Hij had een grote grijns op zijn gezicht. Toen Houb en Van Ombeek zagen wat het was zeiden ze zowat in koor: ‘de spaarkas van De Zilveren Tijger.’

‘Ik denk het,’ zei Veuls naar hen toe huppelend.

‘Wat een toeval zeg,’ vond van Ombeek.

Het ding bleek aan de achterkant opengebroken te zijn.

‘Jammer,’ zei Houb, ‘niks voor ons overgelaten, de klootzakken. Nou ga het ding terugbrengen. Maak je nog een goede sier daar in die kroeg.’ Hij startte zijn Multipla en duwde hem in zijn één. ‘Ik ben weg, houdoe!’ Hij liet langzaam de koppeling los en reed sluipend weg. Vanuit zijn binnenspiegel zag hij de steeds kleiner wordende uniformen nog midden op de weg staan, de spaarkas bestuderend alsof hun leven ervan afhing.

Die gummiknuppel gaan ze vergeten, dacht Houb.

 

In huize Klavermans had Houb Trees even apart genomen in de keuken. De kamer zat weer vol met condolerend volk, familie en gewone nieuwsgierigen.

‘Luister Trees,’ begon Houb die zijn hoed en jas nog aan had. ‘Luister Trees,’ herhaalde hij nog een keer plechtig.

Trees keek hem met grote ogen aan.

‘Luister Trees,’ sprak Houb ten derde malen nu nog plechtiger, ‘er is ten eerste iets dat je moet weten.’ Hij laste even een korte pauze in om het geheel wat extra cachet te geven. ‘Het zit namelijk zo,’ ging hij verder, ‘je man is hoogstwaarschijnlijk niet verongelukt, maar door iemand met opzet in die voermengwagen geduwd.’ Houb stopte weer even om te bestuderen hoe Trees Klavermans reageerde. Hij besefte drommels goed dat zij uiteraard ook tot de verdachten behoorde. Zo niet, misschien wel de hoofdverdachte. Houb zag van zeer nabij hoe haar mond langzaam openviel. Als ze het gedaan heeft is het een verdomd goede actrice, dacht Houb. Maar toch…gevoelsmatig viel ze al voor hem af.

‘Maar zeg…is het? Meen je dat,’ stamelde de kersverse weduwe, zich overeind houdend aan de rand van het aanrecht.

Houb knikte: ‘Gedegen onderzoek heeft het uitgewezen mevrouw Klavermans. Uw man is geduwd door iemand. Dat staat vast.’ Hij laste weer een pauze in. De boerin haar ogen stonden wijd opengesperd. Net een koe, dacht Houb. Uiteindelijk kuchte hij een keer en zei zeer duidelijk articulerend om het cachet vast te houden: ‘Mevrouw Klavermans, ik zal er alles aan doen om deze zaak op te lossen en geloof me: de dader zal gevonden worden ende gestraft.’ Ik draaf door, dacht hij, met dat woordje ‘ende’.

‘Wat zeg je,’ stamelde Trees, ‘erin geduwd. Door wie, wie…’ Ze stokte. Achter haar kookte een pan over. Het vocht maakte een sissend geluid op de kookplaat. ‘Help, mijn soep gaat over!’ Ze draaide snel het gas lager en liet de deksel even van de pan vieren.

‘Je bent echt soep aan het trekken,’ gokte Houb. Het was hem bekend dat boerinnen vaak soep trokken.

Trees knikte: ‘elke twee dagen trek ik een grote pan soep. Dré was er dol op en Tinus heeft het ook graag.’

Jaja Tinus, dacht Houb, ook een verdachte.

Trees keek nadenkend voor zich uit. ‘Maar erin geduwd,’ zei ze, ‘dat weet je zeker?’

‘Dat is een feit. Dat lijdt geen twijfel. Wanneer had u uw man eigenlijk voor het laatst levend gezien?’ Houb trok een blocnote om het één en ander te noteren.

‘Om een uur of één. Toen ging hij na het eten weer aan het werk.’

‘Had uw man vijanden? Lag hij met iemand overhoop?’

Trees schudde langzaam en bedachtzaam haar lelijke hoofd: ‘Euh…nee. In ieder geval niet echt. Dré kon met iedereen goed opschieten. Maar goed, niet met iedereen kon hij door een deur. Maar ja, dat heeft iedereen. Niet?’

‘Met wie kon hij niet door één deur?’ Houb stelde de vraag op een heel dwingend toontje. Trees haalde haar schouders op: ‘Ja, gewoon met een paar mensen uit de familie….’

‘Zoals?’ Even doorduwen, dacht Houb.

Trees zuchtte een keer diep en zei alsof ze al een soort bekentenis aflegde: ‘Eigenlijk Dré zijn hele familie, hij heeft namelijk alleen nog maar een zus en haar man. Je kent dat wel: het bekende gezeik als de boerderij moet worden overgenomen. Deze zus van Dré, Irma, voelde zich onderbedeeld. Ze werd hierin ook flink opgejut door haar man, Henk van der Klomp, een oudijzerboer uit Hapert. Moeder trok ook partij voor haar. Zo was de familie verdeeld.’

Het is overal hetzelfde bij die katholieke boerenfamilies, dacht Houb. ‘Triest, zo’n familie,’ zei hij. Hij begon zijn pijp te stoppen. ‘Het is overal wat,’ zei hij laconiek, ‘maar of ze daarom Dré zouden vermoorden…Wat denk jij?’

Trees leek een beetje te schrikken van deze vraag. ‘Oh nee, natuurlijk niet. Uitgesloten. Ze hadden dan wel ruzie… maar om hem te vermoorden, en dan op zo’n manier. Nee, dat geloof ik niet. Maar ja, gaat u ze verhoren?’

Houb tuitte zijn mond: ‘Wie weet. Daar laat ik me niet over uit. Ik houd me bezig met het onderzoek en op dit moment mogen we niks uitsluiten. Mag ik hun adres trouwens, nu we het er toch over hebben? Ik neem tenminste aan dat ze niet hiernaast in de kamer zitten. ‘

Trees leek te aarzelen. ‘Ze zullen woedend zijn als u ze verhoort,’ zei ze, ‘maar goed, zal ik het opschrijven dan maar?’

Houb knikte en overhandigde haar zijn pen en de blocnote. Wat ben ik toch een doortastende zak, dacht Houb. Hij keek toe hoe Trees onwennig het adres opschreef. ‘Het huisnummer is twaalf of veertien, dat weet ik niet meer precies. Dat zoek je zelf maar uit,’ zei ze morrend.

Mij best, dacht Houb, terwijl hij zijn blocnote weer terug kreeg. ‘Bedankt,’ zei hij, ‘ik zal je nu niet langer ophouden. Je zult nog genoeg moeten regelen voor morgen. Ik kijk buiten nog een keertje rond. Overigens, hebben jullie een computer hier?’

Trees trok een afkeurend gezicht: ‘Wat moeten wij met zo’n ding?’

‘Niet dus,’ zei Houb ietwat opgelucht. Hij had geen zin om een computer door te pluizen. Plotseling dacht hij aan iets. ‘Waar is Dré eigenlijk?’ vroeg hij. ‘Ik bedoel…hij is toch hier?’

Trees knikte: ‘Hij is hier, maar niemand hoeft en kan hem zien. Hij ligt gewoon in zakken in de diepvries. Het is maar tot morgen, maar toch….het is erg warm weer en dan krijg je toch een vervelende reuk. Ik heb er heel de vrieskist voor leeg moeten halen. We hadden er net vorige week een half varken ingestopt. Ik zei nog tegen de begrafenisondernemer, die het eigenlijk allemaal maar niks vond, dat van die diepvrieskist…. Hij had het over een mortuarium of een koelinstallatie. Die lul wil me alleen op kosten jagen. Maar ik zei dus nog tegen hem: ‘het is me wat. Er gaat een half varken uit, maar er komt een heel varken voor in de plaats’. Daar kon hij niet om lachen. Erg flauw. Je kunt er toch het beste om lachen? Het is toch zo. Dré komt toch niet meer terug. Het halve varken heb ik maar uitgedeeld. Ik kan dat toch geen twee keer invriezen. Zo is het altijd wat. Wil je ook nog een stuk? Hier heb je drie zakken karbonaadjes.’ Ze pakte achter van de aanrecht drie goed gevulde diepvrieszakken en wierp die ongecontroleerd in Houb zijn richting. Toen begon ze hartverscheurend te snikken. Het ging door merg en been.

‘Sterkte, nogmaals sterkte,’ zei Houb maar. Hij griste de drie zakken van de vloer en maakte dat hij wegkwam. De menigte in de kamer staarde hem zwijgend na.

 

Eenmaal buiten gooide Houb eerst de karbonaadjes achter in zijn auto. Vervolgens stopte hij zijn pijp en joeg er een vlam in. Hoestend nam hij een grote teug. ‘Ik stop nog een keer met roken,’ mompelde hij in zichzelf, ‘maar nu nog niet.’ Hij liep naar achter en beende de stal in. Daar zag hij een knoestige man bezig met het voer aanvegen voor de koeien. Hij had niet in de gaten dat Houb op hem afkwam. Even laten schrikken dacht Houb. Hij liep zo stil mogelijk op hem af, trok zijn politiepasje en hield dit voor zijn neus. Het geveeg stokte. Verbaasd staarde de boerenknecht hem aan. Houb kuchte en zei: ‘Aangenaam Houb, hoofdinspecteur Houb met O U en een B op het eind.’ De man bleef kijken of hij water zag branden. Hij zei niks.

‘Tinus, neem ik aan?’ verbrak Houb vrij snel de stilte. Een koe begon luid te loeien.

‘Stil!’ riep de man naar de koe alsof het een hond betrof. Warempel hield de koe op met loeien.

‘Hij luistert goed,’ zei Houb droog. Het koste hem moeite zijn gezicht in de plooi te houden. ‘Jij bent toch Tinus oftewel Martin Buntsteker?’ wilde hij opnieuw weten.

‘Ja, zo zeggen ze het. Ik heet eigenlijk Martin, maar iedereen noemt me Tinus.’

‘Oké, dan doe ik dat ook.’ Hij keek Tinus strak in de ogen en vroeg meteen: ‘Tinus, waar was u dinsdagmiddag tussen één en vier?’

Bundsteker oftewel Tinus leek te schrikken. ‘Hè, hoezo? Wat was er dinsdagmiddag dan?’

‘Toen is ene boer Klavermans vermalen in zijn voermengwagen,’ zei Houb met een sarcastische ondertoon, ‘dat zou jij moeten weten.’

‘Jaja, natuurlijk weet ik dat,’ zuchtte Tinus, ‘vreselijk hè.’

‘Inderdaad vreselijk,’ beaamde Houb, ‘zeker als je weet dat het geen ongeluk was, maar dat iemand hem erin heeft geduwd.’

Tinus trok nu redelijk wit weg. ‘Wat zeg je…,’ stamelde hij, ‘erin geduwd…?’

‘Precies, erin geduwd,’ benadrukte Houb. Hij vond het Derrick-gehalte nu wel heel hoog worden.

Tinus gooide zijn bezem demonstatief weg. De koeien begonnen van schrik loeiend door de stal te hollen. ‘Idioot!’ brieste Houb boven het geloei uit, ‘denk eens aan die beesten. Straks geven ze geen melk meer!’

‘Jouw schuld klootzak!’ schreeuwde Tinus terug. Hij keek behoorlijk dol uit zijn ogen.

Toch een beetje uitkijken met die gek, dacht Houb. Tinus was op dit moment voor hem verdachte nummer één.

‘Luister Tinus…euh Martin,’ zei Houb op rustige toon toen de koeien uitgeraasd waren, ‘wij doen ons werk. Wij willen de dader zo spoedig mogelijk pakken. Daarvoor hebben we van jou een alibi nodig, begrijp je. Dan kunnen we jou uitsluiten en kunnen we verder. Het is voor je eigen bestwil. Ik weet ook wel dat je onschuldig bent, maar ik moet het wel kunnen bewijzen. Dus vertel maar waar jij dinsdagmiddag de betreffende tijd was.’ Hij hield alle spiertjes van het gezicht van Tinus nauwlettend in de gaten om zijn zenuwachtigheidspeil in te schatten. Zo zag hij dat Tinus rimpels in zijn grote voorhoofd tevoorschijn toverde. Een wonder, hij denkt na, dacht Houb.

‘Jaja, oké, ik zal meewerken,’ zei Tinus aarzelend, ‘maar ik heb het niet gedaan.’

Stompzinnige idioot, dacht Houb. ‘Jaja Tinus, dat weet ik,’ zei hij zijn ongeduld verbergend, ‘want waar was jij toen ook alweer?’

Tinus dacht nog een poosje na. Doe op je gemak lul, dacht Houb, ik heb de tijd. Hij trok een keer aan zijn pijp, maar merkte dat hij uit was. Hij was hem met al dat gedoe gewoon vergeten. Houb pakte zijn lucifers en zwierde er nog een keer vuur in. Een mooie scène dit, dacht hij. Hij blies de rook langs het gezicht van Tinus af. Deze sloeg er helemaal geen acht op. Hij staarde naar zijn bezem die in het midden van de voergang lag, alsof hij daar hulp van verwachtte. Plots leek hij een Wickie de Viking-moment te beleven. ‘Ha, ik weet het,’ zei hij triomfantelijk. ‘Ik was aan het werk voor loonwerker Vereggen. Die had gebeld of ik kon komen werken. Ik werk soms voor hem. Ja, netjes in het wit hoor.’

‘Vereggen?’

‘Ja, Vereggen, die zit met zijn bedrijf achteraan in de Heidedreef. Vraag maar na. Die belde dus. Eigenlijk had ik dat liever niet met die kermisdagen, maar gelukkig had ik niet zo’n kater. Ik moest toen grasmaaien bij Klaas Zultkop…’

‘Klaas Zultkop?’ onderbrak Houb weer, alles notulerend in zijn notitieboekje.

Tinus lachte: ‘Ja, hij heet eigenlijk Klaas van der Elst, maar iedereen noemt hem Zultkop. Niet omdat hij zo’n grote kop heeft, maar alle van der Elsten noemen ze hier Zultkop. Dus daarom hem ook. Het schijnt dat zijn opa een grote kop had of zoiets. Of nee, dat was een zoon van een slager, meen ik. Ik weet het eigenlijk niet…’

‘En waar woont die Zultkop?’

‘Euh…de tweede boerderij aan het Hoogzand, een heel eindje van hier. Even kijken… van half één tot ongeveer half vier ben ik bezig geweest. Het was ongeveer vijf hectare. Maar het was een mooi stuk met lange trekken dus ik was mooi in drie uurtjes klaar en dan heb ik tussendoor ook nog de messen vervangen. Maar ja, bij Vereggen hebben ze nu sinds vorig jaar dan ook een grotere grasmaaier en dat werkt wel. Zeker met die nieuwe Fendt ervoor. Fendt, dat zijn toch gemakkelijke tractors. Voorheen zette ze er altijd die oude kutFord voor, die rammelbak…’

Jezus, dacht Houb, hij gaat me heel zijn loonwerkersmisère vertellen. Hij besloot dat dit een moment was om in te grijpen. ‘Ja ja, Tinus, dat hoef ik allemaal niet te weten, Je was klaar met grasmaaien en toen?’

‘Euh…ja, euh… toen,’ zei Tinus ietwat teleurgesteld dat hij zijn onvrede over die Fordtractor niet kon uiten, ‘toen ben ik natuurlijk teruggereden naar Vereggen. Daar heb ik de tractor weer vol getankt en in de schuur gezet, en vervolgens ben ik meteen naar huis gegaan. Goed en wel thuis belde Trees met het vreselijke nieuws. Ik heb toen snel mijn bami in de magnetron gezet om warm te maken. Nadat ik eerst de bami had opgegeten ben ik zo snel mogelijk in de auto gestapt om Trees te gaan helpen. Ze was helemaal overstuur.’

Houb bleef er bijna in. ‘Okay,’ zei hij serieus, ‘nog even over die bami. Was die bevroren toen je hem in de magnetron zette, of kwam die uit de koelkast?’ Hij beet op zijn onderlip om de lach van zijn gezicht te houden.

Tinus keek hem verbaasd aan: ‘hij kwam uit de koelkast. Het was ‘gehaalde’ van de dag ervoor die nog over was. Die is zeker net zo lekker als verse. Maar wat heeft dat er mee te maken?’ Hij leek er erg in te krijgen dat Houb met hem aan het dollen was.

‘Nou,’ zei Houb met een strak gezicht, ‘als hij uit de diepvries was gekomen, had het tien minuten langer geduurd voor hij warm was, en dat zou een teken zijn dat je het niet zo erg vond om Trees lang te laten wachten. Dat de bami uit de koelkast komt pleit voor jouw bekommering om haar.’ Hoe verzin ik het, dacht hij.

Nu leek Tinus zijn gezicht plots te stralen. ‘Voor Trees heb ik alles over,’  zei hij, ‘het is zo’n lieve vrouw. Voor haar doe ik alles. Zelfs met de kermis die ik half heb moeten missen.’

Kijk kijk, meneer heeft gevoelens voor Trees, dacht Houb. ‘Jaja, dat hoor ik ook van Trees,’ zei hij, ‘ dat jij alles voor haar over hebt. Trees is erg op je gesteld, zei ze.’

Tinus kreeg er een kleur van. ‘Ja, dat weet ik,’ zei hij met brede grijns op zijn gezicht.

‘Weet je,’ zei Houb gladjes, ‘ik hoorde dat jij vrijgezel bent. Nu Dré er niet meer is, zou jij misschien wel iets zijn voor Trees. Echt, ik wil nergens op vooruit lopen, maar jullie zouden een fantastisch stel zijn.’

‘Wie weet,’ grijnsde Tinus nu bijna over de gehele breedte van de voergang, ‘wie weet…’ Hij raapte vol enthousiasme zijn bezem weer op.

Hij wordt me te blij, dacht Houb. ‘Even iets anders, Tinus,’ zei hij weer op inspecteurstoon, ‘heb jij eigenlijk een vermoeden wie Dré in die wagen geduwd kan hebben? Had hij vijanden, dat jij weet?’

Tinus krabde over zijn achterhoofd. ‘Geen flauw idee. Echt geen flauw idee. Vijanden had hij niet echt. Hij lag alleen een beetje overhoop met zijn familie, maar overal is wel eens wat, zeg ik maar altijd.’

‘Die familie zou zoiets nooit doen?’

‘Nee, dat geloof ik niet. Misschien moet je ze wel ondervragen. Dat zou ik wel doen als ik jou was. Daar word je niet stommer van.’

Hij gaat warempel de wiseguy uithangen, dacht Houb. Hij keek toe hoe Tinus weer begon te vegen. ‘Okay Tinus,’ zei hij, ‘een goede tip. Dat zal ik doen. Verder heb ik eigenlijk nog één vraag aan jou: weet jij wie Tatort is?’

Het vegen stokte even. De koeien begonnen voorzichtig weer hun koppen door het voerhek te steken. Tinus staarde naar het rijtje koeienkoppen. ‘Tatort…’ herhaalde hij nadenkend, ‘wel eens van gehoord. Is dat niet zo iemand als Derrick? Iets van de tv toch?’

‘Dat klopt ongeveer wel,’ zei Houb, ‘zo heet een Duitse politieserie. Er zitten behoorlijk wat personages in, alleen weet geen man wie die Tatort eigenlijk is.’

‘Ik ook niet,’ zei Tinus.

‘Precies,’ zei Houb, ‘dag Tinus.’ Hij liep de stal uit en hoorde hoe de simpele boerenknecht achter hem zweeg terwijl een paar koeien weer begonnen te loeien.

 

Ter hoogte van de staldeur dacht Houb aan iets. ‘Verdomme ja, stom van me,’ mompelde hij in zichzelf. Hij liep terug naar Tinus en tikte hem met de steel van zijn inmiddels uitgerookte pijp op zijn schouder en toonde hem weer zijn politiepasje. ‘Oh, sorry, dit heb je al gezien,’ zei hij, terwijl hij zijn pasje weer opborg. Ook zijn pijp duwde hij weer in zijn jaszak.

Tinus keek hem aan alsof hij hem weer voor de eerste keer zag.

‘Even nog een klein vraagje Martin’, begon Houb op een luchtige manier, ‘hebben jullie hier nog ergens zo’n ouderwetse gaffel liggen?’ Hij hield nauwlettend weer de reactie van de eenvoudige knecht in de gaten, maar zag dat deze weer een poging tot nadenken lanceerde. Hij leek in ieder geval niet te schrikken van deze vraag.

‘Een gaffel…? Even denken…Ja, zoiets gebruiken ze tegenwoordig eigenlijk nooit meer. Vroeger wel, voornamelijk om hooibalen boven op een platte wagen te gooien. Tegenwoordig hebben ze van die grote balen. Dat gaat allemaal met de voorlader van de tractor. Maar dat was wat vroeger met die kleine pakjes. Ja, wij hadden thuis vroeger ook een boerderij, daar zit onze Henk nu op. Dat was de oudste bij ons hè. Een mooie tijd, vroeger, maar wel hard werken. Zweten was dat altijd. Dat kwam natuurlijk ook omdat het altijd loeiheet was in zo’n hooitijd. Vroeger was er ook veel meer handel in hooi. Wij gingen ooit een wagentje hooi halen helemaal in Leopoldsburg of zo. Toen ik een jaar of tien was ging ik wel eens mee. Dan mocht ik bovenop de wagen zitten onderweg. Dat kon toen allemaal. Dan kocht de ouwe altijd ergens in een winkeltje van die knalgele Belgische prikkellimonade voor mij. Haha, ik weet nog een keer dat we ergens niet onder een viaduct door konden omdat we het hooi te hoog hadden geladen. Vader zag het net op tijd, anders had ik hier nu niet gestaan. Dan was ik tegen het viaduct aan geklapt. We hebben er toen de bovenste twee lagen weer af gegooid, zijn vervolgens onder het viaduct door gereden en hebben de hooipakjes weer terug geladen. Die hadden we allemaal één voor één onder het viaduct door moeten sjouwen. Ik weet het nog goed. Wij hadden toen een Fiat voor de wagen staan. Met dat tractortje heb ik leren rijden. Die ging altijd heel slecht in zijn achteruit. Dan moest je de koppeling heel diep indruk…’

Houb vond het nu weer een mooi moment om hem te onderbreken. ‘Dat had je met die Fiatjes, vertel mij wat. Maar hebben jullie hier een gaffel?’

‘Hè?’ Tinus keek wederom teleurgesteld dat hij uit zijn verhaal werd gehaald, maar hij wist zich snel te vermannen. ‘Oh ja, een gaffel vroeg je. Het kan best zijn dat er in de buitenschuur nog eentje rondslingert, of anders misschien onder dat afdakje naast de stal.’

‘Bedankt, dat wilde ik even weten.’ zei Houb. Hij maakte nu echt dat hij wegkwam.

 

In de buitenschuur had Houb wel een half uur rondgezocht. Het deed hem goed zo’n buitenschuur met vier gebinten. Houb had altijd een heimelijke passie gehad voor buitenschuurtjes. Het deed hem denken aan vroeger, aan zijn eigen jeugd. Nu stond er in het schuurtje van Klavermans weinig interessants. Het meeste was echt rommel. Gewoon rommel en wat werktuigen uit het heden, klaar om aangepikt te worden door een grote tractor met vierwielaandrijving. Houb zag het liefst een oud schuurtje met van alles en nog wat, zoals bijvoorbeeld een oude tractor van het merk Farmall, een dorskast, een kapotte kruiwagen, een mangelwortelsnijder, wat oude melkbussen, verroest gereedschap zoals een grote zaag. Kortom zo’n schuurtje dat zo dienst zou kunnen doen als museum. Houb had zelfs ooit tijdens een mindere periode in zijn leven therapeutisch willen schilderen. Het liefst had hij dan stillevens gemaakt van boerenschuurtjes. Het is er nooit van gekomen, daar Houb zijn levensdepressies toch liever te lijf ging met luisteren naar jaren tachtig postpunkbandjes. Hij vond dat altijd wel paradoxaal: luisteren naar depressieve muziek om depressies te lijf te gaan. Maar om één of andere reden werkte het bij hem wel altijd. Terwijl hij zo door het schuurtje liep overpeinsde hij dus zowat heel zijn leven, zodat hij vergat wat hij aan het zoeken was. ‘Even recapituleren,’ mompelde hij naar een spin op een spant starend, ‘ik ben hoofdinspecteur Houb. Ik ben bezig met een moordzaak, namelijk de moord op boer Klavermans en ik ben in zijn schuurtje op zoek naar het eventuele moordwapen, meer bepaald: een gaffel.’ De spin kroop weg in een spleet. Houb keek voor de zekerheid nog een keer rond, maar vergeefs. Hij verklaarde het schuurtje nu officieel gaffelvrij.

Onder het afdak aan de zijkant van de stal hoefde hij echter niet lang te zoeken. Op een hoopje oud timmerhout lag een oude gaffel. Hij lag erbij alsof hij er pas door iemand was neergegooid. ‘Voilà, het wapen des moords,’  sprak hij plechtig. Houb wilde hem in zijn enthousiasme meteen oppakken, maar wist zich nog net te bedenken. ‘Sukkel,’ mompelde hij in zichzelf. Hij holde naar zijn Multipla, pakte achter uit de koffer een grote stevige plastic zak. Vervolgens zocht hij zich te pleuris naar plastic wegwerphandschoentjes. Toen hij die niet kon vinden griste hij maar de lege chipszak van de middenstoel. Opgewonden draafde hij terug naar het afdak. Met zijn rechterhand in de chipszak lukte het hem moeizaam om zonder eventuele vingerafdrukken de voorkant van de gaffel in de zak te steken. Het zweet liep daarbij in straaltjes van zijn voorhoofd. Eigenlijk vond Houb zijn trenchcoat veel te warm, maar hij hield stand.

Even later lag het vermeende bewijsmateriaal veilig op de achterbank van de Multipla en reed Houb fluitend achter uit de inrit van de boerderij uit. Hij was zo in zichzelf gekeerd dat hij de auto, die er over de toch al smalle weg aan kwam, over het hoofd zag. Deze kwam met gierende banden net voor hem tot stilstand. Houb wiste het zweet van zijn voorhoofd en staarde met geschrokken gezicht door zijn voorruit recht in het verschrikte gezicht van Ludo. Ludo daarentegen staarde met een geschrokken gezicht door zijn voorruit naar het verschrikte gezicht van Houb. Toen stapten beide mannen uit.

‘Ludo, dat treft,’ begon Houb, ‘ik wilde je net even assisteren. Hoever ben je al gekomen?’

‘Klootzak,’ zei Ludo.

 

De twee wisselende bij deze gelegenheid de laatste stand van zaken uit. Vol trots liet Houb zijn gaffel zien. ‘Mijn tijd was goed besteed dus,’ zei hij, ‘en jij Ludo?’

Op een paar huizen of boerderijen aan het einde van de straat na, was Ludo overal al geweest. ‘Het viel mee Houb,’ zei hij, ‘zoveel mensen wonen hier niet. De buurman op 54 hoeft volgens mij niet. Die heeft toen al een heel verhaal verteld. Zullen we anders samen de rest even doen? Dan laat ik mijn auto even hier staan.’

Dat vond Houb geen slecht idee. De twee besloten hun auto’s naast de wegkant te parkeren en gingen op hun dooie gemak te voet verder. Ze liepen beide een beetje voorovergebogen naar het asfalt te turen. Houb vertelde over zijn gesprek met Tinus. ‘Toch denk ik niet,’ gaf hij als eindconclusie, ‘dat Tinus het gedaan heeft, gezien zijn reacties. Wel is hij geil op onze Trees, dat moge duidelijk zijn. Afijn, we sluiten hem nog niet uit.’

Ludo grinnikte: ‘je kunt maar ergens geil op zijn. Tjonge wat is die Trees een lelijk mens.’

‘Waarschijnlijk is het een meesteres in fellatio,’ liet Houb zich ontsnappen, ‘een andere verklaring heb ik er niet voor. Zelfs de overkoepelende pastoor wordt er bloedheet van. En jij Ludo?’

‘Milaardeju, klootzak, al was ze de laatste vrouw op aard, dan nam ik nog liever een kip of een varken, of ander boerderijdier naar keuze.’

‘Dat bedoel ik niet, smeerlap,’ zei Houb zuchtend, ‘ik bedoel: heb jij nog wat meegemaakt onderweg bij die boeren?’

Ludo tuitte zijn mond en schudde langzaam zijn hoofd heen en neer. ‘Niet echt. Niemand heeft iets opvallends gezien. Geen opvallende auto’s, fietsers, wandelaars of wat dan ook. Er wordt hier in de zomer zoveel gefietst, daar letten de bewoners allang niet meer op.’

Tijdens deze laatste zin hadden beide mannen aan de kant moeten springen voor een clubje van acht fietsers die zichzelf aankondigden met hun fietsbellen.

‘Dat bedoel ik dus,’ zei Ludo al staande in de slootkant, ‘ze fietsen hier maar raak.’

Houb knikte zwijgend. Ze ‘hoi-den’ fatsoenshalve toch maar even naar de fietsers en liepen verder. Na vijftien meter stopte Ludo even: ‘Oh ja Houb, trouwens,’ zei hij op plechtige toon, om vervolgens weer snel verder te lopen om bij de doorwandelende Houb te komen, ‘één ding viel wel op. Velen hebben de overkoepelende pastoor een paar keer zien fietsen. Op een zeer opvallende manier. Hij had een rood met wit petje op met daarop in grote letters: ‘Steyr’. Dat schijnt een tractormerk te zijn. Ook droeg hij een megagrote zonnebril met spiegelglazen. Het leek wel – en dat zeiden er meer – alsof hij niet herkend wilde worden. Een paar mensen hadden geroepen: ‘ha, daar heb je meneer pastoor,’ of iets in die trant en daar schrok hij kennelijk van. Iedereen vond het erg vreemd maar wel vermakelijk.’

‘Is ook leuk,’ beaamde Houb, ‘maar die gek fietste er die bewuste dinsdag dus ook rond?’

‘Yep, ergens tussen twee en vier. Je denkt toch niet dat…?’

‘We sluiten niks uit, Ludo,’ zei Houb met een stijlvolle kuch in zijn stem, ‘je weet nooit. Maar euh…als die pastoor ‘vermomd’ was, hoe herkenden ze hem dan toch zo meteen?’

Ludo lachte: ‘Omdat, mijn beste Houb, meneer de overkoepelende pastoor zijn vrijetijdskleding had gecombineerd met zijn karakteristieke witte boordje.’

Houb kreeg de slappe lach. ‘God verhoedde,’ hikte hij.

 

Ludo en Houb hadden nog twee deuren te gaan en tot zover waren er – op meneer de overkoepelende pastoor na – weinig onthutsende dingen gemeld. Maar het venijn zat in de staart. Bij een boerderij met een hoop gigantische varkenstallen achter de deur stonk het als de pest. Ludo trok een vies gezicht. ‘Hier maken we het niet te lang Houb,’ stelde hij voor, terwijl hij op de bel drukte.

Een puisterige jongen van een jaar of zeventien deed de deur open en keek de twee vragend aan.

‘Hoofdinspecteur Houb,’ introduceerde Houb zichzelf, terwijl hij zijn politiepasje voor de jongen zijn neus hield, ‘Houb met O U B.’

Het ventje werd lijkbleek en begon te bibberen. Ludo en Houb keken elkaar veelbetekenend aan.

‘Is er iets?’ vroeg Ludo aan de jongen die nog boven de achterliggende stallucht uit stonk.

De jongen begon te snikken: ‘Ik wist wel dat we in de penarie zouden komen. Ik wist het wel. Ik deed het niet alleen hoor. Het was niet mijn idee. Geloof me, het was niet mijn idee.’ Het gesnik ontaarde in een gigantische huilbui. Houb en Ludo waren stomverbaasd.

Zijn vermoedelijk biologische vader verscheen opeens ook in de deuropening. ‘Wat is hier aan de hand?’ brieste hij.

Houb besloot het nog verder uit te dramatiseren en toverde weer zijn politiepas tevoorschijn. ‘Mijn naam is Houb, hoofdinspecteur Houb met O U B. We wilden wat vraagjes stellen.’

De man pakte zijn snikkende zoon letterlijk bij zijn kraag. ‘Wat heb je nu weer gedaan, snotneus!’ schreeuwde hij, ‘godverdomme de politie op de stoep! Wat heb je in hemelsnaam nu weer gedaan met je zatte kloten!’

Houb en Ludo hielden de situatie nauwlettend in de gaten. ‘Opletten of het niet uit de hand loopt, begrijp je,’ fluisterde Houb stiekem tot zijn rechterhand.

‘Erik!’ schreeuwde de jongen zijn pa afwerend. ‘het was Erik van Klokhuizen die het eigenlijk deed. Ik was er alleen maar bij.’

‘Waarbij smerige rotzak?’ siste zijn vader, ‘je weet goed dat ma hier straks weer voor in therapie moet. Godverdomme, wat is er nu weer?’ Hij haalde uit om zijn zoon een oplawaai te verkopen. Nu vond Houb het tijd om in te grijpen. Hij gaf Ludo een seintje en samen doken ze op de vader die zijn mep nog net had kunnen geven.

‘Rustig mijnheer, kalm,’ zei Houb sussend, ‘rustig, dit heeft geen zin zo. Laat je zoon even uitspreken. Slaan lost niks op.’ Sodeju, dacht hij ondertussen, die zoon en die Erik zouden boer Klavermans bij wijze van grap toch niet in die wagen geduwd hebben. Dan hebben we hier een dorpsdrama. Hij was zeer nieuwsgierig wat die zoon te melden had.

Ludo had de pa nu echt in de houdgreep. ‘Rustig mijnheer de varkensboer,’ zei hij. Houb schoot bijna in de lach.

‘Wat, rustig mijnheer de varkensboer!’ schreeuwde de man, ‘je zal zo’n nietsnut als zoon hebben dan ik. Met zijn gezuip al zijn leven. Daar komt niks dan heibel van verdomme!’ Hij probeerde zich van Ludo los te rukken, maar gezien zijn geringe postuur kreeg hij dat niet voor elkaar. Intussen was zoonlief terug naar binnen gevlucht. Houb ging hem achterna. In de keuken vond hij de jongen snikkend in de armen van zijn eveneens snikkende moeder. ‘Papa slaat me dood mama!’ bracht hij met horten en stoten uit. Ma aaide hem troostend over zijn achterhoofd.

Houb kuchte een keer. De twee keken op. ‘Zeg maar wat er allemaal is gebeurd jongen,’ zei Houb op zachtaardige toon. ‘kom, vertel het maar rustig. Alles komt goed.’ Als je tenminste geen boer in een voermengwagen hebt geduwd, dacht hij erachteraan. Hij betrapte zich er op dat hij medelijden met zowel de jongen als de moeder had.

‘Paul, ik weet niet wat je hebt gedaan, maar vertel het nu maar,’ hielp de moeder Houb nu een handje, ‘het heeft geen zin om je te verstoppen.’

De zoon, die dus luisterde naar de naam Paul, liet zijn moeder los en staarde naar de vloer. ‘Het was Erik zijn idee, dat van die spaarkas.’

‘Spaarkas?’ riepen Houb en de moeder in koor uit.

‘Ja, de spaarkas van De Zilveren Tijger. Daar gaat het toch om, toch?’

Houb kon zijn lol bijna niet op. ‘Oh nee hoor,’ zei hij laconiek, ‘wij kwamen hier alleen wat vraagjes stellen over dinsdag toen de heer Klavermans om het leven is gekomen. We wilden weten of jullie die dag wat opvallends hadden gezien of zo. We sluiten een misdrijf namelijk niet uit.’

‘Ja, dat hoorde ik,’ zei de moeder, ‘dat is me wat zeg met de Dré Klavermans. Toch denk ik dat het gewoon een ongeluk is geweest hoor. Waarom denken jullie dat er een misdrijf in het spel is?’ Ze leek haar zoon bijna vergeten. Deze stond met open mond in bevroren stand voor zich uit te staren.

‘Daar kan ik u geen mededelingen over doen in het belang van het onderzoek mevrouw,’ zei Houb, ‘maar jullie hebben niks opvallends waargenomen dus?’

De moeder schudde peinzend haar hoofd: ‘Nee, behalve de overkoepelende pastoor met een Steyrpetje en een grote spiegelzonnebril terwijl het bijna regende, heb ik niets bijzonders gezien. Jij wel Paul?’

De jongen begon weer te bewegen. Het leek alsof de dochter van Tita Tovenaar weer met haar vingers had geknipt. ‘Euh…nee eigenlijk niet. Nee nee, niks bijzonders nee.’ Hij was nog erg zenuwachtig.

Houb had er wel schik in. ‘Oké Paul,’ zei hij, ‘maar euh, je zei net iets over die spaarkas van…De Zilveren Tijger was het geloof ik, hè. Die is inderdaad ontvreemd. Hoe zit dat nu? Het was iets met die Erik, geloof ik. Jij weet er meer van. Vertel eens!’

De jongen wierp zijn handen onschuldig in de lucht. ‘Hè…spaarkas?’ begon hij nu onnozel, Welke spaarkas?’

Houb verhief zijn stem: ‘Nu de onnozelaar uithangen. Jij begon er zelf over. Het heeft geen zin om je te verstoppen!’ Hij realiseerde zich dat hij deze laatste zin van de moeder had gestolen.

De varkensboerenzoon begon weer te snotteren. ‘Jaja, rustig, ik zal alles eerlijk vertellen.’ Hij schokschouderde van jewelste. ‘Het zit namelijk zo,’ ging hij snikkend verder, ‘Erik en ik waren strontbezopen en stonden rond sluitingstijd op het punt om naar huis te gaan. Toen wilde hij indruk maken op de vriendin van Gemma Geilspleet, ik weet niet precies hoe ze heet. Iets van Yvette of Yvonne of zoiets…’

‘Wacht even,’ onderbrak Houb, die weer moeite had zijn lach te verbergen, ‘Gemma Geilspleet? Dat is haar artiestennaam, neem ik aan?’

‘Jaja, ze heet eigenlijk Gemma van Splunteren, maar iedereen noemt haar Gemma Geilspleet. Ze neemt het niet zo nauw schijnbaar.’ Het huilen werd nu ineens een stuk minder.

‘Gemma van Splunteren dus.’

‘Ja precies, maar Erik wilde dus indruk maken op die Yvonne of Yvette, haar vriendin dus. Die stond bij de spaarkas haar jasje aan te trekken en Erik rukte de spaarkas compleet van de muur. Met pluggen en al. ‘Zo kan ik morgen weer kermis komen vieren,’ had hij gezegd. Hij dacht dat die Yvonne of Yvette dat wel stoer zou vinden, maar ze negeerde hem volkomen. Ze zei alleen: ‘achterlijke mongool’ of zoiets. Om geen gezichtsverlies te lijden, zat er voor Erik niks anders op om toch maar heel stoer met die spaarkas naar buiten te lopen. Ik liep hem achterna en zei toen tegen hem dat het toch eigenlijk wel diefstal was en dat hij die spaarkas beter terug kon brengen, maar dat deed hij niet. Hij zei tegen me dat er toch geen geld inzat omdat die met de kermis zeker geleegd was. Nou afijn, om een lang verhaal kort te maken: hij deed de spaarkas onder zijn snelbinder en we zijn samen weggefietst. Bij hem thuis aangekomen, hij woont in de Grote Truistraat 19, wilde hij toch ineens van die spaarkas af. De held! Hij duwde hem in mijn handen en zei dat ik hem maar onderweg naar huis ergens in de sloot moest gooien. Ik heb dat toen maar gedaan. Ik heb er wel spijt van, maar ja: ik was ook straalbezopen, dus tja, dan doe je zoiets. Maar we hebben er niks uitgehaald, meneer de politie-inspecteur. Echt waar,  ik zweer je. Ik weet nog wel ongeveer waar ik hem heb gedumpt. Ik zal het aanwijzen.’

‘Hoeft niet meer jongen,’ zei Houb zo boos als hem op dat moment lukte, ‘hij is al gevonden. Wij van de politie zijn geen slaapkoppen. Maar toch fijn dat we het nu niet allemaal meer uit hoeven zoeken.’

‘Wat gebeurt er nu met me. Hoe gaat het nu verder?’ vroeg de jongen angstig.

‘Ik denk dat meneer eens heftig met die Erik gaat praten, niet meneer?’ begon de moeder in een subtiele poging haar gebroed te beschermen.

Jezus, wat moet ik hier weer mee, dacht Houb. Hij had eigenlijk helemaal geen zin om zich verder met deze zaak bezig te houden.

Plots klapte met een hoop kabaal de deur open en stormde de vader briesend binnen. ‘Vervloekte snotneus, wat heb je uitgevreten. Stuk stront, ik zal je godverdegodver… !’

De moeder begon in paniek te huilen en te krijsen. ‘Niet doen Piet. Alsjeblieft niet doen Piet.’ Er ontstond een kennelijk traditionele vader/zoonachtervolging rond de keukentafel.

Intussen was Ludo ook weer binnen komen wandelen. ‘Die lul is me ontsnapt,’ meldde hij droogjes.

‘Ik geloof het ook,’ knikte Houb. Vervolgens sloegen ze samen rustig, het naar een dans neigende tafereel, gade.

De rondjes rond de tafel kregen een verrassende wending, toen de jongen opeens de tafel omtrok. Alle overblijfselen van de lunch zoals borden, koppen en zelfs een grote steelpan vol jus en spekresten kletterde op de grond. De jongen had nu de tafel bij twee poten vast en gebruikte hem als een soort schild om de vader af te weren. ‘Kom maar op ouwe klootzak!’ schreeuwde hij.

Houb en Ludo zagen pa de aanrechtkast opentrekken. ‘Miljaardeju, dit wordt leuk,’ veronderstelde Ludo. Houb zag er de lol ook wel van in, maar zocht wel een beetje beschutting achter zijn assistent.

Vader Piet pakte in één beweging alle tafelmessen uit de bestekbak en begon als een circusartiest de messen één voor één te gooien in de richting van zijn zoon. Deze wist de aanval met behulp van de tafel perfect te pareren. Ondertussen krijste de moeder heel haar stem hees met de woorden: ‘Piet, niet doen! Niet doen Piet.’

Houb en Ludo bleven er bijna in.

‘Moeten we niet eigenlijk niet ingrijpen, Houb?’ vroeg Ludo laconiek.

‘Nu al ingrijpen Ludo?’ reageerde Houb stoïcijns, ‘We zullen het eerst een tijdje aanzien.’

Ze wachten even tot de messen op waren om dan een bemiddelingspoging te doen, maar pa begon doodleuk aan de vorken. Na de vorken volgden de lepels, een knoflookpers, een blikopener, een kaasschaaf en als toetje een levensgroot vleesmes. Dit laatste voorwerp bleef in de tafel geprikt staan. Nu vond Houb het welletjes. Ervan uitgaand dat de munitie inmiddels wel op was, gaf hij Ludo een seintje en samen doken ze op de varkensboer om hem vervolgens op de grond te werken. De man hijgde en steunde als een varkensbeer die net zeven zeugen had afgewerkt.

‘Doe normaal idioot!’ siste Houb in zijn oor. Hij duwde de man met zijn gezicht stevig tegen de tegels van de keukenvloer terwijl Ludo zijn knieën op zijn bibs duwde.

‘Nemen jullie hem maar mee, de klootzak,’ hoorden ze de jongen zeggen. ‘Zo niet, dan ben ik hier weg.’ Hij begon vervolgens keihard te schreeuwen: ‘Godverdomme, ik wil helemaal geen varkensboer zijn. Val dood met je kutvarkens. Het is altijd wat: dan weer is er een big dood, dan zijn de prijzen niks, dan zit de giertonsproeier weer verstopt met dat stomme stro dat je altijd tussen de zeugen gooit. Ik herhaal het nu: ik blijf geen varkensboer. Zoek het zelf maar uit. Ik wil weer naar school. Ik wil dansleraar worden! Ik herhaal: ik wil dansleraar worden!’ Hij viel zijn moeder weer huilend om haar nek. ‘Jij zou het wel goed vinden hè mama. Hè lieve mama. Wij zouden toch samen naar de open dag van de dansacademie gaan, hè. Maar je durfde niet hè, omdat pa dan weer…’

De moeder suste hem eerst en zei toen tot ieders verrassing: ‘We gaan hier weg Paul en wel nu. Kom op, ik heb het gehad.’ Ze liep naar haar man die nog steeds door de Houb en Ludo in bedwang werd gehouden en brulde in zijn oor. ‘Hoor je het Pietje sukkel! Wij zijn hier weg! Ik herhaal: wij zijn hier weg!’ Ze pakte haar zoon bij zijn arm en trok hem mee naar buiten.

Houb en Ludo moesten alle zeilen bijzetten om de man aan de grond te houden. Houb had geen medelijden met hem. Voor zijn part kreeg de man per direct een hartstilstand. Buiten klonk het geluid van een wegscheurende auto. Ludo grijnsde.

Het duurde wel tien minuten voordat de man was bedaard. Houb had geen zin om er verder nog energie in te steken. ‘Wij zijn dan ook maar weg, Ludo’ zei hij toen ze na het loslaten van de man weer recht stonden. Hij pakte zijn kompaan bij de arm en liep met hem de gang uit. Achter hen bleef de man zwijgend op de vloer liggen.

Buiten schoten beide speurders in de lach. ‘Het is me wat,’ zei Ludo, ‘ik durfde niet meer over Tatort te beginnen.’

‘Je kunt zo wat meemaken,’ zei Ludo. Houb pakte zijn mobiel en belde de GGZ.

 

Het allerlaatste huis van de straat was geen boerderij. Het betrof een klein wit optrekje dat eerder dienst leek te doen als vakantiehuisje. Door de vele struiken en bomen voor de deur was het vanaf de weg maar amper te zien. Voor Houb een kans om eerst subtiel een plasje te doen tegen, een daarvoor in zijn ogen, zeer geschikte boom. ‘Zo, dat lucht op,’ zei hij opgewekt toen zijn blaas geledigd was.

‘Fijn,’ zei Ludo en hij drukte op de bel. De ogen van beide mannen werden aangenaam verrast toen de deur openging. Voor hen stond een bloedmooie jonge blonde vrouw gekleed in een koket stewardessenpakje. Het zag er allemaal wel heel erg sexy uit. Ludo liet een veelbetekenend kuchje ontsnappen. Zijn ogen vielen bijna uit zijn kassen.

De vrouw keek de mannen beurtelings een beetje twijfelend aan. ‘Jullie zijn met tweeën?’ klonk het verbaasd met een Oostblokaccent.

‘Zoals u ziet me..mevrouw,’  begon Ludo, ‘z..zijn we niet alleen.’ Hij hakkelde van opwinding.

‘Ikke zien ja, u met twee ja,’ zei de vrouw, ‘dat niet afspraak toch?’

‘Hè,’ zei Ludo. Hij keek naar Houb. Deze was zo druk bezig met het observeren van de vrouw dat hij er maar amper erg in had wat er gezegd werd. Hij schrok op toen hij bemerkte dat Ludo en de vrouw hem allebei aanstaarden. ‘Wat is er? Waar hebben jullie het over?’ zei hij beduusd. Hij merkte dat hij bloosde.

‘De mevrouw zegt iets over een afspraak Houb,’  verduidelijkte Ludo, ‘heb jij iets met haar afgesproken Houb?’

Houb lachte zenuwachtig. ‘Euh nee, hoezo, nee toch…’

De vrouw keek hen beiden om beurten een tikje spottend en indringend aan.

Houb schraapte een keer luid zijn keel en zei: ‘Volgens mij is er een misverstand mevrouw. Wij hebben helemaal geen afspraak met u.’ Hij pakte zijn pasje. ‘Wij zijn van de politie. Mijn naam is Houb, hoofdinspecteur Houb met O U en een B. Dit is mijn assistent Ludo.’

Nu leek de vrouw plots heel zenuwachtig: ‘Politie? Ik niet weten. Ik niets verkeerd doen toch?’

Ludo trok een vriendelijke glimlach naar de vrouw: ‘U hoeft niet bang te zijn hoor mevrouw. Het gaat niet om u. Het gaat om de verdachte dood van een boer hier uit de buurt. Ik weet niet of u er iets van mee hebt gekregen?’

‘Boer dood? Ik niet weten. Ik niks mee te maken. Ik hier pas woon. Ken niet boer. Ikke niet weten.’ Ze keek onrustig rond. ‘Maar als jullie niet erg vinden. Ik heb zo direct afspraak, een visite, dus…ikke niet leuk vind dan politie op stoep, begrijpen u.’

Houb en Ludo knikten allebei begrijpelijk. Houb vond het geen pas geven om nu nog over Tatort te beginnen. Ludo dacht hier kennelijk anders over. ‘Nog één vraag, mevrouw,’ zei hij snel voor ze eventueel de deur dicht zou gooien, ‘weet u misschien dan wel wie Tatort is?’

De vrouw zwaaide hulpeloos met haar armen. ‘Ikke niet weten, ikke niet weten niks!’

‘Kom, wij zijn weer weg, ’ redde Houb haar, ‘het is ons duidelijk. Bedankt voor uw medewerking. Tot ziens en nog een prettige dag.’

‘Hetzelfde jullie ook,’ zei de vrouw. Ze drukte de deur dicht.

‘Miljaardeju,’  zei Ludo toen ze de oprit afliepen

Houb lachte. ‘Inderdaad miljaardeju,’ zei hij.

Het buurtonderzoek zat erop. Ludo mocht van Houb thuis alvast de Tour gaan kijken. Zelf besloot hij eerst de gaffel ter onderzoek naar Huijgebaard te brengen om dan op een later tijdstip in te schakelen. Hij schatte in dat hij de finish wel zou halen.

 

‘Wat zijn je plannen voor morgen, schat?’ vroeg Josefien aan haar Houb tijdens het avondeten.

‘Beste schat,’ zei Houb, terwijl hij probeerde een rookworst doormidden te delen, ‘morgen moet ik werken. Ik ga met de Ludo naar de uitvaart van die vermoorde boer. Even kijken van: ‘who is hot en who is not,’ begrijp je. Ben benieuwd overigens hoe dat gaat met die dozen in de kerk. De boerin heeft die vermalen boer niet in een normale kist geduwd, maar verdeeld over drie dozen. Praktisch en goedkoop.’

‘Leuk,’ glimlachte Josefien. Ze keek Houb verliefd aan. ‘Wat ben je toch al een hele detective. Ik ben zo trots op je.’

Houb gaf haar het grootste stuk van de rookworst.

Ondertussen lagen drie zakken karbonaadjes in zijn auto te verpieteren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VII

 

Alle mensen in de kerk gingen staan bij het rinkelen van een belletje, zo ook Houb en Ludo, die de achterste bank tegen de zijmuur hadden ingenomen. De overkoepelende pastoor schreed met twee hulpjes door het middenpad naar achter om de overledene binnen te leiden. Houb zag hoe de pastoor zenuwachtig met zijn rechtermondhoek trok. Na een korte pauze trok uiteindelijk de stoet binnen. Onder de klanken van het nummer Thank God i’m a country boy van John Denver verscheen achter bloemendragende familie en kennissen een karretje met daarop drie dozen van verschillende afmetingen, allen netjes ingepakt in bruin kaftpapier. Houb stootte Ludo even aan. ‘Die grootste doos is denk ik van de breedbeeldtelevisie,’ fluisterde hij, ‘dan hebben we volgens mij de stoomreiniger van de Aldi en als laatste – die kleinste doos – de elektrische barbecue, gekiend met de befaamde Koningedag.’

‘Prima research Houb,’ vond Ludo.

Als het één van de acht was geweest had ik drie vette prijzen in de wacht gesleept, dacht Houb.

De mannen probeerden zo min mogelijk te gniffelen. ‘Kijk hoe zenuwachtig de pastoor is,’ fluisterde Houb, ‘die dozen trekt hij maar amper.’

‘Wat dacht je van de muziek,’ hikte Ludo.

Verder viel het de mannen op dat er één drager gemist werd aan de linkerkant. Natuurlijk droegen ze niet echt, maar duwde ze met één hand het karretje verder. Hoe dan ook, het was een raar gezicht dat er aan één kant maar drie liepen en aan de andere kant maar twee.

‘Zou dat eigenlijk familie zijn, die dragers?’ vroeg Ludo zich af.

‘Zou kunnen,’ zei Houb, ‘het is in ieder geval niet van een uitvaartmaatschappij of zo. Die komen hier niet aan te pas. Mevrouw Klavermans heeft daar het geld niet voor over. Wie de afwezige is, kan misschien voor ons best wel interessant zijn.’

Nadat alles was geïnstalleerd gingen de mensen weer zitten en begon de pastoor zijn mis. Iets wat hij zeer theatraal deed met vele gebaren en heftige intonaties. Links en rechts stonden zijn twee hulpjes in hun bleke gewaden een beetje zinloos voor zich uit te kijken. Net twee kapotte subwoofers, dacht Houb. Hij moest zelf lachen om deze vondst.

‘Waarom lach je?’ vroeg Ludo.

‘Vind jij het niet grappig dan,’ zei Houb.

Ludo kreeg ongeveer de slappe lach. Houb vond het toch wel een beetje gênant.

Verder was het een korte saaie mis. De pastoor hield een korte preek, waarin de eenvoudigheid van Dré centraal stond. Ook zijn werklust werd geprezen. Hij sprak verder van het lot, dat Dé had getroffen. ‘Een vreselijk ongeluk, het verliezen van het evenwicht met desastreuze gevolgen. Zo werd Dré uit het leven weggerukt,’ aldus formuleerde hij het. Vanuit een paar hoeken klonk wat geroezemoes. Houb en Ludo keken elkaar veelbetekenend aan.

Hierna mochten de subwoofers elk een korte lezing doen. De volgende die ten tonele verscheen was een twintigjarig nichtje met de illustere naam Madelief die vertelde hoe ze vroeger met oom Dré samen de koeien mocht voeren. En hoeveel ze van Dré had geleerd over koeien, wat ze zeer interessant had gevonden. ‘Door ome Dré,’ zo eindigde ze haar betoog, ‘ben ik me gaan interesseren voor met name boerderijdieren en ik ben hem daar erg dankbaar voor. Het is mijn leven geworden, zeker nu ik toegelaten ben voor de studie dierengeneeskunde in Utrecht. Bedankt ome Dré.’ Ze bleef vanaf het spreekgestoelte even voor zich uitkijken alsof ze een applaus verwachtte. Na twee kuchjes uit de menigte liep ze uiteindelijk toch met klakkende pumps terug naar haar bank ergens halverwege het middenpad.

Stomme zichzelf belangrijk vindende trut, dacht Houb.

‘Lekker wijf,’ fluisterde Ludo.

Uit de luidsprekers ontsnapte nu de klanken van Guus, kom naar huus van Alexander Curly.

Het moet niet gekker worden, dacht Houb. Hij voelde dat hij pijn in zijn rug kreeg van de harde houten bank. Hij keek in het misboekje hoever ze al waren. ‘Gelukkig, we zijn al voorbij de nietjes,’ zei hij ter info in Ludo’s oor.

Ludo, die even in gedachten verzonken was, schrok op. ‘Wat is er?’ vroeg hij veel te luid.

‘Ssst,’ siste Houb met zijn vinger voor zijn mond. Ludo hield verschrikt stil. Hij is nog steeds met zijn gedachte bij die Madelief, dacht Houb. Hij betrapte er zichzelf op dat hij de naam Madelief een erg hitsige naam vond. Waarom, wist hij niet, maar hij vond het veel lustopwekkender dan bijvoorbeeld Wendy. Hij ging even bij zichzelf na of hij vroeger ooit een vriendinnetje had gehad die Madelief heette. Dat zou dan eventueel een verklaring kunnen zijn voor het hitsig vinden van deze naam. Hij liet al zijn pubervriendinnetjes voor zijn geestesoog passeren maar geen van hen heette Madelief. Er zaten wel een Margriet en een Marjolijn tussen, wat ook plantennamen waren. Misschien dat hij het daarmee associeerde. Vooral Margriet sprak hem nog tot de verbeelding. Hij had haar ooit versierd tijdens het carnaval toen ze verkleed was als Roodkapje. De relatie had maar één uur en tweeënveertig minuten geduurd, maar hij kreeg het er nou nog warm van.

Houb schrok op uit zijn gepeins, toen het Guus kom naar huus op een hele abrupte manier werd weggefaded en het ineens weer stil was. ‘Slechte diskjockey,’ mompelde hij.

De instemmende knik van Ludo ging gepaard met een hele grote gaap.

De overkoepelende pastoor kondigde de collecte aan en vertelde de aanwezigen dat er geen bidprentjes waren. ‘De weduwe vond dat niet nodig. Ze wil jullie de mogelijkheid geven Dré  te herinneren zoals jullie hem zelf willen herinneren,’ zei hij heel overdreven articulerend. Hij was het er duidelijk niet mee eens.

‘Mevrouw Klavermans geeft geen cent teveel uit,’ concludeerde Ludo.

‘Het is een krent,’ zei Houb, ‘dan maar geen bidprentje. Ik herinner me hem liggend op de tafel van vriend Huijgebaard. Althans een gedeelte van hem.’

Ludo grinnikte. Hij grinnikte veel te luid. In de bank aan de andere kant van de loopgang keek een lelijke vrouw geïrriteerd toe. Ze deed Houb aan iemand denken, alleen wist hij niet aan wie. Toen de vrouw weer voor zich uit keek, loerde Houb nog een keer goed. Plots dacht hij het te weten. Het is de zus van Dré, dacht hij. Ze heeft dezelfde aftandse neus, alleen die van haar loopt nog. Hij moest in zichzelf lachen om deze melige gedachte. Hij bekeek haar nog een keer goed en boog vervolgens een keer naar voren om te kijken wat voor iemand naast haar zat. Hij ving een glimp op van een dikke man in een vaalgroene blouse met een leren giletje. Een beetje een fout type. Hij gaf Ludo een por. ‘Kijk daar naast ons in die bank, dat zijn de zus van Dré en haar vent,’ fluisterde hij, ‘ik weet het zeker. Ze zitten onopvallend achterin want het was niet zo wit met die Dré, geloof ik.’

Ludo keek en knikte heftig ‘ja’ met zijn hoofd: ‘Zeker weten Houb, dat is een zus van Dré. Miljaardeju, dezelfde lelijke kerstmannenfok.’

Als collectenummer hadden ze intussen Brabant van Guus Meeuwis opgezet. De naderde man met het collecteding leek het liedje gewoon mee te neuriën. Houb vond het een mooi beeld. Hij trok zijn portemonnee, pakte zelf een euro, gaf Ludo een muntje van vijftig en fluisterde: ‘Hier, gierige schooier.’

‘Klootzak!’

Met tikkende geluiden verdwenen de muntjes in de collectebak. Het was nog zo’n ouderwets ding met zo’n steel, zodat hij bediend kon worden vanaf de zijkant. Houb knikte een keer vriendelijk naar de man aan de andere kant van de steel. Hij vond dat dat zo hoorde.

‘Zo, kan meneer pastoor weer een keer naar de hoeren,’ gniffelde Ludo.

‘Grapjas,’ zei Houb. Hij vond het tijd worden dat Ludo een keer van bil ging. Hij was zo met die dingen bezig. Hij vroeg zich af of Ludo ooit naar de hoeren ging. Hij besloot van niet. Ludo had dat niet nodig, dacht Houb. Die duikelt zo nu en dan in de kroeg wel iets op. Eén ding moest hij Ludo meegeven. Het was geen lelijke vent. Maar hij was natuurlijk ook een stuk jonger dan Houb. Houb realiseerde zich dat hij zich dat niet altijd realiseerde.

Na het geijkte katholieke gezwam volgde de communie. Een mooie gelegenheid, dacht Houb, om voorin de kerk een keer te koekeloeren. Terwijl Ludo als een afvallige gelovige bleef zitten, schuifelde hij achteraan de lange rij mee naar voren. Er werd een nummer gedraaid van André Hazes. De woorden ‘want zij gelooft in mij, zij ziet toekomst voor ons allebei’ galmden door de kerk.

Welke toekomst, dacht Houb. Straks in drie dozen de oven in en dat was het. Hij dacht aan André Hazes die ook allang dood was. Hij was benieuwd wie André Hazes ging doen tijdens het smartlappenfestival voor gehandicapten. Want dat er een André Hazes tussen zou zitten straks, dat wist hij zeker.

Hij was vooraan in de kerk gearriveerd waar de overkoepelende pastoor himself zijn rij aan het bedienen was. Hij maakte er een hoop gedoe van Bij elke hostie sloeg hij zwaar overdreven een kruisje.

Aansteller, dacht Houb.

De pastoor keek hem met een rare blik aan terwijl hij met hem bezig was. Hij leek wel een beetje van zijn a propos te zijn. ‘Lichaam van Dré,’ prevelde hij.

‘Het is Christus,’ fluisterde Houb om weer snel om te draaien. Hij keek even naar de voorste bank en zag dat er behalve Trees nog twee stellen zaten. Zusters van Trees of zo, dacht hij. Toen pas viel hem op dat Tinus naast Trees zat en jawel hoor: hij hield innig haar hand vast. Trees en Tinus zijn een item, dacht Houb, bijzonder interessant. Terwijl de hostie plakkend tegen zijn gehemelte begon weg te smelten, arriveerde hij weer bij zijn plek. Nu vond hij het wel genoeg worden, zo’n mis. Hij werd op zijn wenken bediend want echt lang duurde de dienst niet meer. Alleen het bewieroken van de drie dozen zorgde nog voor het nodige oponthoud. Met het wierookvat slingerde de pastoor theatraal in het rond alsof hij bezeten was. Hierbij raakte hij bijna een keer de twee hoofden van zijn subwoofers. Het was een idioot gezicht: drie dozen in kaftpapier waar een pastoor gehuld in rook omheen danst en twee wegduikende subwoofers.

Houb vond het allemaal wel erg vermakelijk. ‘Niet te geloven,’ hikte hij zacht.

‘Zesendertig keer heeft hij rondgezwaaid,’ zei Ludo die het had geteld.

Nadat alle kerkgangers onder de klassieker Waarheen, Waarvoor achter het ‘circus Jeroen Bosch’ naar buiten waren gelopen, bleven Houb en Ludo achter in een lege kerk.

‘En nu? Naar het crematorium?’ vroeg Ludo.

‘Geen denken aan,’ zei Houb, ‘ik heb genoeg gehad. Kom we loeren even door de grote deur. Ik ben benieuwd hoe ze die dozen in de auto laden.’

Houb kon zijn ogen niet geloven. De dozen werden doodleuk achter in een bestelautootje geschoven met het opschrift ‘www.slagerijsnijders.nl. Voor al uw vers vlees!’

‘Zeer toepasselijk, zoiets verzin je niet,’ grinnikte Houb. Ludo zei niet veel. Houb keek even opzij en zag hoe deze met zijn gedachte bij het achterwerk van het frivole nichtje Madelief was, die voorover gebukt nog wat bloemenkransen achter in het bestelautootje aan het leggen was.

Houb gaf hem een flinke por in zijn zij. ‘Opletten Ludo,’ zei hij.

‘Dat doe ik.’

Houb hield zijn handen voor Ludo’s ogen. ‘Wat heb je gezien politieagentje? Vertel het me.’

‘Miljaardeju Houb, doe die hand weg. Jonge jonge, die billen van dat wijf. Miljaardeju, ik zou er zo opspringen!’ Hij duwde Houb zijn hand weg. ‘Miljaardeju!’

‘Daar moet je kijken Ludo,’ wees Houb, ‘dat opschrift van die auto.’

Nadat Ludo had gekeken, bleef hij er zowat in. ‘Ik wil mee naar het crematorium Houb, Ik wil mee naar het crematorium!’ joelde hij. ‘This is fun.’

‘Wij blijven hier Ludo, hier wordt het ook leuk,’ zei Houb veelbetekenend. ‘Kom maar eens mee. We gaan meneer pastoor eens aan de tand voelen.’

Hij legde zijn vinger tegen zijn lippen en dirigeerde Ludo mee achter het gordijntje van een biechtstoel. Van daaruit hoorden ze de pastoor met zijn twee subwoofers weer binnen komen. ‘Hoe vonden jullie het gaan?’ hoorden ze de pastoor vragen.

‘Het ging toch goed Karel. Vooral de bewieroking is nog nooit zo goed gegaan,’ zei de éne slijmerig.

‘Ja dat was geweldig Karel,’ zei de ander, ‘alles stond blauw man. Je bleef maar aan het zwieren. Echt heel indrukwekkend. Alleen moesten wij een keer wegduiken omdat we het vat bijna tegen onze hoofden kregen.’ De drie mannen lachten. Vervolgens hoorde ze de pastoor nog zeggen: ‘Zo, nu gauw die jurk uit, dan ga ik straks mooi op de bank de Tour kijken. Dat is dan het voordeel van cremeren. Maar verder mijne God, cremeren doe je toch niet. En dan die dozen….Verschrikkelijk. Eigenlijk had ik…’

De stem ebde weg nadat een deur werd dichtgeslagen.

‘En nu?’ fluisterde Ludo.

‘Nu wij,’ zei Houb.

Beide mannen liepen het kamertje in waar de pastoor en zijn subwoofers zich inmiddels aan het omkleden waren. De pastoor stond letterlijk in zijn hemd. Het was een vies hemd met een geelachtige vlek in het midden. Van het masturberen, dacht Houb.

‘Wat komen jullie hier doen?’ snauwde de pastoor ongemakkelijk. Zijn hoofd liep al een beetje rood aan.

‘Meneer Pastoor,’ begon Houb, ‘wij zouden u graag even willen spreken. Vertrouwelijk onder vier…euh zes ogen als het kan.’

‘Dan zal je even moeten wachten, tot mijn heren zich omgekleed hebben,’ bromde de pastoor.

‘Wij hebben de tijd,’  zei Houb. Ludo begon lipbijtend de muren te bekijken. Hij bleef er bijna in.

Om één of andere reden kregen de subwoofers plotseling haast. Ze vonden het zelf kennelijk not done om geen haast te maken. In een mum van tijd hadden ze hun normale kloffie weer aan en stonden ze in de opening van een achterdeurtje. ‘We horen het wel Karel, wanneer er weer een dooie is,’ zei de linkersubwoofer nog.

‘Bedankt mannen,’ mompelde de pastoor. Hij stond nog steeds in zijn hemd. Hij was zichtbaar zenuwachtig. ‘Nou mannen, vertel het maar eens,’ zei hij.

Houb was recht voor hem gaan staan. ‘Mijnheer pastoor, een simpele vraag: weet u wie Tatort is?’

‘Hè?’ klonk het verbaasd. ‘Euh… geen flauw idee… of jawel, dat is een Duitse politieman, geloof ik. Ja, zoiets als Baantjer, maar dan een Duitser.’

‘Bijna goed,’ zei Houb, ‘het is de titel van een Duitse politieserie. Er lopen veel figuren in rond maar vooralsnog is het ons onduidelijk wie dan eigenlijk Tatort is. Ik dacht: misschien weet u het. Maar goed, maakt niet uit. Weet u: bij Tatort stellen ze mensen ooit vragen. Dat ga ik nu ook aan u doen, meneer pastoor. Mijn vraag luidt als volgt: ‘waar was u afgelopen dinsdag tussen pakweg één en vier in de middag?’

De pastoor krabde bijna tot bloedens toe met zijn nagels over zijn linkervetrol die onder zijn hemd uitkwam. Toen hij klaar was met even nadenken evolueerde de kleur van zijn hoofd plotseling van rood naar paars. ‘Daar heb jij godverdomme geen zak mee te maken!’ Hij schreeuwde het uit. Houb en Ludo schrokken ervan.

Rustig blijven nu, dacht Houb, ik heb hem zo waar ik hem hebben moet. ‘Daar hebben wij wel mee te maken meneer pastoor,’ reageerde hij kalm, ‘wij zijn van de politie en wij zijn een moordzaak aan het onderzoeken. Om u uit te sluiten als verdachte zouden wij graag hebben dat u ons een alibi verstrekt.’

‘Schandalig! Ik een verdachte? Ik ben pastoor godverdomme. Waar slaat dit op? Ik zal eens een klacht indienen, begrepen? Nondeju, wat zullen we nou beleven!’

Houb bleef rustig. ‘Oké, mijnheer pastoor. Ik zal er dan geen doekjes om winden. U bent die middag een paar keer in de buurt van de plaats delict gesignaleerd met een spiegelzonnebril en een Steyrpetje. Kunt u me uitleggen wat u daar deed?’

‘Wat…wat? Er zijn zoveel mensen met een Steyrpetje en een spiegelzonnebril. Ik ben daar helemaal niet geweest. Ik kom bijna nooit in die buurt.’

‘U weet het zeker? De halve buurt meende toch ook een wit boordje te hebben gezien.’ Houb gaf Ludo die zich schuin achter de pastoor bevond, een knipoog. Deze trok veelbetekenend zijn wenkbrauwen omhoog. Toch snap je het nog niet Ludo, dacht Houb.

De pastoor begon een beetje te ijsberen. ‘Ja, natuurlijk, weet ik dat zeker. Jezus, hou eens op met die flauwekul. Ik heb nog meer te doen.’

Houb trok een gemene grijns op zijn gezicht. ‘De Tour de France kunt u vergeten, als u niet met ons onderzoek meewerkt. U kunt nu zeggen waar u die dinsdag was of bent geweest. Zo niet, dan ben ik genoodzaakt u in verzekering te stellen. Dat grapje kan een dag of drie duren. U kunt nu ook gewoon praten, dat scheelt een hoop tijd en gedoe. Dus uw lot ligt in uw eigen handen meneer Pastoor, of mag ik Karel zeggen.’

De pastoor ontplofte nu helemaal. ‘Voor jou is het meneer pastoor begrepen! En voor die klootzak hier achter me ook!’ Hij gaf Ludo een flinke por met zijn elleboog. ‘En nu wieberen allebei. Opsodemieteren ja. Dit is het huis van God. Daar horen ratten als jullie niet thuis. Alle ratten hadden moeten verzuipen tijdens de zondvloed. Noach had ze nooit mee moeten nemen op zijn ark. Godverdomde klootratten allebei!’ Hij werd helemaal hysterisch en vloog Houb letterlijk aan. Van achteren pareerde Ludo de aanval. Hij omklemde de pastoor en trok diens arm naar achteren. ‘Rustig mijnheertje pastoor,’ suste hij, ‘rustig blijven, heel rustig. Hij is braaf, goed zo.’

‘Kare…euh sorry, meneer pastoor,’ zei Houb op gewichtige toon, ‘ ik geloof dat ik u moet arresteren wegens het opzettelijk tegenwerken en bedreigen van ambtenaars in functie. U hebt het recht te zwijgen. Alles wat u nu zegt kan tegen u gebruikt worden of in uw voordeel werken …’

Plotseling koos de pastoor eieren voor zijn geld. ‘Stop en laat los!’ riep hij, ‘ik zal spreken. De waarheid heeft altijd gelijk. De Heer zal me vergeven!’

Ludo liet hem los.

De pastoor begon nu met zijn hoofd naar boven gericht zeer theatraal met zijn armen te zwaaien. Hij trok een huilend gezicht, zodat de krokodillentranen wel op moesten komen draven. ‘Oh mijn heer: ik heb zo gezondigd! Het aardse bestaan ligt vol valkuilen. Ik had het nooit moeten doen. Ik heb berouw Heer, oh Heer ik heb berouw. Ik wil de gesel van de boete voelen. Ontzie mij niet Heer. Dit is mijn grote biecht. Geen biechtstoel is groot genoeg voor mij. Aanschouw dit verachtelijke wezen, oh Heer!’ Hij deed alsof hij de hoofdrol had in zo’n oubollig Shakespearegedoe. Hij deed er nog een schepje bovenop door zijn ogen half dicht te knijpen, alsof hij in een soort trance geraakte. Het publiek, bestaande uit Houb en Ludo, was zeer onder de indruk. Houb deed de deur naar de kerk open om nog wat extra galmeffect te genereren.

De pastoor vleide nu zelfs neer op zijn knieën. De tranen biggelden over zijn wangen. ‘Vergeef mij Heer en hoor mijn zonden. Het vlees is zwak, mijn Heer. Ik heb toegegeven aan vleselijke lusten. Ik ben gezwicht voor de geneugten des levens. Het gevaarlijke andere geslacht mijn Heer. Ik heb het celibaat geschonden. Mijn eer is om zeep. Help mij Heer. Help mij, oh mijn God!’ Hij zat nu met zijn neus tegen de plavuizen aan.

‘Vertel alles meneer pastoor, gooi het er maar uit!’ riep Houb, ‘gooi het er maar uit! Kom, waar vond de zonde plaats?’

‘Op de Koepadweg! Svetlana…oh Svetlana, u zult me nooit meer zien, gij onreine vrouw. Het vagevuur zal u verslinden. De grootste zonde haalt u uit de man. God zal mij vergeven. De hemel staat voor mij open. Mijn biecht is gedaan.’

Ludo zijn mond stond zo open dat hij niet meer dicht leek te gaan.

‘Stop en verman u, meneer pastoor!’ riep Houb, ‘Svetlana, is dat die Poolse vrouw, woonachtig in dat kleine verscholen pandje even voorbij boerderij Klavermans aan de andere kant van de weg?’

De pastoor was weer overeind aan het klauteren. ‘Nee nee,’ zei hij ineens weer op normale toon, ‘Svetlana is geen Poolse, ze komt uit Litouwen. Een Litouwse noemen ze dat geloof ik.’ Hij pakte een nog bijna volle kelk die toevallig nog op een tafeltje stond en dronk hem in één teug leeg. Hierna boerde hij een keer. ‘Zo dat is eruit,’ zei hij.

Houb keek hem zwijgend met een afkeurende blik aan. Ludo besloot maar dezelfde pose aan te nemen.

‘Maar euh, wacht eens even, wat ik deed is juridisch natuurlijk niet strafbaar.’ Er klonk nu een bepaalde triomf in de pastoor zijn stem door. ‘Kijk, met God heb ik dat akkefietje zojuist al geregeld volgens mij. Hahahaha, het is niet strafbaar wat ik doe. Jongens opzouten. Verifieer mijn alibi maar bij die hoer van een Svetlana. Ga anders nog een leuk spelletje met haar doen, ik raad het ten zeerste aan, en laat me met rust. Vort, wieberen! Oh ja en ik dien zeker een aanklacht tegen jullie in!’

Houb wenkte Ludo om mee te gaan. ‘We gaan het helemaal na, meneer pastoor.’ Vervolgens zei hij laconiek in de deuropening: ‘ Mag ik u er overigens op wijzen dat het bezoeken van een illegale prostituee strafbaar is. Enfin we komen er wel uit.’  Hij beende een paar meter achter Ludo aan de kerk in en beperkte toen enigszins zijn snelheid om te horen of de pastoor hierop nog een reactie had.

Die had hij nog: ‘Haha dat zal wel, wie zegt dat ik haar ervoor betaald heb? Het was liefde! Wie zegt overigens dat het een hoer is!’ Het galmde door heel de kerk. De laatste twee woorden werden echter bijna overstemd door de klok die één uur luidde.

Censuur van God, dacht Houb.

 

‘Jezus Houb, wie had dat ooit gedacht. Ongelooflijk,’ zei Ludo op weg naar de Multipla die noodgedwongen maar liefst een tweehonderd meter verder langs de weg stond geparkeerd.

Houb glimlachte: ‘Voor mij was het allang duidelijk Ludo. Ik wist meteen waar de klepel hing toen die Svetlana de deur opendeed. Dat in combinatie met een vermomde pastoor. Eén en één is twee.’

‘Je bent geniaal Houb!’ Ludo glunderde er zelf van.

Houb staarde op zijn gsm die hij net weer had aangezet en zag dat Theo van Grensstreek TV tijdens de mis had gebeld. Hij besloot meteen even terug te bellen. Uiteraard wilde Theo weten hoe het nu zat met de ‘verongelukte’ boer. Hij had al zoveel geruchten gehoord.

‘Houd het er maar op dat er volgens ons, politie, vermoedelijk sprake is van een misdrijf,’ formuleerde Houb, ‘verder kan ik in het belang van het onderzoek geen nadere mededelingen doen. Maar even iets anders Theo wat jullie misschien interesseert. Heel het dorp hier is in rep en roer vanwege het feit dat de overkoepelende Kempenpastoor met de regelmaat van de kerkklok hier een inwoonster bezoekt om er seks mee te hebben. Verder weet ik ook geen details. Volgens geruchten betaalt hij voor die seks en gebruikt hij daarvoor geld uit het collectepotje. Let wel Theo, het zijn mijn woorden niet. Het zijn geruchten. En je weet het Theo: waar rook is, is ook vuur. Dus pak die camera en eventueel die Joyce en ga erop uit. Jonge jonge, je beelden zullen dragen tot ‘Hart van Nederland!’

Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn gevolgd door een: ‘Jezus Houb….’

‘Dat bedoel ik Theo,’ zei Houb, ‘veel succes ermee! De groeten aan Joyce, ook namens mijn collega Ludo en doei.’ Hij hing op.

Ludo schudde zijn hoofd. ‘Jezus Huub,’ prevelde hij. Hij schudde nogmaals met zijn hoofd en bedacht toen: ‘Ja Houb…leuk dat pastorengedoe, maar qua moordonderzoek zijn we natuurlijk niks verder gekomen.’

‘Ludo jongen, je valt me tegen.’

Ludo staarde verbaasd zijn mentor aan.

‘Het is toch duidelijk Ludo. De pastoor is in ieder geval niet de moordenaar.’

Ludo kreeg een rood hoofd. ‘Natuurlijk Houb, stom van me. Jouw genialiteit is ver boven het mijne verheven, miljaardeju!’

‘Precies,’ zei Houb.

 

Houb deed de achterklep van de Multipla open en gooide zijn trenchcoat achterin. Ludo deed hetzelfde met zijn leren jasje.

‘Tja,’ zei Houb, ‘het is nu in de zomer toch veel te heet met die jassen. Weet je wat: we doen voorlopig met zo’n weer een wit overhemd aan met een nette stropdas. Wel een mooie zwarte pantalon en zwart colbertje erbij natuurlijk. Een zwart kostuum heb je dan in feite. Barnaby en Jones uit Midsomer Murders hebben dat ook, geloof ik. Wat vind jij, Ludo?’

‘Mmm,’ ik vind het wel erg Blues Brothers met jou als die dikke, maar oké. Een zwart pak heb ik nog wel ergens in de kast hangen dus.’

‘Mooi, volgende week nieuwe look dus, en verder…’ Houb onderbrak zichzelf met een neus ophalende actie. ‘Gedver, wat ruik ik toch?’ mompelde hij. Plotseling viel zijn oog op drie vergeten ranzige diepvrieszakjes met de karbonaadjes. Hij pakte ze op en gooide ze voor de voeten van Ludo. ‘Moet je zien, gedver… Hebben ze wat stukken Dré achter in mijn auto gegooid.’ Hij keek hoe Ludo lijkwit werd en naar een nabijgelegen plantsoen wankelde. ‘Stop, niet kotsen Ludo!’ riep hij snel. ‘Het is een grapje. Het zijn gewoon drie karbonaadjes die ik heb gekregen van…euh die ik heb vergeten uit de auto te pakken. Stop, niet kotsen.’

Hij was net op tijd. Ludo haalde een paar keer diep adem en wandelde iets minder wankelend terug. ‘Miljaardeju klootzak met je letterlijk misselijkmakende grapjes,’ gromde hij. Zijn gezicht kleurde weer wat roder.

Houb besloot, nadat hij de karbonaadjes toch maar in een gemeentelijke vuilnisbak had gedeponeerd, het goed te maken met Ludo door hem te gaan trakteren op een pint op het terras aan de andere kant van de weg.

Terwijl ze de weg overstaken zagen ze dat de enige twee mensen die er al zaten bekenden waren en wel de vermeende zus en schoonbroer van Dré.

‘Wel wel, dat treft,’ zei Houb in Ludo’s oor, ‘nu worden we misschien weer wat wijzer.’

Ze knikten goedendag naar het stel en namen plaats. Nadat ze de kastelein een pint en een cola light hadden laten brengen, besloot Houb expres wat standaardopmerkingen behorende bij dergelijke gelegenheid ten toon te spreiden. ‘Hier is het goed, Ludo. Hier is het beter dan binnen. Tjonge jonge, dit is beter dan werken. Mooi weertje, Laat de kastelein maar komen. Er is geen beter leven dan een goed leven, zeg ik altijd maar. Jaja, we komen nooit meer zo jong bij elkaar.’ Ondertussen had hij regelmatig geknipoogd naar zijn maat. Net zoals hij verwachtte kreeg hij een reactie vanaf het andere tafeltje.

‘Ja, zo is het,’ begon de vrouw, ‘geniet ervan, zeg ik altijd maar. Het leven is heel betrekkelijk. Net weer iemand begraven of euh…ze zijn hem nu in ieder geval aan het cremeren. Jullie waren ook in de kerk zag ik.’

Houb en Ludo knikten, maar zeiden niks.

De vrouw begon een beetje te vissen. ‘Jullie kenden Dré ook?’

‘Jaja,’ zei Houb, ‘via ons werk eigenlijk, en u? Ook een kennis?’

‘Nee, hij is of was mijn broer.’ Het kwam er op één of andere manier trots en enthousiast uit.

Houb en Ludo haalde allebei hun beste ‘oh-dat-had-ik-niet-gedacht-gezicht’ tevoorschijn.

‘Is het serieus,’ zei Houb.

‘Jezus, wat erg. Veel erger dan voor ons,’ merkte Ludo op.

‘Ach ja, zo is het leven,’ zei de vrouw met een zucht, ‘maar goed, Dré was mijn enige broer. We waren maar met zijn tweeën thuis. Ik, ik heet Irma trouwens, en onze Dré dan. Ja, jullie vragen je nu natuurlijk af waarom wij niet mee naar het crematorium zijn?’

Houb en Ludo knikten. We hebben er eigenlijk geen donder mee te maken, dacht Houb. Tevens realiseerde hij zich dat ze er in feite wel mee te maken hadden. Hij vond het in ieder geval wel vreemd dat de vrouw ongevraagd haar misères op straat gooide. Maar ja, sommige mensen doen dat nu eenmaal.

‘Dat komt,’ ging de vrouw verder, ‘en daar wind ik geen doekjes om. Dat komt omdat het altijd zwart is geweest tussen Dré en ons, hè Henk.’

De man in de vaalgroene blouse met leren giletje knikte instemmend. ‘Zo is het Irma. En hier kun je ook een bakske koffie drinken. Daarvoor hoef je niet naar het crematorium. Afijn, hij is toch dood.’

‘Precies, dat bedoel ik,’ knikte Irma, ‘luister, begrijp me goed: het is mijn broer en ik vind het erg dat hij niet meer leeft. Maar goed, los daarvan: het verrotte is dat die Trees natuurlijk nu heel de toko erft. Ze is echt op de centen. Had je die dozen gezien? Te zuinig om een fatsoenlijk kistje te kopen. Die Trees, ja. Weet je dat ik haar maar amper ooit gezien heb! Dat is echt zo hoor. Nu is die boerderij helemaal uit de familie. Onze Dré is het allemaal gegund en ons hebben ze nooit mee laten delen. Onze pa, die allang dood is, heeft het toen allemaal met hem bekonkeld. Voor veel te weinig heeft hij de boerderij over kunnen nemen. ‘Ja,’ zei onze pa dan, ‘anders kan onze Dré nooit fatsoenlijk boeren.’ Ons ma is het er nooit mee eens geweest. Maar ja, die had niks te zeggen.’

‘Ja, die dingen hoor je wel vaker,’ zei Ludo. Hij nipte een keer aan zijn pint en veegde zijn schuimsnor weg.

Het bleef een tijdje stil. Iedereen staarde wat naar de straat.

‘Jaja,’ zuchtte Houb maar een keer om de stilte weer te verbreken, ‘zo is het altijd wat.’

Nu vond Henk het kennelijk tijd om zijn zegje te doen. ‘En weet je wat het ergste is mannen,’ zei hij, ‘wat Irma eigenlijk vergeet te vertellen is het gedoe met die cultivator.’

‘Ja, precies! Vertel jij maar Henk!’ Irma krijste het zowat uit.

Henk knikte een keer gewichtig, ging wat rechter zitten en begon als een docent uit te leggen: ‘Ja, die cultivator. Jullie weten toch wat een cultivator is? Hè, zo’n ding voor achter de trekker dat dient om de grond los te maken. Afijn, die hadden ze op de boerderij nog eentje staan. Half weggeroest en in geen jaar en dagen nog gebruikt. Ik geloof dat ze al drie jaar een nieuwe hadden. Zo’n triltandding van het merk Kongskilde, meen ik. Afijn, dat speelde net in die tijd dat Dré en Trees het hele gedoetje over aan het nemen waren. Je weet hoe bekaaid wij daar vanaf kwamen. Afijn, die cultivator, die oude dan, daar deden ze dus niks meer mee, en aangezien ik in oud ijzer handel, werd mij die per gratie Gods gegund. Afijn, ik heb ze dus van die cultivator afgeholpen. Verdomme, ze hielpen nog niet mee om hem op te laden. Daar waren ze te beroerd voor. Ik heb hem gewoon ter plekke in stukken moeten slijpen, omdat hij voor mij te zwaar was. Afijn, ik dat ding toch meegekregen. Begonnen die ouwe en die Dré drie weken later te zeiken waar het geld bleef, terwijl ze van tevoren hadden gezegd dat ik hem voor niks mee mocht nemen. Hè, dan ben je toch hier!’ Hij tikte met zijn vinger op zijn voorhoofd.

Houb en Ludo knikte maar wat instemmend. Hij gebruikt wel vaak het woordje ‘afijn’, dacht Houb.

‘Afijn,’ ging de man verder, ‘weet je wat ik toen deed? Ik liet mijn middelvinger zien en zei: ‘Dikke lul, allebei. Zie het maar als Irma’s part van de boerderij’. Je had ze moeten zien kijken, de klootzakken. Vooral die ouwe. Ik denk dat Dré wel meevalt, maar hij liep zo in het gareel bij die ouwe klootzak. Afijn, je begrijpt dat het sindsdien gedaan was met de pret. Nooit zijn we er nog geweest hè Irm.’

Houb vond Irm een vreselijke afkorting voor Irma. Hij vond overigens dat alles wat de man zei bijzonder irritant uit zijn strot kwam. Wat ben je toch een stomme klootzak, dacht hij. Hij besloot neutraal en luchtig te reageren. ‘Ach ja, zo is het overal wel wat,’ zei hij met een hele diepe zucht, ‘en dat zal altijd wel zo blijven.’ Hij knipoogde naar Ludo, en zei toen plots op strenge toon: ‘Nu mijn verhaal. Ik ben hoofdinspecteur Houb. Houb met O, U en een B. En dit is mijn assistent Ludo.’ Hij toonde zijn politiepasje. Ludo keek een beetje beduusd toe. Deze snelle omschakeling had hij duidelijk niet verwacht.

De oud ijzerhandelaar en zijn vrouw leken niet echt te schrikken. Houb had hun reactie goed bestudeerd na zijn openbaring. Wel keken ze verbaasd.

‘Politie?,’ zei Irma verwonderd, ‘Jezus, hoor je dat Henk. Ze zijn van de politie.’

Henk leunde weer rustig achterover. ‘Politie…ja, dan weet ik het al Irma. Ik heb buiten de kerk ook iets opgevangen dat het schijnbaar geen ongeluk was, maar dat iemand hem een beetje heeft geholpen, zeg maar.’

Houb en Ludo zagen hoe Irma van deze woorden toch wel schrok. ‘Geholpen…?’ stamelde ze verbijsterd, ‘daar heb ik niks over gehoord. Jezus zeg…Wie zou zoiets nu doen? Jezus, dat vind ik wel erg hoor.’

Haar eega begon sarcastisch te lachen: ‘Ha ha, die lieve Trees natuurlijk. Hahaha, heeft ze heel de boerderij om te verkopen en kan ze op de Malediven gaan wonen met haar minnaar. Hahaha, simpel toch… hahhaha, onze lieve Trees.’ Toen hij in de gaten kreeg dat het gezelschap niet meelachte, maar iedereen hem afkeurend aankeek, stokte zijn lach. ‘Euh, ik weet het ook niet, ik maak maar een grapje,’ zei hij ongemakkelijk. Hij begon de grenadine maar wat verder door zijn trappist te roeren.

‘Afijn,’ zei Houb nu, ‘het is waar dat hij ‘geholpen’ is zoals Henk al opmerkte. Om jullie als verdachten uit te sluiten, moet ik toch weten waar jullie die bewuste dinsdag of dinsdagmiddag waren, dus…’

Irma ging woest overeind staan. ‘Dit pik ik niet!,’ schreeuwde ze, ‘dit pik ik niet! We waren misschien niet wit met onze Dré, maar hem laten verongelukken…van je lang zal je leven niet. Zo zitten wij niet in elkaar, verdomme. Je kunt van ons alles zeggen, maar wij zijn geen moordenaars!’

‘Rustig Irm,’ suste Henk, ‘je schreeuwt heel Bergeijk bij elkaar. Meneer Houb bedoelt het zo niet, hij doet ook zijn werk. Maak je toch niet dik. Wij hebben toch een alibi. Ga alsjeblieft weer zitten.’

De kastelein verscheen in de deuropening. ‘Riepen jullie me?’ vroeg hij zogenaamd argeloos, ‘Wilde iemand nog iets drinken?’

Hij komt horen waar het allemaal over gaat, dacht Houb.

‘Wij willen afrekenen hé Henk,’ snibde Irma die niet meer was gaan zitten.

‘Jaja, rustig Irm en ga even zitten,’ zei haar man sussend. Hij richtte zich tot de kastelein: ‘zet er hier eentje van mij neer en doe de rekening maar meteen.’

‘Henk!’ klonk het dreigend.

‘Nog eentje maar Irm. Meneer Houb doet ook zijn werk. Hij wil een alibi en krijgt een alibi.’

Nadat de kastelein de bestelling had opgenomen en Henk al meteen had afgerekend ging Irma weer zitten.

‘Luister Houb,’ zei Henk toen de kastelein weer uit het zicht was, ‘Irma en ik waren die dinsdagmiddag in Bocholt, in België op de camping, Daar hebben wij een stacaravan. Je kunt het navragen. Oké tevreden?’

‘Tevreden,’ zei Houb.

‘De camping in Bocholt,’ mompelde Ludo mijmerend, ‘daar heb ik vroeger met mijn maten veel pinten gezopen.’

Houb besloot het hierbij te laten. Nadat de drankjes waren gearriveerd praatten ze nog wat na over de kerkdienst. Toen het gesprek zodoende belandde bij Nederlandstalige liedjes schoot Houb plotseling iets te binnen. ‘Zeg Henk,’ zei hij, ‘die blouse en dat leren ding van jou zou ik graag kopen, weet je. Ik ben al geruime tijd op zoek naar een dergelijke outfit. Vooral dat leren ding – hoe noem je zoiets, giletje geloof ik – vind ik geweldig! Waar heb je dat toch gehaald? Tja, ik kan slecht vragen of je je kleren hier ter plekke wilt verkopen, maar ik doe het toch.’

Irma en Henk begonnen te schaterlachen. ‘Wat geef je ervoor?’ vroeg Henk vervolgens met een grote grijns op zijn gezicht.

Mijn God, dacht Houb. Hij besloot het te houden bij twintig euro. ‘Voor heel het setje dan hè,’ haastte hij zich erachteraan te zeggen.

‘Verkocht,’ zei Henk. Hij trok het giletje en blouse zo snel hij kon uit en gooide ze naar Houb zijn gezicht. Ludo verslikte zich in zijn pint.

Houb griste grinnikend de kledingstukken bij elkaar en overhandigde de twintig euro. Blij als een kind duwde de man, die alleen nog maar een hemd aanhad, het briefje in zijn broekzak.

‘Weet je wat nu zo grappig is,’ hikte Irma, ‘thuis heeft Henk zo nog zeventienhonderd setjes. Die heeft hij in een partijtje opgekocht.’

‘Precies,’  glunderde Henk, ‘een nieuwe bijverdienste sinds de oud ijzerhandel wat is ingekakt. Met die zooi sta ik elke donderdag op de markt in Valkenswaard. En raad eens wat ik voor zo’n setje vraag?’

‘Geen flauw idee,’ zei Houb onverschillig, terwijl hij een bijna stikkende Ludo op zijn rug aan het kloppen was.

‘Vijftien euro, hahahaha!’ Hij brulde letterlijk van het lachen.

Klootzak, dacht Houb. ‘Leuk,’ zei hij stoïcijns, ‘heb je weer een goeie dag.’

‘Kom Henk,’ zei Irma met een stomme grijns op haar gezicht, ‘dan gaan we het thuis vieren.’

Doe maar, dacht Houb, ga maar naar huis en verdwijn uit mijn leven.

 

Nadat de twee vertrokken waren kwam Ludo weer bij zijn positieven. ‘Miljaardeju Houb,’ zei hij nog naschokkend, ‘niet te geloven: eerst zet je de pastoor in zijn hemd en nu dit stuk onbenul. Hoe doe jij dat toch?’

Houb haalde zijn schouders op: ‘Ach Ludo, het gaat zoals het gaat. Zo is het leven. Ik heb nu een mooi Gratjepak voor je straks. Het leven zit vol verrassingen, idioterieën en niet te vergeten contrasten. Zo zit iemand lachend op het terras, terwijl ondertussen haar broer in de oven ligt.’

‘Verhip Houb,’ zei Ludo, ‘mooi pakje en wat scherp geobserveerd zeg.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Onze Dré zal het nu inderdaad wel warm hebben.’

‘Wij zitten hier ook goed op het terras, ook lekker warm,’ zei Houb. Hij bedacht in het kader van vuur en warmte dat hij allang geen pijpje meer had gestopt. Vanavond gaat hij de kliko in, bedacht hij, dan maar geen image.

Ondertussen was de kastelein weer in de deuropening verdwenen. ‘Oh, jullie zijn naar de uitvaartmis geweest?’ vroeg hij met een bepaalde nieuwsgierigheid, ‘ik hoorde de naam Dré vallen…’

‘Klopt,’ zei Ludo, ‘een tragische gebeurtenis.’

‘Was het er druk?’

‘Redelijk,’ zei Ludo nu een beetje kortaf.

Net als Houb had hij kennelijk ook geen zin in een gesprek met de kastelein. De kastelein stelde geijkte vraagjes en Ludo gaf moeizaam een antwoord. Houb leunde een beetje meeknikkend achterover. Zo ging het even door tot het moment dat de kastelein opmerkte: ‘tja, ik hoorde van die dozen… maar  waren er wel zes dragers of waren het er maar vijf? Volgens mij misten ze er eentje, niet?’

‘Inderdaad!’ Houb zat ineens weer rechtop in zijn stoel. ‘Er was inderdaad één drager te weinig. Jij bent goed op de hoogte!’

De kastelein knikte lachend met zijn hoofd: ‘Ik wist het wel. Ik wist het wel. Die ene drager hing hier vannacht helemaal laveloos aan de bar. Het verbaast me niks dat hij er niet bij was.’

‘Oh ja, en wie was dat dan?’ vroeg Houb. De moordenaar misschien, dacht hij. Hij zag Ludo hetzelfde denken.

‘Ja, dat was Pietje Achterlangs, ik weet niet of jullie die kennen. Jullie zijn niet van die buurt hè. Hoe zijn jullie trouwens verzeild geraa….’

‘Pietje Achterlangs…’ onderbrak Houb snel, ‘bij mij gaat geen lichtje branden, bij jou wel Ludo?’

‘Pietje Achterlangs heet eigenlijk Piet Hanewinkel,’ verduidelijkte de kastelein, ‘wij noemen hem hier Pietje Achterlangs omdat bij het driebanden de bal bij hem heel vaak achterlangs gaat. Hij woont een paar boerderijen verder dan Klavermans. Een varkensboer is het. Hij zou eigenlijk de kist mee dragen, maar gisteren zat hij hier al om zeven uur aan de bar te zuipen, tot half drie vannacht. Zijn keu had hij niet eens bij zich. Ik dacht eerst: wat is er toch met je aan de hand? Bleek zijn vrouw hem toch gepeerd te zijn, en hun zoon is met haar meegegaan, kennelijk. Jongen jongen wat een misère. Ik heb er wat mee te stellen gehad vannacht.’

Nu ging het lichtje bij Houb en Ludo wel branden. Houb besloot zich maar van den domme te houden. ‘Ach ja,’ zei hij quasi-ongeïnteresseerd, ‘overal is wel wat. Of er is iemand dood of de vrouw is weg…’

‘Of de zoon wil het bedrijf niet overnemen omdat hij homoseksueel is,’ gooide Ludo er plotseling in, ‘en pa geeft hem dan weer een pak rammel. Jongen, altijd wat.’

De kastelein keek nu een beetje raar. Uit zijn ogen scheen een glimpje wantrouwen.

‘Afijn,’ zei Houb, ‘maar nu we het toch over mensen hebben Jo… je heet toch Jo is het niet?’

De kastelein schudde met zijn hoofd. ‘Nee, nee geen Jo, ik ben Tjeu.’

‘Ook goed…Tjeu. Zeg Tjeu, jij kent in jouw hoedanigheid als caféhouder veel mensen neem ik aan…? Weet jij misschien wie Tatort is?’

‘Tatort?’ Hij fronste zijn voorhoofd. ‘Geen flauw idee….Tatort…is dat trouwens zijn voor of achternaam?’

‘Geen flauw idee,’ zei Houb, ‘Afijn, dat doet nu niet ter zake. We staan namelijk op het punt om op te stappen. Wat zijn we je nog schuldig mijn beste Tjeu?’

‘Euh… niks toch, die man die bij jullie was heeft alles afgerekend’

‘Alles? Ook die eerste twee?’

‘Ja toch. Hij vroeg de rekening. Daar had ik die eerste twee ook opgezet. Jullie hoorden toch bij elkaar, of niet?’

‘Tjeu, je bent een schat,’ zei Houb, ‘kom Ludo we gaan thuis naar de Tour kijken.’

Daar had Ludo wel oren naar.

 

‘Kijk eens schat,’ zei Josefien, terwijl ze die avond na de finish de braadpan op tafel zette, ‘heerlijke karbonaadjes. Een aanbieding van de keurslager. Drie euro voor een kilo. Die kon ik niet laten liggen.’

‘Geweldig schat, alleen voel ik me niet zo fit,’ loog Houb, terwijl hij de kleinste uit de pan viste. Zijn honger was een beetje over.

Om half negen, toen Inspector Frost zich aandiende, was hij weer beter. Zoals gewoonlijk diende er zich vrij snel een lijk aan, gevolgd door een tweede, en zodoende kon naar zijn tevredenheid de chips welig tieren. Deze keer was het Thai sweet chili. Een smaak die Houb uitstekend beviel.

 

 

 

 

 

VIIl

 

‘Nee, geen watervaste stift, maar een afwasbare stift,’ zei Houb zuchtend. Is dat nou zo moeilijk, spreek ik zo onverstaanbaar? dacht hij onwennig aan zijn stropdas frunnikend.

De medewerkster van de Bruna aan de nadere kant van de toonbank deed haar mond open en knikte haar hoofd langzaam op en neer. ‘Oh, een afwasbare stift, een stift die je af kunt wassen. Ja, die hebben wij.’ Ze liep voor Houb uit naar het betreffende schap: ‘Hier liggen ze,’ wees ze naar beneden.

Houb bukte om eens goed te kijken.

‘We hebben verschillende kleuren, dus kijk maar even,’ hoorde hij het meisje boven zich blij zeggen. Houb vond het niet echt een slim meisje, maar hij vond haar wel aardig. Hij zocht een zwarte, een rode en een gele stift uit. Tijdens het afrekenen glimlachte hij een keer naar het meisje. Het meisje glimlachte terug. Plotseling schrok hij toen iemand hem onverwachts van achteren bij zijn schouders pakte. In een reflex draaide hij zich vloekend om en keek recht in de ogen van burgemeester Lepemans.

‘Ha, onze inspecteur schrikt een beetje,’ lachte de burgervader, ‘jongen Houb, wat zie je er chique uit. Moet je naar een uitvaart of zo?’

Houb was weer bij zijn positieven. ‘Ik vind dat wij goed gekleed de maatschappij moeten dienen,’ meneer de burgemeester,’ zei hij zijn colbertjasje rechttrekkend. ‘Het colbertje en de stropdas komen van de Bijenkorf. Ik declareer de kosten wel bij de gemeente.’ Hij vond het zelf een flauwe opmerking, maar hij wist op het moment niks beters uit zijn strot te krijgen. De burgemeester leek het wel leuk te vinden. ‘Je doet maar Houb,’ zei hij grijnzend, ‘maar ik denk dat je het kunt schudden. Die dingen lopen via het rijk mijn vriend.’ Hij trok zijn gezicht weer in de plooi en zei nu op serieuze toon: ‘By the way Houb, ik kreeg net een mailtje dat de korpschef op vakantie zijn enkel heeft gebroken tijdens het uit de caravan stappen. Die is dus voorlopig uit de roulatie.’

‘Mooi,’ zei Houb, ‘dan kan hij thuis wat naar Tatort kijken. Hebben wij er geen last van.’

‘Wie is Tatort?’ vroeg de burgemeester.

‘Geen flauw idee,’  zei Houb.

De burgemeester keek even verbaasd op en ging toen verder. ‘Afijn, waar was ik gebleven…Oh ja… je moet het dus voorlopig met mij doen als er bepaalde beslissingen moeten worden genomen. Maar…ik geef jou de vrije hand om alles te doen wat nodig is om die moordkwestie op te lossen, begrijp je. Vordert het onderzoek overigens? Heb je al vooruitgang geboekt?’

Houb legde zijn vinger op zijn lippen. ‘Sst, niet te luid mijnheer Lepemans,’ fluisterde hij met een hoofdgebaar richting het winkelmeisje. Hij manoeuvreerde de burgemeester een paar meter terug op veilige afstand en zei: ‘Het gaat redelijk. We zitten op het goede spoor, denk ik. Grensstreek TV heeft er overigens al lucht van gekregen dat het om verdachte omstandigheden gaat, maar meer weten ze nog niet. Ze zijn overigens nu met iets anders belangrijks bezig. Misschien heb je dat al gehoord over die overkoepelende pastoor?’

De burgemeester lachte: ‘Ja, daar zag ik gisteren iets van op het weeknieuws van de Kempen. Het ging er wel een kwartier over. Ze vroegen er de mensen op straat hun mening over, maar de meesten hadden nog van niks gehoord. Ik ook niet trouwens. Jezus, wat een idioot. Niet te geloven. Zou het echt waar zijn dat hij daar het collectegeld voor gebruikte?’

Houb haalde achteloos zijn schouders op: ‘Ach, dat is natuurlijk maar wat gezever van de mensen. Zoiets wordt dan al snel gezegd. Dat zoekt het kerkbestuur maar uit. Vooralsnog is er naar mijn weten nog geen aangifte gedaan. Ik heb trouwens ook geen zin en tijd om er energie in te steken. Ik ben nu met belangrijkere zaken bezig. Ze zoeken het maar uit met die pastoor.’ Houb had er lol in dat het kennelijk al op tv was geweest. Hij baalde dat hij het had gemist in verband met A touch of Frost.

‘Zo is het Houb,’ zei Lepemans, ‘afijn, ik hoor het wel als er nog ontwikkelingen zijn.’ Hij pakte een Weekend uit het schap en begon erin te bladeren. ‘Kijk hier Pierre Kartner!’ riep hij enthousiast, ‘dat is toevallig. Nu denk ik aan mijn optreden. Verhip, dat is waar ook. Dat is vrijdag al. Hebben jullie al flink gerepeteerd?’

Houb realiseerde zich dat hij er ook niet meer aan had gedacht, maar liet dit niet merken. ‘Maar mijnheer Lepemans,’ zei hij hoofdschuddend, ‘zoiets vergeet je toch niet. Ludo en ik zijn er helemaal klaar voor. We staan te popelen om het podium te bestormen.’

De burgemeester gooide grijnzend de Weekend weer terug in het schap. ‘Ik ben benieuwd Houb,’ zei hij. Plotseling leek hem iets te binnen te schieten. ‘Zeg Houb,’ klonk het een beetje aarzelend, ‘misschien een stomme vraag, maar zou ik dat pak dat je nu aan hebt kunnen lenen? Ik heb zelf niet echt iets zwart liggen, begrijp je. Een bolhoedje erbij en ik ben helemaal top.’

Lul, dacht Houb, koop zelf een pak met al je geld. ‘Natuurlijk mijnheer de burgemeester,’ zei hij glimlachend, ‘we zijn tenslotte op de wereld om mekaar te helpen, nietwaar?’

De burgemeester keek nu heel blij uit zijn ogen. ‘Mooi Houb,’ bromde hij, ‘als je het voor vrijdag dan even af wilt geven op het gemeentehuis, ben ik je eeuwig dankbaar.’

‘Natuurlijk wil ik dat doen,’ zei Houb, terwijl hij wederom ’lul’ dacht. Hij vond het gezever met de burgemeester nu wel welletjes. Het medewerkstertje dat ineens vanachter een Disneydisplay opdook kwam hem redden. ‘Ik heb gehoord waar jullie het over hebben,’ zei ze. Ze richtte zich vervolgens specifiek tot de burgemeester: ‘Mijn baas en ik doen ook mee vrijdag.’

‘Zo,’ zei de burgemeester, ‘wat leuk, dat is toevallig.’ Hij knipoogde naar Houb. Waarom hij dat deed was Houb niet helemaal duidelijk.

‘Ja,’ zei het meisje, ‘en nog toevalliger is dat mijn baas ook als Vader Abraham gaat.’

Dat vond de burgemeester zichtbaar niet zo leuk. ‘Mmm, ook een Vader Abraham,’ zei hij bedenkelijk, ‘zou dat niet storend zijn? Hij doet toch ook niet toevallig Het kleine café?’

Het meisje schudde haar hoofd: ‘Nee nee, ik doe ook mee. We doen Vader Abraham en Wilma. Ik ben dan Wilma, leuk hè.’ Ze begon luid te zingen: ‘Zou het erg zijn, lieve opa, als de zon niet meer schijnt. Zou het erg zijn lieve opa, als de…’

‘Ik ben weg!’ riep Houb plotseling. Hij rende de winkel uit.

 

Op één van de grote ruiten tussen Houb’s kantoor en de gang hing een drietal foto’s van stukjes veehouder. Elke foto was omcirkeld met een rode stift. Erboven stond in grote letters Moord met erachter in het geel de datum. Naast de foto’s viel wat background info over het slachtoffer te lezen zoals naam leeftijd, beroep en dergelijke. Houb had het vrij summier gehouden. Eronder stonden in grote rode letters de twee woorden: Dader en Motief. Houb had deze woorden extra aangedikt en met geel had hij er twee dikke vraagtekens achter geplaatst. Om het nog wat extra cachet te geven had hij het ook nog met zwart onderstreept. Onder dader stond: Familie Trees met een streep erdoor. Familie Klavermans? Tinus? Overkoepelende pastoor met een streep erdoor. Rechtsonder in de hoek waren wat aantekeningen gemaakt in simpele kleine zwarte letters zoals: Moordwapen gaffel? Tussen één en vier. Verder stond er nog wat onduidelijk gekrabbel wat Houb zelf nog maar amper kon lezen.

Houb was tevreden over zijn ‘moordruit’. Waarom dergelijke info meestal op een ruit stond geschreven wist hij ook niet. Het nut van het glas ontging hem volkomen. Op tv deden detectives dat ook altijd, dus had hij besloten dit ook maar zo te doen. Houb had nooit de moeite genomen om te googelen waarom dat zo was. Bovendien vond hij dat dan de mystiek er een beetje vanaf was.

Op een andere ruit stond verder in grote rode koeienletters Thai sweet chili, gevolgd door een groot geel, met zwart omrand, uitroepteken.

Houb heette Ludo en de surveillanten Van Ombeek en Veuls welkom en dirigeerde ze naar de drie stoelen die hij klaar had gezet. Hij was tevreden over de opkomst. Het waren sec ook de enige genodigden. Meer surveillanten en andere belangstellenden duldde hij niet. Van Ombeek en Veuls eigenlijk ook niet, maar ja, hij had het hen eenmaal in een zwak moment beloofd.

Van Ombeek meende een opmerking te moeten maken over de nieuwe outfit van de twee speurders. ‘Hihi Houb en Ludo, zijn jullie bij de Blues Brothers!’ joelde hij. Hij sloeg Veuls op zijn schouders van plezier. Veuls begon heel irritant mee te lachen.

Het zijn latente homoseksuelen, dacht Houb, maar dat hindert niet want ik ben geen homohater. ‘Jongens, effe serieus,’ zei hij zuchtend, ‘allereerst heeft dit niks met de Blues Brothers te maken, maar wij gaan vrijdag op het benefietconcert als twee Vader Abrahams….’

Veuls stak zijn vinger op en onderbrak Houb: ‘waarom twee Vader Abrahams? Ik vind één al te veel.’ Samen met Van Ombeek lag hij weer in een deuk.

Ludo ging ervoor staan en duwde tegelijk hun petten over hun ogen. ‘Losers, stelletje homofielen,’ zei hij, ‘wij doen dat om Het kleine café in koor te kunnen zingen, maar dat begrijpen jullie toch niet.’

‘Help, ik zie niks!’ kirde Veuls. Met zijn handen ging hij zoekend de lucht in en greep toen Ludo zogenaamd per ongeluk in zijn kruis.

Van Ombeek had zijn pet weer rechtgezet en kon zijn lol niet op. ‘Heeft hij een puntzak Veuls!’ Hij gierde het uit.

‘Koppen dicht en zitten allemaal!’ schreeuwde Houb die hier geen zin in had, ‘als je nog een briefing wilt dan stilte graag. Anders opgesodemieterd. Godverdomme, het gaat wel om een moordzaak, idioten!’

‘Zo is het Houb,’ zei Ludo instemmend, terwijl hij zijn broek rechttrok en weer plaatsnam op zijn stoel. De twee surveillanten gingen ineens schuchter als schooljongens in het gelid zitten en zwegen.

Houb kuchte een keer en deed de mededeling dat hij het lange verhaal kort zou maken. Vervolgens wees hij met zijn pijp naar het woordje moord. ‘We hebben een moord,’ zei hij gewichtig, ‘een echte moord compleet met lijk. Een lijk genaamd Dré Klavermans. En wat voor een lijk. Helemaal in stukjes gehakt door een landbouwmachine, een zogenaamde voermengwagen.’ Nu wees hij het woordje gaffel aan. ‘Uit forensisch onderzoek blijkt dat hij daar ingeduwd is met een gaffel. Daarom stel ik voor deze moord de Bergeijkse gaffelmoord te noemen. Voermengwagenmoord had echter ook gekund, maar gaffelmoord vind ik lekkerder bekken. Nu had ik op de boerderij al een gaffel gevonden en voor onderzoek…’

Op dat moment werd hij onderbroken door het Peer Gynt-deuntje van zijn gsm. Hij duwde hem aan zijn oor. ‘Houb met O U B.’

Het was Huijgebaard aan de andere kant van de lijn. Hij wist Houb te vertellen dat de gaffel inderdaad het moordwapen was. ‘We hebben alleen maar wat vage vingerafdrukken van het slachtoffer zelf op de steel gevonden,’ vertelde hij, ‘wel vonden we sporen van latex handschoenen. Volgens onze deskundige op dat gebied betroffen het goedkope merkloze handschoenen, alleen verkrijgbaar bij de Aldi, maar misschien dat jij zoiets ook hebt gebruikt. Tja, en dan was er nog iets opvallends: in het midden van de steel troffen we recente chipsresten aan. De dader heeft misschien eerst op zijn dooie gemak chips liggen eten. Ongelooflijk.’

Houb grinnikte: ‘Chips? Paprika of gewoon?’

‘Euh…. paprika, geloof ik.’

‘Dan weet ik het al Anton. Die chips heb ik gedaan. Ik heb de gaffel met een lege chipszak opgepakt en niet met latex handschoenen. Dat latex komt van de dader. De slimmerik heeft dus handschoenen gebruikt.’

‘Jij zegt het Houb. Dus tot zover deze informatie.’

Houb besloot gezien de omstandigheden het gesprek snel af te werken. ‘Oké Anton, hier kan ik wat mee. Je timing was overigens perfect. Ik ben hier net met een briefing bezig, dus kan ik dit nog even meepikken.’

Houb bedankte hem nog en zei, nadat hij zijn gsm weer dicht had geklapt, triomfantelijk tegen zijn drie toehoorders: ‘dat was het technische lab. De betreffende gaffel is inderdaad het moordwapen.’ Hij zette met de zwarte stift een streep door het vraagteken achter gaffel en briefde aan de mannen de details van Huijgebaard door. Vervolgens zette hij met een stift een cirkel om het woordje dader. ‘Hier zijn we bij het voornaamste punt,’ zei hij op indringende toon, ‘dit is alles waar het om draait. ‘Who’s done it?’ In ieder geval iemand met een latex handschoen van de Aldi. Het was geen roofmoord, dus hoogstwaarschijnlijk kende de dader het slachtoffer. Dus familie of vrienden. De familie van Trees valt af in mijn ogen. Mensen die een jaarlijkse familiedag houden met als hoogtepunt het kienen, acht ik logischerwijs niet in staat tot moord.’ Hij sprak snel en aan één stuk zodat niemand kans zag hem te onderbreken. ‘Verder hebben we Tinus, de knecht. Heeft een alibi, maar dat kan en moet nog nagecheckt worden. Ludo, een taakje voor jou. Ik weet het nog niet met die Tinus. Dan hebben we de familie van Dré zelf in de persoon van zijn zus Irma en haar foute man Henk. Ze zijn louche, fout, maar te dom om zo’n moord te plegen. Hebben naar eigen zeggen ook een alibi wat onze Ludo ook gaat checken. Wie het zeker niet heeft gedaan, ook al was hij die dag bij de plaats delict gesignaleerd, is de overkoepelende pastoor. Deze vrome katholiek heeft een alibi, dat klinkt als een klok. Verder kan het in principe iedereen geweest zijn maar nogmaals: waarschijnlijk een bekende van het slachtoffer.’ Hij zag al een tijdje dat Veuls zijn hand opstak. Hij zuchtte en wees met zijn pijp naar hem. ‘Wat wil je eigenlijk zeggen, Veuls?’

De surveillant kuchte een keer interessant en zei: ‘En die Trees, die kan het toch ook gedaan hebben in principe? Ze heeft misschien wel toneel gespeeld met haar gegil en zo. Misschien moet je het in de relationele sfeer zoeken. Misschien heeft of had die Klavermans wel een minnares. Wie zal het zeggen.’

‘Good thinking Veuls,’ viel Van Ombeek hem bij.

‘Verdomme Veuls, oh, daar hebben wij niet aan gedacht. Blij dat jij het zegt,’ zei Houb een tikje geïrriteerd.

‘Miljaardeju.’ Ludo sloeg zich op zijn knieën. ‘Die Veuls. Wat een wijze man. Misschien moet hij ook zo’n mooi pakje aan in plaats van dat pornopakje.’ Van Ombeek begon debiel te lachen.

‘Jaja, jullie wel,’ sneerde Veuls, ‘ik zie toch helemaal geen Trees bij dader staan.’ Hij keek erg trots uit zijn ogen.

‘Veuls heeft gelijk,’ zei Houb snerend, ‘laat ik dat toch vergeten zijn. Foei hoofdinspecteur Houb. Nou dat was dan de briefing. Nu wieberen jongens. Althans Veuls en Van Ombeek. Ludo mag blijven.’

Ludo stak zijn tong uit naar de twee en zei: ‘nanananana.’

Veuls en Van Ombeek gingen aarzelend rechtstaan. ‘Wat is verder onze taak in deze?’ vroeg Veuls.

‘Niks,’ zei Houb, ‘wieberen gewoon. Ga surveilleren jongens. Hebben jullie de dader van die spaarkas al?’

‘Nee,’ zei Van Ombeek met een zuur gezicht, ‘daar houden wij ons allang niet meer mee bezig. Wie boeit dat nog? Laat ons gewoon meehelpen aan die moord. Wij komen niet voor niets hier naar die briefing.’

Houb keek de twee spottend aan: ‘Ach gut ach gut. De mannen willen meewerken aan een moord. Jullie weten toch dat jullie opleiding daar niet toereikend voor is. Maar goed, jullie waren toevallig ook als eerste ter plekke op de plaats delict. Dat maakt jullie toch een beetje medeplichtig aan het onderzoek, vandaar die uitnodiging voor deze briefing. En nu vort, wieberen, we hebben nog weer te doen. Ga maar ergens het verkeer regelen jongens. Of misschien nog beter: rijd naar de Grote Truistraat 19 en vraag naar Erik. Hij weet misschien meer van die spaarkas. Zo ja, geef hem een boete van honderdvijftig euro uit het malafide bonnenboekje, incasseer het onmiddellijk en stop het in de personeelsuitstapjespot.’ Hij wees vervolgens met de steel van zijn pijp naar de deur. ‘En dan nu ten derde male: wieberen! De korpschef is er niet, dus na de burgemeester ben ik hier de baas.’

De twee keken verbaasd, teleurgesteld en boos tegelijk. Houb had er flink plezier in. Ludo bestudeerde ondertussen even met zijn handen in zijn zakken lippenbijtend de ruit met Thai sweet chili.

Na een pijnlijke stilte zei Van Ombeek luid: ‘Kom Veuls, we zijn hier weg.’ Ze draaiden om en liepen met driftige pas de deur uit.

‘Grote Truistraat 19!’ schreeuwde Houb hen nog na.

Ludo bleef er bijna in. ‘Wat een mongolen Houb,’ hikte hij.

‘Pas op Ludo, je vergelijking is een belediging voor onze medemensen met een Downsyndroom,’ zei Houb’

Ludo had deze opmerking niet gehoord, want hij stond weer naar Thai sweet chili te staren. ‘Waar slaat dit eigenlijk op Houb?’ wees hij.

‘Dat, mijn beste Ludo zijn chips, geweldige chips. Ik ben die nu thuis ook aan het eten en mijn smaakpapillen begonnen hiervan spontaan een kwartier durende sirtaki te dansen. Ik wil dus Ludo, dat jij vanmiddag na het checken van de betreffende alibi’s even langs de Albert Heijn gaat om een zak van deze overheerlijke delicatesse te kopen. Voor in ons kastje, begrijp je.’

‘Maar daar liggen al zoveel zakken. Verwacht je nog zoveel meer lijken dan?’

‘Ach Ludo, een mens wil toch een beetje kunnen kiezen als zo’n moment zich aandient. Maar je hebt gelijk, er liggen er nog drie. Weet je wat: je ruilt de Thai sweet chili anders maar om. Je mag één zak naar keuze mee naar huis nemen.’

Ludo maakte een sprongetje: ‘Dat wordt dan de paprika Houb.’

‘Wat jij wilt.’ Houb maakte weer een gebaar met zijn pijp. ‘En nu chop chop chop, ook wieberen jij.’

In de deur draaide Ludo zich nog even om en vroeg: ‘En jij Houb, wat ga jij doen?’

Houb keek even peinzend voor zich uit en zei toen: ‘Ik ga straks, denk ik, nog even bij de boerderij langs. Want ja, inderdaad… die Trees en ook die Tinus. Ik weet het niet. Ze hielden wel heel romantisch elkaars hand vast tijdens de mis. Je kunt iets bedenken bij een motief…’

Ludo kon daar wel in mee. Toen hij de gang opliep riep zijn baas hem nog een keer terug. ‘Voor ik het vergeet Ludo,’ zei Houb, ‘ik wil dat jij getuige bent van mijn stoppen met roken.’ Met een welgemikte worp liet hij zijn pijp in de prullenbak verdwijnen.

 

Houb zat in de boerderij aan de keukentafel en keek toe hoe Trees voor hem een kopje koffie inschonk. Het gezanik over hoe geweldig leuk de uitvaart wel niet was, had hij net achter de rug. Knecht Tinus zat tegenover hem wat onrustig met zijn vingers op de tafel te trommelen. Hij zuchtte een keer onwennig en zei naar het keukenraam kijkend: ‘Het kan wel eens gaan regenen.’

Houb keek ook een keer naar het keukenraam. ‘Ik denk dat het wel meevalt,’ zei hij, ‘gisteren viel het ook best mee.’ Hij zei maar wat. Het weer interesseerde hem geen enkele moer.

‘Het mag anders best wel eens een buitje doen,’ vond Trees, die ook was aangeschoven.

Het viel Houb op dat ze beiden netjes gekleed waren, althans zo was het dan toch bedoeld. Trees droeg een grijze plissérok en een blauwe gebloemde blouse, Tinus een zwarte pantalon en een grijsgroen gestreept overhemd. Houb vond het er niet uitzien. ‘Jullie zien er chique uit,’ zei hij met een glimlach.

‘Jij ook,’ zei Trees, ‘maar goed, ik ben met Martin naar de notaris geweest. Je weet wel, na zoiets moet er het één en ander geregeld worden.’

Jaja, met Martin, dacht Houb. ‘Tja, dat krijg je er ook nog bij,’ zei hij meelevend, ‘welke notaris heb jij eigenlijk?’

‘De Klerk uit de Oudstraat. Die zit in dat grote witte pand met die blauwe dakpannen.’

‘Oh die,’ zei Houb, ‘dat schijnt een hele goeie te zijn.’ Hij kende hem eigenlijk helemaal niet, en vroeg zich af waarom hij dit meende op te moeten merken. Hij prentte de naam De Klerk goed in zijn hoofd. Hij vond het een typische naam voor een notaris.

Trees knikte instemmend: ‘Ja, het is in ieder geval een hele aardige man, alleen: je betaalt je scheel aan die lui.’

‘Je hebt ze toch nodig,’ zuchtte Martin alsmaar ongedurig met zijn vingers trommelend. Houb kreeg er de kriebels van. Hij had geen zin in Tinus vandaag. Wanneer sodemieter jij op? dacht hij, terwijl hij een slok van zijn koffie nam. Er werd eventjes gezwegen. Houb keek naar de grote pot Nescafé die op tafel stond. ‘Zeg,’ begon hij de stilte weer verbrekend, ‘is dit Nescafé wat ik aan het drinken ben? Ik zou zweren dat het gewone koffie is.’

Trees en Tinus keken elkaar aan en begonnen te lachen. ‘Je drinkt ook gewone koffie,’ gaf Trees hem te kennen, ‘wat er in die pot zit, wil ik jou niet voorzetten.’

Martins getrommel werd nu vervangen door harde klappen met de hele hand op tafel. Hij bulderde van het lachen.

‘Wat is er zo grappig?’ vroeg Houb. Hij haatte het dat mensen om voor hem onbekende redenen begonnen te lachen.

‘Sorry,’ zei Trees nog een beetje grinnikend, ‘misschien stom om erom te lachen, maar er zit geen Nescafé in die pot maar de as van Dré.’

Houb verslikte zich ter plekke in zijn koffie. Het moet niet gekker worden, dacht hij tijdens het hoesten. ‘Ja, ja, de as van Dré,’ zei hij toen hij weer bij zijn positieven was, ‘stom dat ik daar geen erg in had. Logisch toch: de as van een overledene in een lege Nescafépot. Ik had het kunnen raden.’

‘Ja, misschien raar, maar Dré was dol op Nescafé in de morgen, vandaar dat ik het mooi vond om in zo’n pot zijn as te laten doen,’ zei Trees op verontschuldigende toon, ‘bovendien vond ik een dure urn niet nodig. Ik wil hem toch uitstrooien hier achter over het weiland. Lijkt me heel mooi. Hij zou het zelf zo gewild hebben.’

Jezus, dacht Houb, wat een cliché: hij zou het zelf zo gewild hebben. Natuurlijk, iedereen wil eindigen als een hoopje as in een lege Nescafépot. Hij keek Trees even recht in de ogen maar bespeurde weinig emotie. ‘Heel mooi Trees,’ zei hij onoprecht, ‘dat is heel mooi van jou.’

Trees keek trots.

Het gesprek kabbelde zo nog wat verder en net toen Houb het moment had gevonden om aan te kondigen dat hij Trees even onder vier ogen wilde spreken, leek het wel of Tinus zijn gedachten kon lezen. Hij stond op en kondigde aan maar weer aan het werk te gaan. Hij verdween door de deur naar de woonkamer om vervolgens in zijn werkkloffie weer in de keuken terug te komen. Hij pakte de Nescafépot met de as van tafel en zei: ‘Weet je wat ik doe Trees. Ik gooi die as in de kunstmestrooier bij de kunstmest. Ik wil voor het gaat regenen toch overal wat over strooien. Scheelt een hoop gedoe en dan ligt hij meteen helemaal goed verspreid over zijn gehele land.’

Trees knikte: ‘Goed plan Tinus. Ga je gang jongen. Vergeet je niet de tractor te tanken’

Terwijl Tinus door de deur naar achter verdween moest Houb moeite doen zich niet nogmaals te verslikken.

‘Hij vergeet wel eens vaker de tractor te tanken,’ verzuchtte Trees nonchalant, ‘nog een bakkie, inspecteur Houb?

Houb hield zijn hand boven zijn kopje. ‘Nee nee, voor mij niet meer Trees.’ Hij kuchte een keer gewichtig en keek toe hoe Trees voor zichzelf nog wel inschonk. ‘Trees,’ begon hij nu heel serieus, ‘ik vind het vervelend, maar ik wil je nog wat vragen stellen als dat mag. Vrij precaire vragen om precies te zijn.’

‘Ga je gang. Ik weet trouwens toch niet wat precair precies is, maar ik ben benieuwd.’

‘Oké, mijn eerste vraag is de volgende: zijn jullie, en hiermee bedoel ik Tinus en jij, een item?’

‘Een wat?’ Ze keek heel verbaasd.

‘Een item. Ik bedoel te zeggen: hebben jullie iets samen?’

‘Zoals?’

‘Een relatie bedoel ik. Ik zag jullie op de uitvaart naast elkaar zitten en elkaars hand vasthouden. Is er sprake van een wederzijdse liefde?’

‘Euh…’

‘Ik wil geen euhs,’ zei Houb doortastend, ‘ik wil een ja of een nee en niks ertussenin.’

Trees keek Houb wat ongemakkelijk aan. ‘Als je het zo vraagt, dan…ja. Ja, Tinus en ik hebben een relatie. Heb jij daar iets mee te maken?’

‘Ik onderzoek een moordzaak, dus… Hoelang speelt die relatie van jullie al?’

‘Dat gaat je niks aan,’ snauwde Trees.

Houb voelde de sfeer grimmiger worden, maar besloot toch door te zetten. ‘Dat gaat mij wel aan. Het zou een motief kunnen zijn voor moord. Een minnaar, een man waar je vanaf wilt en waar je bovendien nog van erft. Ik bedoel, ik sluit niets uit. Waar was je bijvoorbeeld die bewuste dinsdagmiddag? Thuis was het niet. Thuis, op de plaats delict.’

Nu was het Trees die zich verslikte, en hoe. Houb stond snel op om haar wat klopjes op de rug te geven.

Straks kunnen Ludo en ik weer aan de chips, dacht hij, terwijl hij toekeek hoe Trees zowat blauw aanliep. ‘Rustig door de neus ademhalen,’ adviseerde hij haar.

 

Nadat Trees een beetje was bekomen en wat water had gedronken werd ze plotseling heel kalm en kondigde ze aan Houb iets op te willen biechten. Houb luisterde met stijgende verbazing naar de monoloog waarin ze vervolgens ontstak.

‘Luister mijnheer Houb, ik hoef geen verstoppertje meer te spelen. Ik zal er niet om liegen. Dré was voor mij een aardige liefdevolle man. Ergens waren we wel een saai en ongecompliceerd stel. Maar goed, ik voelde me gelukkig. Maar nu komt het, en je zult het misschien een beetje oneerbiedig vinden, maar Dré was geen kei in bed. Nooit geweest. Ik dacht altijd dat het aan mij lag, maar jongen jongen. Het had altijd wat in met hem. Hij bleek overigens ook onvruchtbaar. Kort samengevat is het eigenlijk zo: zijn apparaat werkte voor geen meter. Nooit! Nu…euh zeker niet, toen niet, en zelfs in onze huwelijksnacht niet. Tja, en als vrouw heb je toch zo je behoeftes. Enfin, een jaar of tien terug, toen Dre een keer een excursie had naar een maisproefveld en Martin hier ergens rondliep was ik niet meer te houden. Ik weet dat ik geen mooie vrouw was en ben….Maar Martin, zo’n vrijgezel, zou best wel een keer willen, dacht ik toen zo. En of hij wilde! Hij ging tekeer als een stier. Wat een feest was dat in bed. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me echt een vrouw. Ik wilde meer! Dus hierna deden we het met de regelmaat van de klok. Zonder dat Dré hiervan wist uiteraard. En tja, als je dan een keer per week met zo’n frisse klepel goeie seks hebt, dan ga je er vanzelf bepaalde gevoelens voor krijgen. Dat kun je bijna niet voorkomen. Ik denk dat je nu van alles over me denkt en ik heb misschien geen bewijs, maar ik heb niemand vermoord en Martin ook niet. Dat zweer ik je. Echt niet. Wie hem vermoord heeft is ons ook een raadsel. Ik vind het verschrikkelijk dat Dré zo aan zijn eind is gekomen, maar ik kan dat niet terugdraaien. Natuurlijk ga ik nu verder met Tinus. Ik zou wel gek zijn als ik dat niet deed. Dré zou het niet anders gewild hebben. En nu wil ik dat je gaat.’

Dat deed Houb ook.

 

 

Onderweg in de Multipla zag hij voor zijn geestesoog de vreselijkste beelden. Hij zag Trees en Tinus de meest bestiale seks hebben. Seks waar zelfs bij BNN niet over gesproken mocht worden. Het zweet stond op zijn voorhoofd.

 

‘Het alibi van Henk en Irma klopt als een bus!’ Ludo stond voor Houb zijn bureau en bracht verslag uit. ‘Ik heb die camping in Bocholt gebeld, en die man wist het zo uit zijn hoofd. Irma en Henk zijn daar vaste contouren in het landschap. Die man wist het nog precies, want hij herinnerde zich dat Henk die dag diarree had en kwam zeuren om Norit. Henk had toen zoveel Norit gevreten dat hij die avond naar eigen zeggen ongeveer steenkool had zitten schijten. Heel de camping had erom in een deuk gelegen. De diarree van Henk was daar het gesprek van de dag geweest. Pas de dag erop hoorde ze van de dood van Dré. Miljaardeju, wat een alibi, hè Houb.’

Houb leunde achterover in zijn stoel en knikte: ‘Zeker Ludo, mooi alibi. Ik had niks anders verwacht. Voor mij vielen ze allang af. Het is plebs, te laks om te kunnen moorden.’ Hij zag nu dat Ludo opgewonden was en maar amper luisterde. Ook viel het hem op dat Ludo steeds één hand achter zijn rug had gehouden. Express pakte hij zijn pen, ging wat ongeïnteresseerd zitten droedelen en vroeg laconiek: ‘Verder nog iets Ludo?’

‘Tataa!!’ Er belandde een zak Thai sweet chili op Houb zijn bureau.

‘Mooi,’ zei Houb tegen de glunderende Ludo, ‘goed gewerkt Ludo. Het bestaan van Thai sweet chili is tevens het bewijs voor het bestaan van God. En hoe zit het met het alibi van Tinus?’

Ludo sloeg zijn hand voor zijn mond. ‘Miljaardeju Houb, dat ben ik helemaal vergeten. Goh, dat komt omdat ik zo lang bezig ben geweest met die Thai sweet chili. Bij de Albert Heijn in Bergeijk was hij uitverkocht. Ik naar de C1000 en wat denk je?’

‘Ook uitverkocht?’

‘Precies, Lays heeft denk ik moeite om hem te leveren. Uiteindelijk belandde ik bij de Jumbo in Luyksgestel. Daar hadden ze hem wel. Maar goed, ik kwam daar tussen een hoop andere Belgen nog Veerle Vervaet tegen. Een oud lief. Veel te lang mee staan kletsen. Ze was al acht maanden zwanger, en ik moest van haar raden wie de toekomstige vader was. Vandaar dat het zolang duurde.’

‘En wie was de vader?’ vroeg Houb.

‘Amai, dat was de Gunter, haar oude buurjongen aan wie ze altijd een hekel had. Je ziet Houb: het leven zit vol verrassingen.’

‘Zo is het, over verrassingen gesproken.’ Houb vertelde over wat hij die middag allemaal gehoord had.

‘Miljaardeju Houb,’ zei Ludo toen Houb uitverteld was, ‘die Tinus jaja…’ Hij trok een vies gezicht. ‘Gedverdemme, ik zie het gewoon voor me hoe die twee allemaal smerige dingen aan het doen zijn.’

‘Ik helaas ook,’ zei Houb. Hij keek op zijn horloge. ‘We gaan naar huis. De Tour kijken. Ga morgenvroeg maar op dat alibi uit.’

‘Het is vandaag toch niet weer een rustdag in de Tour baas?’

Houb zuchtte: ‘Sodeju, ik hoop het niet. Maar dan gaan we nog naar huis.’

 

Voordat hij naar huis reed ging Houb nog even langs de Plus in Eersel voor bami-ingrediënten. Ook griste hij ergens een Thai sweet chili van de plank. ‘Is dat nou zo moeilijk,’ mompelde hij in zichzelf.

Even later stond hij thuis in een grandioze pan bami te roeren. Zijn Josefien was aangenaam verrast toen ze thuiskwam. ‘Ik vind het altijd geweldig hoe jij zelf bami kan maken,’ zei ze. Ze gaf hem een zuigzoen in zijn nek.

‘En ik ben ook nog eens gestopt met roken,’ fluisterde Houb in haar oor.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IX

 

Houb zat te gapen achter zijn bureau. Hij had slecht geslapen, voelde zich moe en had weinig zin in de huidige dag. Hij nam een slok van zijn koffie en keek op de klok. ‘Pas negen uur, een langzame dag vandaag,’ mopperde hij in zichzelf. Hij wilde dat het avond was en dat hij samen met Josefien naar De Avondetappe zat te kijken. Hij besloot vandaag niet al te veel uit te voeren. Een beetje droedelen achter mijn bureau, wat telefoontjes plegen en meer van dat geniks, dacht hij.

Plotseling knalde de deur open en keek hij in het gezicht van een hijgende Veuls. ‘Houb, je raad het nooit!’ schreeuwde hij opgewonden.

‘Laat me toch maar raden,’ zei Houb nog gapend, ‘Erik van de Grote Truistraat nummer 19 heeft bekend met betrekking tot die spaarkas en de personeelsuitstapjespot is nu honderdvijftig euro zwaarder?’

Veuls verviel meteen weer in zijn typische hersendode blik. ‘Hè?’ klonk het onnozel en beduusd, ‘ja, dat klopt. Dat jij dat wist Houb, sodeju…’

Voordat Houb er iets op kon zeggen leken Veuls zijn hersenen plots weer vol te stromen met zuurstofrijk bloed. ‘We krijgen net een melding via de alarmcentrale dat er weer iets is gebeurd bij Klavermans,’ hijgde hij van extase, ‘er is iemand verdronken of zo! Jij moet er met spoed naartoe! Mag ik mee? Van Ombeek is ziek.’

Houb was in één keer wakker en sprong overeind. ‘Verdronken?’ riep hij verbaasd.

Veuls knikte heftig: ‘Ik geloof het wel. Kom baas! De ambulance is al onderweg, maar er is hen al verteld geen haast te maken. Het slachtoffer is al overleden.’

‘Wie zegt dat het slachtoffer al dood is?’

‘Degene die de alarmcentrale belde geloof ik.’

Houb snapte er niets van. ‘Verdrinken? Op een boerderij? In de mestput of zo?’

‘Weet ik het. Kom mee, dan rijden we er met loeiende sirene naartoe!’

Houb besloot deze keer zijn koffie maar te laten staan.

 

Veuls reed als een krankzinnige met de surveillancewagen over de Bergeijksedijk. Houb zat naast hem te bellen. Hij kreeg de voicemail van Ludo. ‘Ludo, je was vanmorgen te laat!’ schreeuwde hij na de piep, ‘hier Houb met O U en een B. Hoor je de sirene? Ik zit met Veuls in de surveillancewagen en we rijden richting boerderij Klavermans. Kom daar ook snel naar toe!’

In plaats van over de geijkte wegen te rijden, presteerde Veuls het om met volle vaart en met alle toeters en bellen midden door het centrum van Bergeijk te rijden. Hierbij reed hij bijna een vrouw met een rollator omver.

‘Doe normaal man!’ schreeuwde Houb, die zich ergerde omdat Veuls expres deze route reed zodat heel Bergeijk het kon zien. Hij keek opzij en zag hoe Veuls grijnsde. Fifteen minutes of fame van een loser, dacht Houb. Hij vroeg zich af of er überhaupt wel een lijk was en wie dat lijk dan zou zijn. Ook dacht hij al stiekem aan zijn Thai sweet chili.

 

Nog steeds met loeiende sirene en met piepende banden scheurde de surveillancewagen de grote inrit van boerderij Klavermans op.

‘Stop!’ schreeuwde Houb ineens.

Veuls schrok en stampte krachtig op de rem. Ze vlogen bijna met hun neuzen tegen de voorruit.

‘Godverdomme,’ vloekte Houb.

‘Dat heb je met ABS,’ zei Veuls, ‘maar waarom moest ik ineens remmen?’

Houb wees zwijgend naar links. Daar zat Tinus rechtop in het lange gras tussen de inrit en het kleine weitje dat net achter de houtwal naast de weg lag. Hij staarde met een grassprietje in zijn mond apathisch voor zich uit.

Het geluid van de sirene stierf weg en beide mannen stapte uit. Tinus keek niet op of om. Houb zag vervolgens dat voor een gedeelte van het weiland een stroomlint gespannen was. Daarachter stonden een stuk of twintig koeien, met hun koppen in de richting van het gedeelte waar ze niet bij konden, te snuiven. Houb liet Tinus even voor wat hij was en richtte zijn blik in dezelfde richting als de koeien, zodat hij kon zien wat daar aan de hand was. Hij stond in eerste instantie helemaal perplex. In het afgeschermde stuk stond een badkuip op vier pootjes die gebruikt werd als drinkbak voor het vee. Hij keek achter op een vrouw die uit de drinkbak leek te drinken. Houb herkende onmiddellijk het afzichtelijke postuur van Trees.

‘Jezus, wat is die daar aan het doen,’ hoorde hij Veuls achter zich stamelen.

Plotseling realiseerde Houb zich dat ze verdronken was in de drinkbak. Althans verdronken…., wie weet was ze nog te reanimeren.  Hij greep snel de draad vast om erover te springen. Hij sprong wel, alleen een meter terug. ‘Godverdomme, stroom!’ vloekte hij. Ondertussen was Veuls een heldhaftige poging aan het doen om onder de draad door te kruipen.

‘Doe geen moeite,’ klonk opeens de luide stem van Tinus, ‘ze is allang dood. Dood is dood.’ Veuls keek een keer om en deed zijn hoofd omhoog waardoor hij ook een flinke optater kreeg. ‘Godverdomme!’ vloekte ook hij. Vervolgens zette hij zijn operatie toch maar voort.

Tinus was inmiddels op zijn dooie gemak aan komen kuieren. ‘Ze is dood,’ zei hij weer, ‘ik heb allang geprobeerd of ze nog wilde ademen, maar dat deed ze niet. Ze is al bijna koud denk ik.’

‘Hoezo, heb jij geprobeerd haar te laten ademen. Ze ligt met haar hoofd in een drinkbak idioot,’ snauwde Houb.

Tinus zuchtte: ‘ja, dat zie ik. Mijn idee is het ook niet. Ik trof haar zo aan toen ik klaar was met melken. Snel heb ik haar eruit getrokken en op haar borst geduwd. Ze murmelde niet eens meer. Ik heb haar zelfs nog bij haar voeten omhoog gehouden, met haar hoofd omlaag. Er liep…’

‘Met haar voeten omhoog gehouden?’ Houb wist niet wat hij hoorde.

‘Ja, met haar voeten omhoog en dan zo met haar hoofd naar beneden. Ondersteboven gehouden eigenlijk. Ik heb het er nog van in mijn rug. Dat doen we met een nuchter kalf ook altijd.’

‘Met een nuchter kalf,’ zei Houb, ‘jaja…’

Tinus knikte: ‘dat wil wel eens werken, maar bij Trees dus niet. Er liep wel wat water uit haar neus en mond maar ja. Ik heb toen ook nog een handje zout in haar neus geduwd, maar helaas, er zat geen spier leven meer in.’

‘Dat zout gebruiken jullie zeker ook bij een kalf?’

‘ja, precies. Werkt vaak goed, maar niet altijd. Enfin, ik denk toch dat ze al een half uur dood was. Ik heb toen toch maar 112 gebeld en ik heb haar precies zo teruggeduwd als ik haar aantrof. Ik dacht: dat is voor jou gemakkelijk bij het onderzoek. Zo ligt ze er precies hetzelfde bij.’

Houb krabde maar een keer op zijn hoofd. ‘Nou ja…goed gedaan Tinus,’ zei hij, ‘we zullen het eens gaan bekijken.’

Veuls had inmiddels al een rondje rond het lijk gelopen. ‘Ze is inderdaad dood Houb!’ riep hij.

‘Mooi, blijf er verder met je tengels vanaf, en kom weer naar hier!’ schreeuwde Houb terug. Hij wendde zich weer tot Tinus: ‘Enig idee hoe dit heeft kunnen gebeuren?’

Tinus haalde zijn schouders op: ‘Geen idee inspecteur Houb, Een ongelukje lijkt me vreemd. Er ligt wel een emmer in het water. Ze schepte geregeld het vuil uit de drinkbak, maar daar kan weinig mee gebeuren. Misschien heeft ze een hartstilstand gehad, of misschien….’ Hij stokte even en keek nu pas erg sip.

‘Misschien wat?’ Houb observeerde hem nauwlettend.

‘Misschien… ,’  bracht de boerenknecht er stamelend uit, ‘misschien heeft ze het zelf gedaan, alhoewel ik geen afscheidsbrief heb gevonden. Misschien kon ze niet zonder die Dré godverdegodver…’ Hij begon zowaar een beetje te simmen.

Om welke reden staat hij nu te simmen, vroeg Houb zich af. Zelfmoord omdat ze Dré mist vindt hij natuurlijk verschrikkelijk. Of heeft hij misschien alleen verdriet omdat het zijn huidige partner is of is hij gewoon verdrietig, simpelweg omdat iemand in zijn directe omgeving is overleden? Hij besloot desalniettemin niet te laten merken dat hij wist dat Trees en hij een item waren. Hij ging ervan uit dat Trees hem niet had verteld dat ze dit had opgebiecht. ‘Tja, Martin, wie zal het zeggen,’ zei hij rustig, ‘we zullen het gaan onderzoeken. Het is voor jou ook een klap.’

‘Jazeker, en dat niet alleen. Ik moet nu alleen een hele boerderij runnen. Maar ja, dat kan ook leuk zijn.’

‘Jij zegt het,’ zei Houb, ‘hoe het verder moet met die boerderij moet je maar met de familie overleggen. Over familie gesproken, zijn die al ingelicht?’

‘Euh nee, niet aan gedacht.’

‘Wacht daar dan maar even mee tot vanmiddag. Kunnen we hier ongestoord verder. We nemen het lichaam mee voor verder onderzoek. Zeg maar tegen de familie dat ze de correspondentie en het condoleergedoe elders houden. Ik wens geen pottenkijkers hier op de boerderij.’

‘Over de boerderij beslis ik volgens mij,’ begon Tinus nu heel bits. ‘Ik heb de zeggenschap nu hier. Als je me niet gelooft dan…’

Idioot, dacht Houb. ‘Neen Tinus, ‘ onderbrak hij hem, ‘je begrijpt het niet. Jij hebt hier dan misschien wel de zeggenschap over, maar in het belang van het onderzoek eis ik als hoofdinspecteur van politie, dat hier alleen degenen het erf betreden die nodig zijn voor het onderzoek of voor de bedrijfsvoering van de boerderij.’

Tinus knikte weer gedwee. ‘Jaja,’ zei hij zenuwachtig.

De ambulance kwam met loeiende sirene achterom met in zijn kielzog de eerste ramptoeristen. Houb besloot de ambulance maar meteen retour te sturen. Hij deed dat door na het stoppen van het sirenegeloei zijn hoofd in de auto te steken met de woorden: ‘Wegwezen jullie, ze is allang dood.’

‘Klootzak,’ zei de ambulancechauffeur. Hij reed eerst volle gas achteruit de inrit uit, om vervolgens met al zijn toeters en bellen weer terug te scheuren in de richting van waaruit hij was gekomen. Bij het schakelen naar zijn twee reed hij een ramptoerist op de fiets omver. De ambulance remde en de sirene verstomde weer. Twee ziekenbroeders sprongen eruit en liepen naar de man die nu met zijn fiets op de weg lag. Eentje hielp de man overeind, de ander raapte zijn fiets op en zette daarvan het stuur recht. De onfortuinlijke man kreeg de fiets weer in zijn handen geduwd en de twee sprongen terug in hun ambulance die snel zijn weg met loeiende sirene vervolgde.

Houb schudde glimlachend zijn hoofd. Wat een toestanden weer, dacht hij. Hij sommeerde Veuls eventuele nieuwsgierigen weg te sturen en een lint te spannen over de inrit. ‘Ga maar weer gewoon aan het werk, Tinus,’ zei hij vervolgens tot de knecht, ‘je kunt nu toch niets meer doen. Dood is inderdaad dood. Laat de rest maar aan mij over. Het is toch zo.’

Hoofdschuddend, in zichzelf mompelend en naar de tegels van de erfverharding kijkend kuierde Tinus naar achter.

Houb pakte zijn gsm en belde Huijgebaard.

 

Even later was Ludo ook gearriveerd en bijgepraat door Houb. Ludo had hierbij wel vijfmaal ‘Miljaardeju!’ geroepen. Gelukkig was vanaf de weg weinig te zien en bleef het relatief rustig toen de mannen op Huijgebaard stonden te wachten. Ze gingen even op het gras liggen en kauwden op wat sprietjes.

‘Hebben jullie al een vermoeden wie erachter zit?’ vroeg Veuls.

Houb schudde zijn hoofd: ‘Niet te voorbarig Veuls, het kan ook zelfmoord zijn.’

‘Zelfmoord?’

‘Ja, jezelf dood maken weet je wel. Misschien ook iets voor jou.’ Houb schrok van zichzelf. Wat een kutopmerking, dacht hij. Hij had er een beetje spijt van.

Ludo rolde daarentegen lachend over het gras. ‘Miljaardeju,’ hinnikte hij, ‘Houb, Houb toch, hahaha.’

Veuls ging recht staan: ‘Zeg als jullie liever hebben dat ik ga, dan ga ik hoor.’

‘Doe maar,’ zei Houb, ‘ik kan toch met Ludo meerijden, of niet Luud?’ Hij vroeg zich af waarom hij erin doorging en niet gewoon sorry zei. Misschien was het de aanwezigheid van Ludo die hem daartoe aanzette.

‘Of niet Luud,’ herhaalde Veuls smalend, ‘stelletje flikkers.’ Hij liep met driftige tred naar de surveillancewagen stapte in en scheurde dwars door zijn zelf getrokken lint weg.

‘Nou nou, die is heetgebakerd, miljaardeju nog aan toe, hij ging letterlijk door het lint,’ zei Ludo.

‘Hij worstelt duidelijk met zijn geaardheid,’ zei Houb. Hij wist eigenlijk zelf niet of hij het voor de grap zei. Morgen verontschuldig ik me misschien tegenover onze Veuls, dacht hij. Hij spuugde zijn grassprietje uit.

De mannen gingen er allebei nog wat gemakkelijker bijliggen en hoorden hoe Veuls in de verte zijn sirene aanzette.

 

Houb en Ludo schrokken wakker van piepende banden en twee dichtslaande deuren. Ze gingen rechtzitten en ontwaarden eerst Theo van Grensstreek TV met een grote cameratas aan zijn schouder. Twee meter schuin achter hem was het Joyce die zich aan hun netvliezen opdrong. Ze zag er bloedstollend uit met haar lange blonde haren, een strak rokje en een even strak bloesje dat alles wat eronder zat verried.

‘Miljaardeju,’ fluisterde Ludo nog in Houbs oor voor ze overeind kwamen.

‘Zo heren,’ zei Theo, ‘sorry dat we deze keer wat later zijn. Ik dacht: ik pik Joyce eerst even op. Wat is hier aan de hand? Jullie staan er zo chique op deze keer. Toch niet weer een lijk? Oh, ja en jullie lint was al stuk.’

‘Dag Joyce,’ groette Houb, Theo totaal negerend.

`Dag Joyce,’ zei ook Ludo.

De jonge vrouw begon te blozen. Ludo gaf haar een hand. ‘Ik ben Ludo, de kompaan van Houb.’

Joyce knikte: ‘dat dacht ik al te zien.’

‘Dat ik Ludo heet?’

‘Nee, dat je de kompaan van Houb bent. Hetzelfde pakje…’ Ze glimlachten naar elkaar.

Dat komt wel goed met die twee, dacht Houb toekijkend. Hij knipoogde met een bijbehorend  hoofdknikje een keer naar Theo, maar deze deed net alsof hij het niet zag. Hij was in feite terug aan het negeren. Hij loopt ook heet voor Joyce, dacht Houb, terwijl hij de uiteinden van het kapotte lint vastpakte om ze weer aan elkaar te knopen. Hij stelde zich voor hoe Theo elke avond met een geile blik opnames van haar zat te monteren.

‘Maar wat is er nu eigenlijk aan de hand?’ hoorde hij Theo ineens vragen. Houb schrok op uit zijn gedachten. Hij bracht Theo op de hoogte en wees naar het lijk.

‘Jaja,’ reageerde Theo, ‘een verzopen boerin. Is het moord Houb?’

‘Geen flauw idee,’ zei Houb, ‘dat gaan we dus onderzoeken.’ Hij zag hoe Joyce een beetje witjes wegtrok bij de aanblik van de verdronken vrouw en ook zag hij dat Ludo een keer geruststellend over haar schouder aaide. ‘Ik heb een voorstel Theo,’ begon Houb nu, ‘zo meteen staat de technische recherche hier. Het lijkt me een goed idee dat Joyce deze keer een gesprekje heeft met Ludo, terwijl ik op de achtergrond die mannen in witte pakken wat aan sta te sturen. Spannen we nog een lintje bij waar Ludo en Joyce net voorstaan. Levert geheid een mooi beeld op.’

Theo vond het een goed idee en Houb keek tevreden toe hoe Ludo glunderde. ‘Oh ja, Ludo,’ schoot hem nog te binnen, ‘doe voor de camera ook maar een oproep of iemand iets verdachts heeft gezien. Dan hoeven we geen buurtonderzoek meer te doen.’ Scheelt weer een hoop, dacht Houb in zichzelf. Hij had ook geen zin om dat Veuls en Van Ombeek te laten doen. Voor hen had hij misschien een ander klusje.

 

Terwijl Ludo op de achtergrond voor de camera van Theo door Joyce geïnterviewd werd, boog Huijgebaard zich in zijn witte pak, onder toeziend oog van een assistent en Houb, over het lijk. ‘Verdomme Houb,’ bromde hij, ‘die is goed verzopen, lijkt me.’

Houb knikte en vertelde hoe Tinus al met het slachtoffer had liggen leuren. Huijgebaard had het niet meer toen hij dit verhaal aanhoorde. Met name het idee dat Tinus haar zo terug had gelegd in het belang van het onderzoek deed  hem schudden van het lachen. De ene assistent die hij mee had genomen had ook een grote grijns op zijn gezicht. Verder zweeg deze eigenlijk constant.

‘Mijn God, wat een idioot,’ zei Huijgebaard eenmaal weer bij zijn positieven, ‘qua vingerafdrukken hoeven we dan niet veel te doen. Hij is toch geen verdachte of wel?’

‘Hoezo verdachte?’ Houb was een beetje verast. ‘Gaat u, mijnen heer Huijgebaard ervan uit dat het genen zelfmoord is en dat deze vrouw onvrijwillig verdronken ende vermoord is?’ Hij begon van de weeromstuit al spontaan te swieberen.

Huijgebaar knikte resoluut van ja. ‘Luister mijnheer Houb, het is zo. Even zonder geswieber en gein: twee lijken op één adres, dat kan geen toeval zijn. Het ene houdt dus waarschijnlijk verband met het ander. Bovendien mijnheer inspecteur, als u hier goed kijkt ziet u een soort striem over de achterkant van haar nek lopen.’

Houb zag het nu ook: ‘Verhip ja. Zo goed had ik haar nog niet bekeken. Ik was er zelf ook nog niet dichtbij geweest. Ik dacht: dat laat ik aan u over.’

Huijgebaard glom van trots. ‘Ach ja Houb, ieder zijn vak jongen. Maar goed een striem in haar nek, toch raar.’

Houb wees op de emmer die nog in de badkuip dreef. ‘Die afdruk zou wel iets met dat hengsel van die emmer te maken kunnen hebben.’

‘Zou kunnen,’ knikte Huijgebaard, ‘we nemen het lijk en de emmer maar mee.’

Zijn assistent pakte met zijn handschoenen de emmer alvast uit het water en liep naar het busje.

‘Tjonge,’ zei Huijgebaard nu, ‘het is wel een lelijk wijf. Is zeker de vrouw van dat vorige lijk?’

‘Je raadt het goed, Anton.’

Huijgebaard schoot weer in de lach. ‘Afijn, ik geloof niet dat er sprake is van seksueel misbruik, hahaha!’

‘Je weet het nooit, Er lopen zoveel viespeuken rond die op van alles kicken. Maar toegegeven Huijgebaard, de gemiddelde lustmoordenaar gaat toch voor het iets betere spul.’

‘Zoals dat wijf van de pers daar,’ wees Huijgebaard, ‘wat een lekker ding zeg. Sjonge Houb, die mag mij straks ook wel een keer interviewen.’

‘In het belang van het onderzoek is het niet gewenst dat jij met de pers praat, Huijgebaard.’

‘Klootzak.’

‘Zo is het. Maar Anton, ik wil toch dat je onderzoekt of de vrouw recent nog seks heeft gehad en zo ja, of er dan sprake is van verschillende spermamonsters. Begrijp je, we mogen niets uitsluiten.’

Huijgebaard schudde zijn hoofd. ‘Wat ben je toch een smerig ventje Houb. Maar serieus, zoiets onderzoeken wij bij een moordzaak altijd standaard. Althans als het een vrouw betreft.’

 

Even later was het lichaam van Trees in een zak op een draagbaar, tussen Huijgebaard en zijn assistent in, op weg naar het busje. Houb zag hoe Huijgebaard zweette toen ze onder het prikkeldraad door moesten. Hij vond het toch maar beter om niet mee te helpen. Hij riep wel, toen hij Huijgebaard een schok zag krijgen, dat ze uit moesten kijken voor de stroom. ‘Godverdomme, zeg dat eerder,’ snauwde Huijgebaard. Hij was not amused. Houb besloot als compensatie dan maar de achterdeur van het busje goed open te houden. Dit om het inschuiven van het lijk te vergemakkelijken.

Pas toen Huijgebaards busje uit het zich was verdwenen, viel het Houb op dat Joyce Ludo nog steeds stond te interviewen. Jezus, waar hebben ze het heel die tijd toch in godsnaam over, dacht hij. Ongemerkt sloop hij wat dichterbij zodat hij het gesprek kon volgen. Hij was getuige van de volgende dialoog.

Joyce: ‘Goh Ludo, dat jij geen vriendin hebt.’

Ludo: ‘Neen, ik ben alweer een tijdje vrijgezel, dus…’

Joyce: ‘Mijn verkering is ook sinds kort ten einde.’

Ludo: ‘Leuk…oh sorry, ik bedoel…wat sneu voor je.’

Joyce: ‘Misschien moet het allemaal wel zo zijn en kom ik straks echt de ware tegen, hi hi.’

Ludo: ‘Ja, wie weet staat hij voor je neus, ha ha.’

Joyce: ‘Hi hi…’

‘Het interview is allang voorbij Theo!’ riep Houb plotseling naar de cameraman, die afwezig achter zijn camera stond te gapen. Hij schrok op en ondanks dat Ludo en Joyce zich zichtbaar gestoord voelden in hun gesprek zei hij: ‘Oké Joyce genoeg nu. Kom we gaan monteren.’

Joyce had zichtbaar moeite om van Ludo weg te gaan.

Hier is zware liefde in het spel, dacht Houb. Hij gunde het Ludo wel.

 

Nadat Ludo als een stomme puber de pers uit had staan zwaaien, vertelde Houb hem over de eerste bevindingen van Huijgebaard en dat er dus waarschijnlijk sprake is van moord. ‘We mogen elkaar feliciteren Ludo,’ zei hij theatraal, ‘we zitten midden in een tweelijkige aflevering.’ Ludo’s hersenen stroomden zichtbaar helemaal vol met dopamine. Hij sloeg zijn rechterarm om zijn baas heen om de sirtaki in te luiden. Toen ze de sirtaki een keer op en neer over de inrit hadden gedanst, schrokken ze plots van de verbijsterde stem van Tinus.

‘Wat doen jullie nou? Er is net iemand dood en nu dit…het moet niet gekker worden.’

‘Sorry Tinus,’ zei Houb met een rood hoofd, terwijl hij Ludo van zich af duwde. ‘Dit is zo niet bedoeld.’ Hij vond snel een uitweg voor deze gênante situatie. ‘We zijn aan het oefenen voor een dansje tijdens het smartlappenfestival voor gehandicapten vrijdag. We zingen daar ook een liedje. We twijfelen nog tussen De Griekse muzikant van René Schuurmans en Pappie, ik zie tranen in uw ogen van Arno en Gratje.’ René Schuurmans… hoe kom ik erop, dacht hij.

‘Verhip,’ zei Tinus verbaasd, ‘doen jullie ook mee? Ik zing er ook een liedje misschien. Ik kan heel goed André Hazes nazingen. Zeker in een kroeg als ik twintig potten bier op heb. Maar ja, waarschijnlijk moet ik zaterdag weer naar de uitvaart, dus ik denk niet dat ik vrijdagavond in de stemming ben.’

‘Jammer,’ zei Ludo, ‘er wordt misschien wel op je gerekend.’

Tinus keek bedenkelijk voor zich uit. ‘Ja, dat wel natuurlijk. Misschien als ze me redelijk aan het begin van de avond zetten, maar ja dan heb ik waarschijnlijk nog geen twintig potten bier op.’

‘Wat je er ook mee doet Tinus,’ zei Houb filosoferend, ‘doe wat je zelf denkt dat goed is. Het leven moet toch verder. Het is tenslotte voor de gehandicapten. Niemand kijkt je erop aan. By the way, je was toch alleen maar de knecht van mevrouw Klavermans. Toch niet de levenspartner.’

‘Jaja…euh precies,’ klonk het stamelend en zenuwachtig.

Inmiddels waren de beesten die achter de draad in de hoek stonden bij de aanblik van Tinus weer met zijn allen gaan loeien. ‘De beesten hebben dorst Tinus’  wees Houb, ‘van mij mogen ze weer bij de drinkbak hoor.’

Toen even later de linten opgeruimd waren, zetten Houb en Ludo weer koers naar het bureau. Terwijl de twee onderweg zwijgend in de Multipla naar Henry Lee van Nick Cave in duet met PJ Harvey luisterde, leek het op de boerderij aan de Koepadweg 52 alsof er niks gebeurd was deze morgen

Op het bureau aangekomen wist Ludo niet hoe snel hij de Thai sweet chili uit de kast moest trekken.

‘Nee Ludo,’ zei Houb met zijn vingertje zwaaiend, ‘nog even wachten. Eerst maken we de sirtaki even af.’ Hij sloeg zijn linkerarm om hem heen.

 

Uit het prullenbakje naast Houb zijn bureau stak een lege chipszak. Ludo veegde met een oranje vinger de kruimels van zijn mond. ‘Und jetzt?’ vroeg hij.

‘Tja, und jetzt…,’ zei Houb weifelend. Hij trommelde peinzend met zijn vingers op het bureau en staarde uit het raam.

‘Zeg Houb,’ begon Ludo plots heel serieus, ‘doet het je persoonlijk iets dat Trees dood is? Ik bedoel je hebt haar een beetje leren kennen de laatste dagen. Raakt het je een beetje direct?’

Houb vond het een verrassende vraag. ‘Jezus Ludo,’ antwoordde hij, ‘of het me iets doet… Tja, ik vond het wel een best mens. Echt een no nonsens type. Dat sprak me wel aan. Ja, ik had in dat opzicht misschien wel iets met haar, maar Jezus…aan de andere kant: ze was zo lelijk. Dat maakt het natuurlijk allemaal een stuk minder erg.’

Ludo grinnikte een keer.

Houb moest ook even lachen om zijn eigen sarcasme. ‘Maar Ludo,’ ging hij verder, ‘toch gaan we er alles aan doen om de moordenaar te pakken. Het is sowieso ons werk’

Ludo knikte. ‘Zo is het. Dus…wat ik al zei: und jetzt?’

‘Tja, und jetzt.’ Houb tuitte even zijn lippen en zei toen bedachtzaam: ‘wat moeten we met die Tinus? Ik weet het niet meer. Het zag er in ieder geval niet naar uit dat hij Trees had omgebracht, maar je weet het nooit. Hij is lomp en stom genoeg anderzijds. Of misschien zijn er wel twee moordenaars die onafhankelijk van elkaar opereren. Soms zitten dingen raar in elkaar.’ Hij ging staan en zei plechtig: ‘Weet je wat het is Ludo? Een dode boer in een voermengwagen en een boerin die verdrinkt in een als drinkbak bedoelde badkuip. De werkelijkheid is meer bizar dan de fictie. Zoiets krijgen ze bij Lewis of Frost nog niet verzonnen.’

‘Misschien wel bij Midsomer Murders, reageerde Ludo droogjes.

Houb ging weer zitten en zei zuchtend: ‘Ja natuurlijk, wel bij Midsomer Murders. Maar goed, we kunnen wel stellen dat we in onze moordzaak twee lijken hebben die op een zeer romantische manier om het leven zijn gebracht. En wij Ludo, wij gaan het oplossen!’ Hij was weer gaan staan.

‘Und jetzt?’ vroeg Ludo ten derde male.

‘Jetzt ga jij dat loonwerkersalibi van Tinus toch maar even natrekken. Dan ga ik een bezoekje brengen aan de notaris van de Klavermansen. Doe op je gemak. Om vier uur vanmiddag zie ik je hier weer. Dan kijken we verder.’

Toen Ludo weg was, liep Houb naar zijn briefingruit. Hij pakte de rode stift en noteerde op een open plek alvast enkele nieuwe gegevens onder een dikke rode kop die luidde: moord nr 2. Hij bedacht zich nu dat ze vergeten waren foto’s te maken van het lijk in actie. Echt erg vond hij het ook weer niet. Een mooie foto van het lijk op de snijtafel van Huijgebaard gaat het hier vast ook fantastisch doen, beredeneerde hij.

 

In het notarispand in de Oudstraat mocht Houb, nadat hij kenbaar had gemaakt dat hij van de politie was, meteen doorlopen. ‘Het is die grote bruine deur, daar in de gang,’ wees het meisje achter de balie, ‘klop maar een keer, dan mag je wel binnen. Er is nu verder toch niemand.’

In de gang zag Houb alleen maar grote bruine deuren. Terwijl hij zich zat te vervloeken op de baliemedewerkster, die in zijn ogen een ontzettende vlaaidoos was, zag hij plots op de laatste deur, die een centimeter of vijf hoger was dan de andere deuren, een bordje met: G.T.A. De Klerk, notaris. Tot zijn verbazing hoorde hij muziek achter de deur, zo luid alsof er twee hardhorende bouwvakkers aan het werk waren. Ook werd er door iemand hevig vals meegezongen. Hij herkende het nummer onmiddellijk. Het was onmiskenbaar de jarenzeventigklassieker Manuela van Jaques Herb.

Hij klopte twee keer krachtig op de deur, maar er kwam geen respons. Hij probeerde het nu nog wat luider, maar door de harde muziek werd hij niet gehoord. Niet goedschiks, dan kwaadschiks, dacht Houb, terwijl hij de deur open deed en gewoon naar binnen liep. Daar stond een man in een krijtstreeppak met een banaan in zijn hand als microfoon, voor een spiegeltje aan de muur mee te zingen. In plaats van een keer te kuchen of zoiets, om zich kenbaar te maken, bleef Houb rustig toekijken en wachten tot het nummer helemaal af was. Hij was immers toch al bij het laatste couplet waarin Manuela zwaargewond is en de dokters doorvechten zonder te weten waarvoor en er spijt betuigd wordt. Alhoewel de notaris vals zong vond Houb wel dat hij redelijk goed de maat hield en de timing van de laatste twee ‘Manuelakreuntjes’ waren zonder meer fantastisch.

Toen de muziek weggeëbd was bleef de notaris nog een paar tellen met een heel serieus en begaand gezicht in de spiegel kijken. Voor Houb hét moment om keihard te applaudisseren. Het figuur voor de spiegel sprong wel een halve meter omhoog van de schrik. ‘Idio…euh mijnheer euh, wat doet u hier? Ik… euh… had u niet gehoord,’ stamelde hij met een behoorlijk rood hoofd. Ineens diende Een man mag niet huilen, kennelijk het volgende nummer op de cd, zich aan. De man zette snel de cd-speler uit en begon maar wat zijn banaan te pellen.

‘Ik hoorde u anders wel,’ grinnikte Houb. Hij toonde zijn politiepas en zei: ‘Mijn naam is Houb, hoofdinspecteur Houb met O, U, en een B op het eind. U bent de befaamde notaris De Klerk, neem ik aan. Of bent u Jaques Herb?’

De notaris die nu zijn banaan stond op te eten, toverde een zenuwachtig lachje rond zijn volle mond. ‘Ik ben geen Jaques Herb,’ zei hij nadat hij net een grote hap had weggeslikt, ‘maar het zal wel een komisch gezicht zijn geweest, als je zo komt binnenvallen. Het is niet wat je denkt hoor. Ik ben wel degelijk goed wijs. Heb gestudeerd zelfs. Nee, ik doe aanstaande vrijdag mee aan het smartlappenfestival voor gehandicapten hier in het dorp en ik ben nog wat aan het oefenen. Nu nog met Jaques zelf erbij hahahaha… Live zingen hè, want dood valt dat niet mee hahahaha! Veel prominenten doen mee, dus dan kun je als notaris de Klerk met K, L, E, R en een K op het einde overigens,  hahahaha,  niet achterblijven.’

Wel wel, dacht Houb vol afschuw, hij ontpopt zich ineens als een ware grapjas. Hij stak zijn hand uit. ‘Zo mijnheer De Klerk, dan kunnen we elkaar wel een hand geven. Mijn assistent en ik doen ook mee.’

De notaris keek alsof hij net had gehoord dat hij zevenendertig-en-een-half duizend euro had gewonnen met de postcodeloterij. ‘Dat meen je niet!’ riep hij, terwijl hij Houbs hand schudde alsof hij een tak van een boom af wou breken, ‘dat is toevallig!’ Zijn gezicht verstrakte plots een beetje. ‘Of niet toevallig….ben je daarvoor hier? Zit je in de organisatie of zo?’ Om één of andere reden keek hij nu een beetje teleurgesteld. Hij slikte het laatste beetje van zijn banaan weg.

‘Nee, nee nee,’ zei Houb snel, ‘we hebben het er straks nog wel over. Ik kom in de eerste instantie eigenlijk wat vraagjes stellen in mijn functie als zijnde politiefunctionaris.’

De notaris leek te schrikken. ‘Waarover?’ begon hij nerveus, ‘gaat het over dat verkeersbord in de Oudstraat? Tja, ik was eergisternacht wat moe en wilde meteen naar huis daarom ben ik doorgereden. Dat iemand dat heeft gezie…euh. Dat bord stond natuurlijk wel een beetje raar in die scherpe bocht daar. Maar ik was net van plan om de gemeente te bellen…’

‘Oh,’ zei Houb grijnzend, ‘had je met drank op een verkeersbord geramd? Dat kan vervelend zijn. Dat wordt wel gemaakt, joh. Maar ik kwam ergens anders voor. Ik wilde wat vragen over een cliënt van je.’

De Klerk leek zichtbaar opgelucht en veegde in de veronderstelling een zakdoek in zijn hand te hebben met de bananenschil over zijn voorhoofd. ‘Jezus, wat doe ik nu,’ zei hij ongemakkelijk. Hij veegde nu maar met zijn mouw van zijn krijtstreeppak over zijn voorhoofd. ‘Nee nee, ik was niet dronken, maar u had het over een cliënt?’

‘Ene mevrouw Klavermans. Ze is gisteren bij u geweest in het gezelschap van ene meneer.’

‘Ja klopt.’ De notaris voelde zich plots niet meer ongemakkelijk. Hij gooide met een boog zijn bananenschil in de prullenmand en zei: ‘Toedeledoki.’ De grapjas in hem kwam weer boven.

Een bananenschil bij het oud papier gooien en ‘toedeledoki’ zeggen, wat een lul, dacht Houb. ‘Goed gemikt, maar even serieus over die mevrouw Klavermans,’ begon hij tactisch, ‘kreeg de arme weduwe het allemaal geregeld na de dood van haar man?’

‘Euh …jawel, is allemaal goed gegaan,’ zei De Klerk knikkend.

‘En die meneer? Kwam die alleen maar mee om haar handje vast te houden of?’ Natuurlijk wist Houb goed wie die ‘meneer’ was, maar hij gunde het de notaris dat die het hem straks mocht vertellen.

De notaris fronste even zijn wenkbrauwen en zei toen: ‘Ja euh, verder kan ik er niks van zeggen natuurlijk. Ik heb als notaris zijnde mijn geheimhoudingsplicht. Dan nog heeft niemand er iets mee te maken. Ik denk niet dat mevrouw Klavermans dat op prijs stelt.’

‘Mevrouw Klavermans stelt helemaal niks meer op prijs,’ zei Houb met de nodige dramatiek in zijn stem, ‘mevrouw Klavermans is namelijk heden ten dage komen te overlijden.’

De Klerk schrok zichtbaar: ‘Jezus,’ zei hij na een korte adempauze, ‘ik schrik als notaris nergens meer van, maar hier sta ik toch van te kijken. Haar man is amper een week de pijp uit. Onder mysterieuze omstandigheden toch? En nu mevrouw zelf. Jezus, ze was gisteren nog hier. Hoe is ze aan haar einde gekomen?’

‘Daar kan ik verder niks over zeggen,’ zei Houb, ‘het onderzoek loopt nog. Maar als u wat nadere details hebt over haar bezoek gisteren, en wie die meneer was, vertel ik hoe ze om het leven is gekomen.’

De notaris lachte zenuwachtig en zei aarzelend: ‘Tja, een mooi voorstel, maar mijn zwijgplicht hè. Alhoewel ik heel nieuwsgierig ben. Ik neem aan dat u discreet met mijn informatie omgaat?’

Curiosity killed the cat, dacht Houb. ‘Zeker mijnheer de notaris,’ zei hij, ‘en u gaat dan uiteraard ook discreet met mijn informatie om. En weet u: als u het netjes allemaal vertelt dan hou ik zeker mijn mond over dat verkeersbord.’ Even doorstoten nu, dacht hij.

‘Jaja,’ zei de notaris die langzaam op en neer begon te lopen, ‘het is al goed. Welnu: Mevrouw Klavermans is na de dood van haar man, omdat er geen kinderen waren, geheel eigenaar geworden van de boerderij. Maar mevrouw heeft er geen gras over laten groeien en heeft al meteen een partnerschap laten registreren met ene Martin Bundsteker, dat was die meneer die erbij was en ook knecht is op de boerderij.’

Houb knikte. ‘Jaja, die.’

‘Verder heeft ze meteen in een testament vast laten leggen, dat na haar dood de boerderij overgaat naar de knecht, die Martin Bundsteker. Ik vond het best wel opmerkelijk, maar zo pragmatisch zat mevrouw in elkaar. Tja en dat testament… net alsof ze haar dood aan voelde komen…’ Plotseling stond hij stil en hij veranderde van toon: ‘Nu ben jij. Hoe is ze aan haar einde gekomen?’

‘Gewoon verdronken,’ zei Houb zo laconiek mogelijk.

‘Verdronken?’ De notaris leek teleurgesteld.

‘Precies zoals ik het zeg: verdronken,’ zei Houb.

‘Hoe of wat?’

‘Ze lag voorovergebogen in een koeiendrinkbak met haar hoofd onder water en tja, dan krijg je weinig lucht meer binnen.’

‘Nou, dat lijkt me dan geen ongeluk,’ begon de notaris bijdehand mee te denken, ‘het kan zelfmoord zijn of iemand heeft haar een handje geholp…’ Hij stokte plots, liet zijn mond openvallen, ademde een keer diep en zei: ‘Martin Bundsteker’

‘Jaja, Martin Bundsteker’  herhaalde Houb, ‘dank u wel notaris.’ Hij zei hem gedag en liep de deur uit. In de gang hoorde hij de notaris nog roepen. ‘Niet zeggen dat ik dat heb gezegd!’

Sukkel, dacht Houb. ‘Tot vrijdag!’ riep hij terug.

De notaris kwam hem achterna gesprint. ‘Meneer Houb,’ hijgde hij, ‘doet u vrijdag gewoon mee dan? Ja, u doet mee zeker! Als wat?’

Houb grijnsde: ‘Ik doe samen met mijn assistent een duo omdat we met zijn tweeën zijn. Wat verklap ik niet, dat is nog een verrassing.’

‘Flauwerik. Heb je wel alles klaar al? Ze kijken ook naar kleding en zo hè. Het moet wel een beetje lijken geloof ik. Ik ben er ook nog niet uit wat ik aan doe. Weet jij hoe die Jaques Herb gekleed ging?’

Houb bekeek de notaris van top tot teen en zei: ‘Dit krijtstreeppak is het gewoon, joh. Een wit pooiershoedje erbij en klaar is Kees, of in dit geval Jaques.’

‘Zou je denken?’

‘Geheid een succes. En laat je goed schminken. Die Herb heb ik vroeger een keer aangehouden wegens te hard rijden. Hij was vaak in de vakantie op een camping in Riethoven. Het was donker, maar toen ik mijn zaklamp op zijn gezicht zette, dacht ik dat er een grindtegel in de auto lag, zo pokdalig is hij van dichtbij. Het was net een scène uit Tatort.’

De notaris lachte en vroeg: ‘Wie is Tatort ook alweer?’

‘Geen flauw idee,’ zei Houb zijn schouders ophalend, ‘ik heb werkelijk geen flauw idee. Afijn succes vrijdag!’ Hij liep naar buiten.

‘Jij ook succes!’ riep de notaris hem na, ‘maar hopelijk niet zoveel als ik, hahahahaha!’

Sukkel, dacht Houb. Hij vond het nu wel volstaan qua notarisgrapjes.

 

Later in de middag, toen Houb een dutje aan het doen was in zijn kantoorstoel, ging zijn gsm. Hij was meteen klaarwakker, zeker toen hij op de nummermelding de naam Huijgebaard zag verschijnen. ‘Zo Antonio,’ zei hij jolig, ‘zeg het maar.’

‘Houb, jongen proficiat,’ klonk het opgetogen in zijn rechteroor, ‘het is moord jongen, net als ik al dacht.’

‘Mooi,’ zei Houb, ‘hoe en wat?’

Huijgebaard kuchte aan de andere kant een keer gewichtig en zei: ‘Luister, het slachtoffer is waarschijnlijk tussen half acht en negen verdronken. Saillant detail: in die rode streep in haar nek troffen we sporen aan van ijzerdeeltjes, maar niet afkomstig van het emmerhengsel. Ik vermoed zelf dat het hier weer ging om een gaffel, gezien het nader onderzoek naar de afmetingen en zo. Een splinternieuwe gaffel deze reis.’ Hij laste na deze zin een korte pauze in zodat Houb kon reageren.

Houb werd bijna lyrisch. ‘Weer een gaffel? Dat meen je niet!’

‘Ik meen het wel. Mijn hypothese is dat iemand haar vanachter heeft beslopen toen ze bij die drinkbak stond, een gaffel over haar nek heeft geduwd en kopje onder heeft gehouden. Er zijn verder helemaal geen sporen van direct fysiek contact.’

Houb joelde het uit: ‘Yes, yes! Oké Antonio, we zitten midden in een tweelijker getiteld: ‘De Bergeijkse gaffelmoorden’. Hij laste nu een pauze in, zodat Huijgebaard op zijn beurt kon reageren.

‘Mooie titel Houb,’ bromde deze tevreden, ‘bedankt dat ik er ook een bescheiden rol in mag spelen.’

Houb grinnikte: ‘Geen dank Antonio. Ik kan weer op onderzoek uit. En nu de hamvraag. Was er nog seks bedreven met de schoonheid en zo ja: met één of meerdere?’

‘Met één,’ klonk het gedecideerd, ‘en dat vind ik al behoorlijk veel voor zo’n mormel.’

‘Wanneer?’

‘Waarschijnlijk de nacht ervoor nog. Sperma van één en dezelfde viespeuk. We hebben dus DNA, mocht het ook de moordenaar zijn.’

Houb wist genoeg. ‘Bedankt Antonio, zou je me nog een paar foto’s van het lijk willen mailen. Dan kan ik weer vooruit. Zorg maar dat het lijk weer bij de familie terechtkomt dan kunnen ze het hele gebeuren opbaren en zo. Ga je verder nog wat leuks doen vandaag?’

‘Ja, forelvissen in de Dommel met de canastaclub. En noem me geen Antonio.’

Houb glimlachte, zei: ‘Houdoe Antonneke,’ en drukte hem weg. Hij staarde even opgewonden voor zich uit, stond op en liep naar de tussenruit. Hij keek naar de weerspiegeling van zijn hoofd tussen alle letters door en mompelde: ‘De Bergeijkse gaffelmoorden, de eerste aflevering in de befaamde ‘Inspecteur Houb’ reeks.’

 

Houb zat op zijn knieën voor zijn printer toen hij iemand binnen hoorde stormen. ‘Houb,’ hoorde hij hem roepen. Hij herkende Ludo’s stem en hoorde hem mompelen: ‘Miljaardeju. Waar zit die idioot nu weer?’

Houb stak zijn hoofd boven het bureau uit en zei: ‘Die idioot zit hier.’

Ludo schrok zich eerst te pletter en zei vervolgens kalm: ‘Zei ik idioot? Sorry Houb, het was niet de bedoeling dat je me hoorde. Wat ben je daar trouwens aan het doen?’

‘Ja godver Ludo, die kutprinter weigert. Misschien kun jij even kijken.’

Ludo ontfermde zich over Houb zijn probleem. ‘Je hebt de printer niet aan staan idioo… ik bedoel.’

‘Ja godver!’ brieste Houb, ‘die heb ik een keer uitgezet om hem dan weer aan te zetten. Dat wil wel eens helpen bij die klotedingen.’ Hij drukte weer op de aanknop.

‘De printer zou het gewoon moeten doen nu,’ knikte Ludo. Hij keek op het computerscherm waar hij de foto van het ontzielde lichaam van Trees op de snijtafel ontwaarde. ‘Nou, nou, nou, kijk hier eens zeg,’ begon hij spottend, ‘miljaardeju Houb, dan zie ik nog liever de blote kont van weerman Frank Deboosere. Zoiets wil die printer gewoon niet uitprinten.’

Hij drukte op ctrl/P, enterde een keer en de printer begon zijn bekende geluid te maken. Ludo klopte vriendschappelijk op Houbs hoofd. ‘Miljaardeju, ik heb het mis Houb. En of hij haar uitprint. Daar komt ons prachtig lijkske.’

‘Ludo, je bent een schat,’ zei Houb, terwijl hij het papier onder uit de printer viste. Gewapend met een rol plakband liep hij met de afdruk naar het briefingraam. Hier kreeg ‘Trees’ een plaatsje onder het kopje: moord nr 2.

‘Mooi hè Ludo,’ mompelde hij tevreden vanaf een meter het resultaat bekijkend.

‘Mooi Houb,’ klonk het achter hem, gevolgd door een enthousiast: ‘maar nu even iets anders baas.’

Hij heeft nieuws, dacht Houb. Hij draaide zich meteen om. ‘Vertel het eens Ludo, nog nieuws onder de Bergselse zon?’

‘Yep,’ zei zijn assistent triomfantelijk, ‘ik heb het loonwerkersalibi van Tinus gecheckt en jawel…’ Hij laste even een pauze in. ‘Het klopte als een bus.’

‘Klootzak,’ zei Houb geïrriteerd.

‘Maar…,’ ging Ludo snel op gewichtige toon verder, ‘er is een ‘maar’. Tinus was inderdaad aan het werk voor het loonbedrijf. Gras maaien bij Klaas Zultkop dus. Nu ben ik bij die Zultkop langs geweest en die kon het bevestigen. Echter bij nadere ondervraging bleek hij voor Zultkop ook nog een perceel te hebben gemaaid dat niet aan zijn deur lag. Dit perceel van Zultkop ligt aan de zandweg welke loopt van de Koepadweg naar het Heibos. En nu komt het Houb: dit perceel is hemelsbreed slechts 600 meter verwijderd van de boerderij van Klavermans! In theorie kan Tinus het gedaan hebben! Het tijdstip van het maaien van dit perceel komt overeen met het vermoedelijke tijdstip van de moord!’

Houb wist niet of hij aangenaam verrast moest zijn of sceptisch. Hij koos voor een combinatie van beiden. ‘Tja Ludo, goed werk, het zou zomaar eens kunnen. Maar het hoeft natuurlijk niet zo te zijn.’

‘Nee dat niet, maar…’

‘Maar wat?’

‘Houb, denk toch eens na,’ klonk het ongeduldig, ‘ik denk gewoon dat hij het gedaan heeft. Het motief is er en hij kan bij beide moorden aanwezig zijn geweest. Eén en één is toch twee. Dat is toch duidelijk!’

Houb knikte bedachtzaam: ‘en nu Ludo. En nu?’

‘Onmiddellijk arresteren en ondervragen Houb.’

‘Nee nee,’  schudde Houb zijn hoofd, ‘in geen geval onmiddellijk arresteren.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat mijn beste Ludo,’ zei Houb, ‘omdat ik ermee wil wachten tot zaterdag. Ik wil zijn optreden als André Hazes vrijdag in geen geval missen en jij?’

Ludo begon te lachen. ‘Ik ook niet baas!’

‘Bovendien,’ voegde Houb eraan toe, ‘hebben we dan nu een paar daagjes rust. Kunnen we zelf ook nog een keertje oefenen, Arno.’

 

Die avond keek Houb samen met zijn Josefien tevreden naar het nieuws van Grensstreek TV. ‘Kijk daar Josefien!’ wees hij naar de linkerbovenhoek van de tv, ‘daar, achter dat lint sta ik de mannen aan te sturen. Zie je het?’

Josefien was een beetje afwezig. ‘Hè wat schat?’

‘Daarboven in de hoek! Degene die je op de rug ziet dat ben ik.’

‘Oh sorry schat,’ schrok Josefien op, ‘nu zie ik het. Ik was even naar Ludo en die presentatrice aan het kijken. Jongen wat staat die Belg van een Ludo te kwijlen zeg.’ Ze zuchtte. ‘Mannen…. Zo gauw ze iets blonds zien dan zijn ze niet meer te houden.’

Houb grinnikte. Inmiddels was het item voorbij en vulde het scherm zich met beelden van een nieuw gemeentebankje ergens bij een vijver in Eersel. Houb herkende de vijver onmiddellijk. Hij had er Ludo tijdens een wandeling in de lunchpauze ooit ingeduwd. Heel zijn gsm was toen naar de knoppen. Houb grinnikte weer een keer toen hij hier aan dacht.

‘Wat grinnik je allemaal? Is er iets met dat blond wijf?’

‘Dat blond wijf is Joyce. Ludo is verliefd op haar,’ zei Houb. Voordat Josefien hier op kon reageren vroeg hij: ‘Heb jij eigenlijk gehoord wat hij in het interview zei?’

‘Euh tja. Niet veel zinnigs volgens mij. Iets in de trant dat jullie een misdrijf niet uitsluiten, en een oproep of misschien iemand iets verdachts heeft gezien.’

‘Mooi,’ zei Houb, ‘zullen we dan morgen bami eten?’

Josefien gaf hem een kus. ‘Ik ben ook verliefd,’ zei ze, ‘op de hoofdrolspeler van een tweelijkige detective.’

Houb zapte naar Nederland 2 voor de samenvatting van de touretappe.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

Net toen Houb Ludo een kusje op de wang wilde geven rinkelde de telefoon op het bureau van Houb.

‘Saved by the bell,’ grijnsde Ludo, terwijl hij Houb van zijn schoot afduwde om hem vervolgens de telefoon aan te reiken.

‘Jammer,’ zuchtte Houb. Hij drukte op het knopje met de groene hoorn en zei zijn naam zonder het O U B-verhaal.

Het was Van Ombeek aan de andere kant van de lijn: ‘Hoi inspecteur. Zeg, ik zit aan de telefoon vandaag want Karin van de meldkamer is ziek. Waar waren jullie vanmorgen? We konden jullie niet bereiken.’

‘Ik was net met Ludo aan het vrijen. We zijn overigens nog niet zo lang hier.’ Het klonk bloedserieus.

Het bleef een momentje stil aan de andere kant van de lijn. ‘Haha,’ zei Van Ombeek toen een tikje achterdochtig, ‘leuk grapje Houb. Maar nu even serieus: ene notaris De Klerk heeft een uur geleden gebeld. Of jij hem terug wilde bellen. Het was nogal dringend.’ Hij gaf Houb nog even het nummer door voor ze ophingen.

‘Ik moet de notaris even bellen,’ zei Houb tegen de vragend kijkende Ludo. Hij was erg nieuwsgierig naar wat de notaris te melden had. Hij zette de telefoonluidspreker aan zodat Ludo mee kon luisteren en toetste het nummer in.

‘Notaris De Klerk, met Chantal.’ klonk een vrouwenstem.

Het meisje achter de balie, dacht Houb. Hij had er geen exact beeld meer bij. Hij wist wel dat ze blond was maar niet meer of ze knap was. Waarschijnlijk niet zo heel erg, anders was hem dat wel opgevallen. ‘Hier met Manuela,’ zei hij, ‘is Jacques er ook?’

Het baliemeisje aan de andere kant begon te schaterlachen. ‘Ha ha ha, je bent goed op de hoogte. Het gaat over vrijdag zeker? Haha leuk, alleen ik ben eigenlijk Manuela. Haha, Ik doe nu ook mee vrijdag. Gerard had een idee. Terwijl hij zingt, speel ik op de achtergrond Manuela. Als dan het ongeluk komt laat ik bloed uit mijn mond lopen en doe ik net of ik sterf. Gaaf hè.’

Jezus, dacht Houb, dat gaan de verstandelijk gehandicapten niet begrijpen en dan raken ze in paniek. ‘Heel leuk Chantal,’ zei hij, ‘zorg wel dat je dat flink overdrijft. Het is toneel, weet je wel. Flink overdrijven met heel veel bloed.’ Hij knipoogde naar Ludo, die verbaasd meeluisterde.

‘Jaja,’ zei het meisje, ‘ik weet wel hoe die dingen werken. Ik heb jarenlang bij toneelclub ‘Het Open Doekje’ gespeeld. Drie jaar geleden speelde ik nog de hoofdrol in ‘De poes van tante Kee’.’

‘Volgens mij heb ik dat gezien, was jij niet tante Kee?’ zei Houb zonder een spier te vertrekken.

‘Serieus, heb jij dat gezien?’ Ze klonk heel aangenaam verrast.

Ludo lag hinnikend van het lachen op de grond.

Houb vond het nu wel welletjes. ‘Nee, maar zonder gekheid jongedame, is mijnheer De Klerk te bereiken? Ik moest hem dringend terugbellen.’

‘Oké mijnheer,’ klonk het een tikje gedesillusioneerd, ‘ik zal u even doorverbinden.’

Terwijl de pieptoon klonk, deed Ludo een poging om overeind te komen. Houb duwde hem uit balorigheid weer terug naar de grond. Hij gebruikte hiervoor zijn rechtervoet.

Notaris De Klerk had deze keer kennelijk geen zin en tijd voor grapjes. ‘Ben jij het inspecteur Houb?’ klonk het opgewonden, ‘luister, ik werd anderhalf uur geleden gebeld door een kerel die beweerde ook erfgenaam te zijn van Dré en Trees. Sterker nog, hij zei dat hij een zoon van Dré was!’

‘Wat?’ Houb viel bijna om van verbazing. Ludo stond ineens weer helemaal recht.

‘Ja, je hoort het goed. Hij beweerde een zoon van Dré te zijn. Zijn moeder is niet zo lang geleden overleden. Hij is dus niet de zoon van Trees, begrijp je. Hij wilde als het nodig was wel een DNA test doen om het te bewijzen, dus…’

‘Dus als ik het goed begrijp dan…’

‘Precies Houb, ik denk dat moet ik jou zo snel mogelijk laten weten. Mocht het inderdaad zo zijn, dan is deze man ook een verdachte. Hij heeft in ieder geval wel een motief, denk ik.’

Houb en Ludo keken elkaar veelbetekenend aan. Houb kuchte een keer in de hoorn en zei: ‘Ahum, notaris, of deze man al dan niet verdacht is, dat laat maar aan ons over. Dat lijkt me niet aan jou. Bedankt voor de informatie. We zullen het in ieder geval meepikken.’

‘Jaja,’ klonk de notaris in navolging van zijn receptiemeisje nu ook een tikje teleurgesteld, ‘je weet maar nooit Houb. Ik heb hem gezegd dat ik in de eerste instantie ga uitzoeken of hij wel werkelijk recht heeft op een erfenis. Weet je, Dré is eerst overleden, vervolgens heeft Trees alles geërfd enTrees is niet zijn moeder. Een DNA-test is nu nog niet aan de orde, tenzij jij er iets mee kunt natuurlijk.’

Houb dacht even na en zei toen: ‘Wacht er nog maar mee notaris. Heb jij de gegevens van onze vriend bij de hand? Misschien dat we er vandaag nog een bakje koffie gaan drinken.’

Houb krabbelde de gegevens die hij van de notaris kreeg op een papiertje. Het ging om ene Dirk van Stervensbergen uit Vessem. ‘Bedankt voor de info mijn heer de Klerk. Tot vrijdag Jacques,’ sloot hij het gesprek af. Er klonk nog wat stom gegrinnik voordat Houb hem wegdrukte. Vervolgens keek hij zonder iets te zeggen Ludo aan en voelde dat Ludo hetzelfde gevoel had als hij.

‘Miljaardeju,’ bracht Ludo zorgvuldig articulerend uit, ‘een bakske koffie in Vessem. Daar heb ik zin in Houb.’

 

Tien minuten later scheurde een Multipla over de weg van Eersel naar Vessem. Houb had beredeneerd dat de kerel waarschijnlijk thuis was omdat hij eerder op de morgen de notaris had gebeld. De stem van Nick Cave klonk mijlenver weg. Vanwege de weeromstuit waren ze vergeten de muziek op de door hen gewenste sterkte te zetten.

‘Hoe pakken we het aan, mocht hij thuis zijn?’ vroeg Ludo.

‘Gewoon,’ zei Houb, terwijl hij na een scherpe bocht weer gas bijgaf, ‘ik vraag hem uit en ga het met hem over een alibi hebben. Eens horen wat hij te vertellen heeft. Jij kijkt ondertussen goed rond in zijn woning, ‘

Met de Tomtom hadden ze het betreffende huis zo gelokaliseerd. Het was een halfvrijstaande woning, ergens in de wijk bij de oude molen. Een sociale huurwoning, dacht Houb, terwijl hij op de bel drukte. Ludo bleef een meter achter hem staan. Het zag er in Houb’s beleving allemaal heel stoer en Tatort-achtig uit.

Er gebeurde een halve minuut niks. ‘Shit, niet thuis natuurlijk,’ mompelde Houb. Hij drukte nog een keer op de bel. Net toen onze twee heren onverrichter zaken wilden omkeren kwam er geroep vanuit het huis. Houb luisterde door de brievenbus en hoorde een mannenstem roepen: ‘Jaah! Kom maar achterom, de deur is open!’

Toen de mannen even later door de achterdeur binnenliepen, konden ze hun ogen nauwelijks geloven. Een man van rond de vijfendertig zat in een rolstoel in de woonkamer. Hij leek als twee druppels water op de overleden Dré. Zijn linkerbeen zat van boven zijn knie tot aan zijn tenen in het gips.

Houb duwde zo stoïcijns mogelijk zijn politiepasje voor de man zijn ogen en zei: ‘Mijnheer Dirk van Stervensbergen neem ik aan. Mijn naam is Houb, hoofdinspecteur Houb met O U B. Heb je de koffie klaar voor mij en mijn assistent Ludo?’

De man vertrok geen spier. ‘Oké, mijnheer Houb en assistent, dan mogen jullie zelf een bakske koffie zetten. Voor mij is dat in deze situatie een beetje moeilijk, begrijp je. Op het aanrecht daarachter staat een Senseo. De kopjes staan in de kast erboven, net als de melk en suiker. Help yourself zou ik zo zeggen.’

Terwijl Ludo de taak van koffiebode op zich nam, nam Houb plaats in een fauteuil tegenover de man. Hij stelde zijn eerste vraag: ‘Zo mijnheer van Stervensbergen, vertel me eerst eens: hoe kom jij aan dat gebroken been?’ Hopelijk vertelt hij geen al te gedetailleerd verhaal, dacht hij.

‘Ja, hoe kom ik aan zo’n been,’ zei van Stervensbergen met een zucht, ‘het was gewoon een stom ongelukje. Om kort te zijn: gewoon van een klein keukentrapje afgedonderd bij het ramen wassen. Ik kwam ongelukkig terecht en krak, mijn been op twee plaatsen gebroken. Een ongecompliceerde beenbreuk.’

Een gecompliceerde beenbreuk bedoelt hij, dacht Houb. ‘Hoe lang geleden is dat gebeurd?’ luidde zijn tweede vraag.

‘Euh, even kijken…nu inmiddels een week of drie geleden. Ja, vandaag precies drie weken geleden.’

Kut, wat een mooi alibi, dacht Houb. Hij vond het natuurlijk niet aannemelijk dat je met een rolstoel dergelijke moorden kan plegen. ‘Oké, drie weken geleden,’ herhaalde hij zonder al te veel wantrouwen te laten doorklinken. Hij ging nu heel rechtop zitten, keek de man doordringend aan en vervolgde: ‘Maar goed, wij zijn bezig met het onderzoek van de moord op jouw vader, de heer Dré Klavermans.’

‘Hoe weten jullie dat Dré Klavermans mijn vader is?’ klonk het verbaasd.

‘Nou,’ zei Houb met een brede lach, ‘je lijkt er als twee druppels water op.’

De man staarde even bedachtzaam voor zich uit. Hij leek toch wel een beetje van zijn a propos. Houb vertelde hem dat hij van de notaris alle namen van eventuele erfgenamen had gekregen en dat hij daar sinds vanochtend ook bij hoorde. ‘Het is voor ons gewoon een routineonderzoek,’ stelde hij Van Stervensbergen gerust. ‘Vertelt u eens over het hoe en wat van uw vader. Vertel het verhaal compleet maar wel zonder overbodige details. Dat geeft alleen maar ruis.’ Houb had geen zin in een lang lulverhaal.

Terwijl Ludo de koffie had gebracht en wat onopvallend door het huis begon te struinen, stak de man aarzelend van wal: ‘Ja ja, mijn vader… Weet je, ik heb hem echter nooit gekend. Ik weet ook pas sinds een half jaar dat hij mijn vader was. Mijn moeder vertelde het me uiteindelijk op haar sterfbed. Ze is overleden aan een hele rare bacterie.’

‘Verschrikkelijk,’ onderbrak Houb, ‘maar ga verder.’ Hij meende dat een dergelijke onderbreking op dit moment zo hoorde.

‘Dus,’ ging Van Stervensbergen verder, ‘kreeg ik de dag voor haar dood van haar te horen dat Dré Klavermans mijn vader was. Tijdens de kermis hier in Vessem heeft de klootzak haar zwanger gemaakt. Mijn arme moeder was pas zestien. Ze vertelde daarbij ook dat het niet echt vrijwillig ging. Ze had teveel gedronken en was met hem naar buiten gelopen, want hij had beloofd een grote roze beer voor haar te schieten. Om stoer te doen schoot hij die beer die in de kraam hing midden in de buik. Dat is natuurlijk niet de bedoeling in zo’n schiettent. Je moet bijvoorbeeld ijzeren konijntjes schieten en daarvoor krijg je punten en voor zoveel punten kun je dan zo’n beer krijgen. Of zo’n beer hangt aan van die witte kokertjes die je door moet schieten. Maar afijn, die kermisman werd woest en kwam achter zijn kraam uit om die Dré, mijn vader dus, eens mores te leren. Hij is toen de bosjes bij de kerk ingevlucht. Mijn moeder had hij aan haar hand meegesleept. Die vond het in het begin wel spannend. Maar in de bosjes wilde Dré vrijen en werd hij handtastelijk. Mijn moeder hield de boot een beetje af, maar hij ging maar verder.’ De man stopte even en zuchtte diep.

‘Ga verder,’ zei Houb die het reuzeninteressant vond. De details stoorden hem nog niks. Ondertussen dronk hij genoeglijk zijn koffie.

‘Om een lang verhaal kort te maken, uiteindelijk ontaardde het in een echte verkrachting,’ ging de man nu op zakelijke toon verder. ‘Mijn moeder wilde het uit schaamte voor zich houden, maar dat lukte niet omdat ze er na twee maanden achter kwam dat ze in verwachting was. Van mij dus. Afijn, het kind wilde ze gelukkig wel houden, anders had ik hier nu niet gezeten. Verder is er geen aangifte gedaan of zo. Het werd door de familie in de doofpot gestopt. Wel hebben twee oudere broers van mijn moeder, mijn ooms dus, die Dré eens een flinke pak rammel verkocht ergens bij een kroeg in Reusel. Ze hadden zijn ballen er zowat afgeschopt, waardoor hij letterlijk in het ziekenhuis belandde. Naar verluid is hij toen helemaal impotent geraakt. Ik vind het een vreselijk idee: mijn vader is dus de verkrachter van mijn moeder. Toen ik hoorde dat de klootzak dood was, deed het me weinig, ook al is het mijn vader.’

‘Maar je wilt nu wel erven,’ zei Houb.

‘Ja allicht. Nu ook zijn vrouw dood is, ben ik volgens mij de enige rechtvaardige erfgenaam. Mijn moeder lacht zich kapot in haar graf, als ze zou horen dat ik waarschijnlijk heel die toko zou erven.’

Die is goed, dacht Houb, iemand die zich kapot lacht in zijn graf. Hij knikte een keer begrijpend en vroeg toen op doordringende toon: ‘Hoe wist je trouwens dat zijn vrouw ook onlangs is overleden?’ Hij was erg benieuwd naar het antwoord. Misschien heb ik hem nu al klem, dacht hij.

Van Stervensbergen begon echter te lachen: ‘Haha, dat werd gisterenavond breed uitgemeten op Grensstreek TV. Weer een moord, is het niet?’

Houb had de man nauwlettend in de gaten gehouden maar hij zag nog steeds niets dat kon wijzen op een bepaalde nervositeit. ‘Oké,’ zei hij, ‘verder heb ik nog een vraag: woon jij hier alleen? Heb je een vrouw, vriendin of kinderen?’

‘Een vriendin, geen kinderen.’

‘Hoe heet ze?’

‘Kitty Monstermans. Ze komt uit Middelbeers.’

‘Ach zo,’ knikte Houb. Hij vond Kitty een afschuwelijke naam, meer een merk voor kattenbakvulling. Vanuit zijn ooghoeken zag hij Ludo in de keukenkastjes loeren. ‘Je vriendin is nu aan het werk?’ polste hij.

De man knikte ja: ‘Jawel, ze werkt bij frituur De Plèkjanus in Knegsel.’

‘Ja ja, De Plèkjanus,’ herhaalde Houb mompelend. Hij kende de tent wel. Ze hadden goede snacks, maar slechte friet. Hij zag Ludo nu buiten op het stoepje staan. Hij loerde door het raam van het bergingshokje. Ik zal nu de hamvragen maar tactisch gaan stellen, dacht hij. Om het wat meer cachet te geven ging hij recht staan en liep hij langzaam met het kopje koffie in zijn hand naar het grote raam voor in de kamer. ‘Zo, mijnheer Van Stervensbergen,’ begon hij terwijl hij bedachtzaam naar buiten staarde, ‘dan moet ik u nog een paar dingen vragen. Het zijn ook weer routinevragen, bedoeld om u uit te kunnen sluiten als dader.’ Hij draaide zich plots om. ‘Mijnheer van Stervensbergen, waar was u afgelopen dinsdagmorgen en de dinsdagmiddag ervoor ten tijden van de moorden?’ Houb vond het fijn voelen om zoiets te vragen.

De man vertrok wederom geen spier en zei op licht sarcastische toon; ‘Wat dacht u zelf? Dat ik ergens wat moorden stond te plegen? Ik kan niet eens lopen. Nee joh, ik was gewoon thuis.’

Houb vond het woordje ‘joh’ denigrerend klinken. ‘Oké jochie,’ kaatste hij terug, ‘kun je dat bewijzen.’ Hij nam nog een slokje van zijn koffie.

‘Nee,’ klonk het gedecideerd. ‘Dat kan ik niet bewijzen. Mijn vriendin was aan het werk. Op dinsdag werkt ze de hele dag. ‘s Morgens poetst ze en ’s middags bakt ze. Toen ze weer thuis kwam zat ik hier op deze plek. Maar goed, ik kan natuurlijk een stukje zijn gaan rijden. Dat weet ik zo niet meer. Af en toe rijd ik met mijn rolstoel een ommetje.’

Ludo kwam weer binnen. Hij had zijn koffie, die hij bijna was vergeten, van het aanrecht gepakt, slurpte er een keer van en vroeg in de richting van Van Stervensbergen: ‘Bevalt dat goed, zo’n schotelbraai?’

Houb verslikte zich bijna in een klein slokje koffie. Wat is dat nu voor een debiele vraag, dacht hij.

De man keek ook verbaasd. Deze vraag had hij duidelijk ook niet verwacht. ‘Euh,’ reageerde hij aarzelend, ‘op zich wel. In ieder geval, het gewone wokken gaat fantastisch. Er zit ook een barbecueplaat bij of zoiets, maar een echte barbecue is wel fijner. De laatste tijd gebruiken wij hem niet zoveel meer.’

Ludo knikte en staarde nu naar wat planken met cd’s in de kast. ‘Goh, jullie houden erg van Nederlandstalig, zie ik. Frans Bauer, Wesley, Frans Duijts, Wolter Kroes, Jan Smit…je hebt het allemaal zie ik.’

‘Boven heb ik ook nog een collectie langspeelplaten uit de jaren 70. Ik heb bijna alles!’ Van Stervensbergen glom van trots.

‘Serieus?,’ zei Houb met gespeelde verwondering, ‘nou dan moet je vrijdag ook van de partij zijn.’

‘vrijdag?’ vroeg van Stervensbergen verbaasd.

Houb vertelde over het smartlappenfestival door prominenten voor gehandicapten. ‘Je moet echt komen kijken,’ zei hij enthousiasmerend, ‘je behoort nu met je gebroken been immers ook tot de gehandicapten. Elke gehandicapte mag gratis nog een introducé meenemen. De rest moet betalen. De opbrengst van de drank en alles gaat naar gehandicaptentoestanden. Je moet zeker komen. Het festival wordt afgesloten met een verrassingsoptreden van een bekende artiest. Er doen al geruchten de ronde dat het om Frans Bauer zou gaan. Echt iets wat je niet moet missen.’

Van Stervensbergen leek het wel iets. Houb verwees hem naar de website van het festival en vond het nu wel welletjes. Hij dronk zijn laatste slokje en liep met het lege kopje naar de aanrecht. ‘Ik zal hem hier neerzetten,’ zei hij. Hij gebaarde naar Ludo, dat hij moest opschieten. Ludo parkeerde zijn kopje, dat maar half leeg was, ook op het aanrecht en liep achter Houb aan naar de achterdeur. ‘We zijn weg,’ riep Houb nog net voor hij de achterdeur dichtsloeg.

In de Multipla wisselende ze hun gegevens uit. Houb vertelde wat hij allemaal had gehoord en Ludo vertelde wat hij had gezien. Dat was niet veel bijzonders. Geen gaffel, geen rare dingen. Helemaal niets. Het enige wat hem opviel dat er heel veel Aldi-dingetjes in de keukenkastjes lagen. ‘Ook zijn fiets en zijn schotelbraai komen van de Aldi,’ eindigde hij zijn verhaal, ‘dat weet ik zeker. Ik ken die merken uit hun folder. Het is een echte Aldiklant. Niet dat het veel zegt maar die latex handschoenen van de dader waren ook van de Aldi.’

Houb keek zwijgend voor zich uit. ‘Kan iemand in een rolstoel dergelijke moorden plegen, Ludo?’ vroeg hij.

‘Uitgesloten Houb. Miljaardeju, dan toch weer die Tinus…’

‘Eerst nog even een alibi checken,’ zei Houb, terwijl hij in Knegsel honderd meter voor frituur De Plèkjanus vaart minderde.

 

Achter de toonbank van de frituur stond een kalende dikke man te mopperen tegen een roodharige vrouw van begin dertig. ‘Luister Kitty, ik ben het onderhand zat,’ snauwde hij geïrriteerd, ‘ik heb het al honderdduizend tig keer tegen je gezegd: eerst de mayonaise dan de curry en dan de uitjes. Dan plakt het ook niet zo tegen het zakje als ze het komen halen. Maar wat doe jij de godganse dag? Eerst de uitjes dan de curry en dan pas de mayonaise, godverdomme! Nu zitten daar al die bouwvakkers met mayonaise en curry die allemaal tegen hun zakjes blijven plakken.’ Hij had er duidelijk geen erg in dat er ‘klanten’ binnen waren gekomen. De vrouw echter wel. ‘Jezus, wat maakt dat voor die bouwvakkers uit, Simon,’ zei ze onverstoorbaar, ‘er zijn trouwens klanten.’ Van zijn berisping werd ze duidelijk niet warm of koud. Houb observeerde haar nauwlettend en had al meteen in de gaten dat het hier om een vrouw ging met een uiterst kil karakter.

De man, die nu pas de aanwezigheid van Houb en Ludo vaststelde, kreeg eerst een rood hoofd en begon toen een keer te lachen als een boer met kiespijn. ‘Oké, sorry hoor!’ riep hij op quasi joviale toon. Hij verdween naar achter.

De vrouw zuchtte een keer en zei tegen de twee mannen: ‘Nu zijn jullie. Zeg het maar.’

Houb besloot haar meteen te confronteren met zijn politiepas en het bekende Houb met O, U, B-verhaal. ‘En u bent zeker mevrouw Kitty Monstermans,’ zei hij er direct achteraan. Hij zag haar een beetje verstarren.

‘Oh politie…wat kan ik voor jullie betekenen?’ zei ze, Houb en Ludo om beurten vragend aankijkend.

Houb meende een lichte toonverhoging in haar stem te horen, wat kon duiden op bepaalde spanningen. Maar dat zei hem nog niet veel. Mensen reageren altijd een beetje gespannen op politie, was Houb zijn ervaring. Er kan immers van alles gebeurd zijn. Hij besloot maar meteen met de deur in huis te vallen. ‘Mevrouw Monstermans, wij onderzoeken de moorden op Drè en Trees Klavermans. U hebt daar ongetwijfeld via uw vriend van gehoord. Om het één en ander uit te kunnen sluiten: waar was u afgelopen dinsdagmorgen en de dinsdagmiddag ervoor?’

Ze maakte haar wangen bol en blies vervolgens een hele lange teug lucht uit. ‘Pfft, wat een vraag in één keer zeg. Tja, die moorden, daar heb ik natuurlijk van gehoord. Dirk is de zoon hè. Maar waar was ik toen? Even denken….’ Ze keek even omhoog, draaide een keer raar met haar mond en zei toen heel resoluut: ‘Afgelopen dinsdagmiddag was ik hier aan het poetsen. De dinsdagmiddag ervoor, stond ik hier gewoon te werken achter de balie.’ Ze keek triomfantelijk, maar probeerde dit te verbergen.

Houb had een bepaald gevoel bij haar. Hij keek Ludo een keer aan. Ludo fronste een keer zijn wenkbrauwen en nam het stokje van Houb even over. ‘Kan iemand dat bevestigen, mevrouw Monstermans?’ vroeg hij op kalme toon.

Houb keek tevreden toe. Ludo weet hoe het hoort, dacht hij. Zo doet Harrie het bij Derrick en zo doet Jones het bij Barnaby. Bij Tatort, wie dat ook precies moge zijn, zie je die dingen ook.

Monstermans riep er de eigenaar bij. Nadat deze haar alibi had bevestigd, bestelde Ludo nog een bamischijf voor in de auto. Houb had hier zijn goedkeuring aan gegeven. Zelf paste hij ervoor. Ik maak vanavond liever een grote pan echte bami, dacht hij.

Terwijl Ludo, eenmaal op de terugweg in de auto zijn bamischijf aan het oppeuzelen was, had hij nog iets interessants te melden. ‘Weet je wat ik zag net in de friettent Houb,’ vertelde hij tussen de kleine gloeiendhete hapjes door, ‘ik zag een gsm aan de ene kant van de balie liggen die een paar keer begon te trillen. Jullie hadden dat niet gemerkt. Er belde iemand naar haar en ik weet wie…’ Hij laste een korte onderbreking in en Houb voelde hem opzij kijken om zijn reactie te zien. Hij besloot niet te reageren. Houb hield van dergelijke psychologische spelletjes.

‘Houb heb je wel gehoord wat ik zei?’ begon Ludo onrustig.

‘Ja, je wist wie had gebeld.’ Houb stopte voor een verkeerslicht en bleef onbewogen voor zich uit kijken.

‘Ja, iemand had gebeld. Weet je wie?’

‘Van Stervensbergen misschien.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Er verscheen zeker ‘Dirk’ op het venster. Een gemakkelijk woord dat zelfs jij ondersteboven kunt lezen.’ Houb bagatelliseerde hiermee op brute wijze Ludo’s speurdersactiviteiten. Hij had daar wel een beetje lol in. Hij wist toch wel dat Ludo wist dat hij stiekem respect had voor zijn signalering en constatering.

‘Miljaardeju klootzak, jij hebt ook altijd alles door,’ zei Ludo licht gedesillusioneerd.

‘Zo is het Ludo,’ zei Houb, terwijl hij weer optrok. ‘Enig idee waarom onze Dirk gebeld zou kunnen hebben?’

‘Natuurlijk om te melden dat wij er waarschijnlijk aankwamen Houb.’ Ludo klonk nu erg opgewonden.

‘Zou kunnen Ludo,’ zou Houb rustig, ‘zou kunnen, maar dat zegt nog niks. Als ze niets met die moorden te maken hebben zou hij ook kunnen bellen. Tegenwoordig met die mobieltjes bellen stellen de godganse dag met elkaar. Om niks, weet je wel. Misschien gewoon om te vertellen dat wij bij hem waren. Begrijp je: gewoon om te vertellen. Niet meer en niet minder.’

Ludo zuchtte een keer. ‘Tja Houb, dat is ook weer zo. Miljaardeju, ik dacht zo slim te zijn.’

Hij nam het laatste hapje van zijn bami en veegde met het bijgeleverde servet zijn mond af.

‘Miljaardeju,’ vloekte hij nogmaals, ‘wat was die bami heet!’

Hierop herinnerde Houb zich eraan dat hij nog bami-ingrediënten wilde kopen. Hij dropte Ludo bij het bureau en zette koers naar de C1000. Jammerlijk genoeg vergat hij de ketjap, terwijl hij er nog zo aan had gedacht vanmorgen. Hij bedacht het pas toen hij thuis zijn oprit opdraaide. Hij had tegenwoordig zoveel aan zijn hoofd. Dan maar wat Maggi erbij, beredeneerde hij. Hij wist dat er nog Maggi in huis was. Wat hij nog wel uit de schappen had weten te grissen was een zak Lays pepperoni. Die avond kwam namelijk een aflevering van Dalziel & Pascoe op tv, wist hij. Dat had hij twee dagen eerder al in de tv-gids gezien. Overigens was het hem nog nooit gelukt om bij Dalziel & Pascoe de verhaallijn te volgen. Hij kon ook nooit onthouden wie Pascoe was en wie Dalziel. Toch keek hij altijd want hij vond die ouwe brombeer – Dalziel of Pascoe – erg leuk.

 

Josefien had zich die avond de bami met Maggi goed laten smaken. Het leverde Houb een vette kus op, terwijl het geeneens zo’n groot karwei was geweest. Meteen toen de renners waren gefinisht was hij er al aan begonnen.

Toen later op de avond Dalziel en Pascoe hun eerste lijk stonden te bewonderen, trok Houb de pepperoni open. Josefien vond het geweldige leuke chips, wat resulteerde in weer een vette kus. Ze toonde zich verbaasd over het bestaan van deze smaak.

‘Het is een limited edition schat,’ vertelde Houb met gepaste trots.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

XI

 

Houb en Ludo hadden zich een paar daagjes vrij gegund tot aan de grote avond van het smartlappenfestival ten bate van de gehandicapten. Gezien het feit dat de oproep op Grensstreek TV toch niets had opgeleverd, was dat ook helemaal geen probleem geweest.

Vrijdag rond het middaguur bedacht Houb dat hij zijn pak nog naar de burgemeester moest brengen. Hij belde het gemeentehuis en men wist hem te vertellen dat de burgemeester thuis was. Houb vond dat niet erg. De burgemeester had immers een zeer mooie blonde dochter van begin twintig die nog thuis woonde. Ze heette Sophieke, wist Houb. Hij ging ervan uit ze nog ergens studeerde en waarschijnlijk nu vakantie had. Grote kans is ze nu thuis, beredeneerde hij aldus.

Hij deed het pak in een plastic tasje van de H&M en ging op weg. Hij had geluk, de deur van de ambtswoning werd geopend door ‘zijn’ Sophieke. Ze droeg een kort zwart jurkje en zag er mooier uit dan de linkerrondemis van gisteren. Houb vond het geen straf om naar haar te kijken. ‘Hallo goedemiddag,’ groette hij, ‘Sophieke, was het toch?’

Ze knikte en zei met een glimlach: ‘En u was toch inspecteur Houb van de politie. U komt me toch niet arresteren?’

‘Ik zou niet durven,’ grijnsde Houb. Hij maakte verder geen bepaalde toespelingen, ook al lag dat voor de hand. Veel mannen in mijn plaats zouden hem nu inkoppen, dacht hij.

Hij schakelde over op zijn zakelijke kant en informeerde of haar vader thuis was. Dat was inderdaad het geval. De jonge vrouw liet Houb met zijn plastic tasje binnen en leidde hem naar de gang waar ze de deur van haar vaders werkkamer voor hem open hield. ‘Belangrijk bezoek pa!’ riep ze, terwijl ze Houb met een gebaar naar binnen loodste.

De burgemeester zat achter zijn bureau een witte baard te passen. ‘Verdomme, beste Houb,’ bromde hij, ‘je komt op een hachelijk moment. Die elastiekjes doen erg veel pijn aan mijn oren.’

Houb lachte, gooide de tas op het bureau en zei: ‘Zie hier, je bijbehorend pak.’

De burgemeester bedankte hem en glimlachte. ‘Zo,’ zei hij, ‘vanaf nu ben ik Vader Abraham.’ Hij vroeg vervolgens of Houb en Ludo nog geoefend hadden.

‘De hele godganse dag zijn we bezig,’ loog Houb. Hij zag dat dit antwoord de burgemeester duidelijk niet beviel.

‘Is het serieus?,’ zei deze weifelend, ‘is dat echt zo nodig? Zo nauw komt het toch niet? Het gaat toch om het goe…’

‘Wij willen die vette reis winnen burgemeester… sorry Vader Abraham,’ onderbrak Houb.

‘Ja oké,’ klonk de burgemeester nu een beetje opgelucht, ‘ja, dat snap ik. Maar ja, voor mij geldt dat niet zo. Het is natuurlijk not done als de burgemeester himself daar de prijzen wegkaapt, haha’

‘Ja dat is waar mijnheer Lepemans. Goed, dan ben ik weer weg, ik heb het nog druk,’ zei Houb die plots geen zin mee had in de burgemeester, ‘vanavond zien we elkaar weer. Houdoe!’

‘Ja, houdoe,’ bromde de burgemeester, ‘veel succes vanavond inspecteur Houb.’

Terwijl Houb naar de deur liep, riep de burgemeester hem nog iets na, maar Houb deed net alsof hij niets hoorde.

Terwijl hij door de gang naar de voordeur liep, hoorde hij opeens de burgervader, die hem kennelijk achterna was gehold, hijgen: ‘Oh inspecteur Houb, hoe zit het trouwens met de moordzaak? Zijn er al vorderingen? Het is nu een dubbele moord, begrijp ik.’

Houb draaide zich om en zei vastberaden: ‘Regel eind volgende week maar een persconferentie mijnheer Lepemans. Ik ga ervan uit dat de moorden dan zijn opgelost.’

De burgemeester was aangenaam verrast. ‘Eind volgende week! Wauw, dat zou mooi uit komen. De week erop ga ik namelijk op vakantie. Ik ga vast aan de slag met de persconferentie Houb. Met een beetje geluk komt, zeker nu het een dubbele moord is, de NOS ook. Geweldig, Bergsel staat midden in het toeristenseizoen weer op de kaart.’ Hij gaf Houb een flinke schouderklop. Hierna ging ieder zijns weegs.

Toen Houb buitenkwam stond dochter Sophieke op de inrit haar kleine Peugeot te wassen. Met een grote spons in haar hand hing ze over de motorkap, helemaal tot het midden van de voorruit. Houb kon het niet nalaten om er heel lang naar te kijken. Te lang, want hij zag een afrasteringpaaltje over het hoofd, waardoor hij er met zijn scheenbeen vol tegenaan liep.

‘Au, verrekte trut,’ vloekte hij gedempt. Met een van pijn vertrokken gezicht wreef hij over de onfortuinlijke plek.

Sophieke was zich nergens van bewust.

 

In de feesttent op het grasveld nabij het cultureel centrum van Bergeijk keken Houb, Josefien en Ludo vanuit een hoek vooraan met plaatsvervangende schaamte naar het podium. De visboer uit Luyksgestel probeerde op het podium vergeefs Ronnie Tober te vertolken. Het Breng die rozen naar Sandra werd erg vals gezongen. Op een gegeven moment was hij zelfs helemaal de tekst kwijt. ‘lalalalalalaaalaala,’  klonk het zenuwachtig.

‘Zo kan het ook,’ merkte Ludo op.

Houb grinnikte. ‘Ach, iemand moet het spits afbijten.’

Josefien kreeg de slappe lach. ‘Mijn God, niet te geloven, wat een sukkel,’ hikte ze.

Houb kon het niet langer aanzien en keek eens rond in de tent, welke inmiddels bomvol zat. De eerste zeven rijen voor het podium bestonden hoofdzakelijk uit rolstoelers met ingezetenen en hun duwers. Daarachter bevonden zich de gehandicapten die wel goed ter been waren. Dit waren hoofdzakelijk de verstandelijk gehandicapten, die massaal op het evenement waren afgekomen. Houb keek tevreden toe hoe ze allemaal, ondanks de beperkte zangkwaliteiten van de visboer, volkomen uit hun dak gingen. Plotseling ontwaarde hij vooraan, slechts een paar meter van hen af, Van Stervensbergen en zijn vriendin. Houb stootte Ludo aan en wees. ‘Kijk, wie we daar hebben,’ fluisterde hij in zijn oor.

Ludo knikte dat hij het gezien had. ‘Ja Houb, Je hebt hem per slot van rekening zelf uitgenodigd.’

‘Precies,’ zei Houb om vervolgens te filosoferen: ‘Door naar hier te komen wil hij expliciet laten zien dat hij me niet wil ontwijken, begrijp je.’

‘Nee,’ zei Ludo schouderophalend.

Houb verontschuldigde even zijn gezelschap en liep naar Van Stervensbergen om te kijken of die nog wat te vertellen had. Hij tikte hem op de schouder en zei joviaal: ‘Dag jongeman. Je bent toch gekomen, zie ik.’

Van Stervensbergen keek schichtig opzij. ‘Oh ben jij het, meneer de inspecteur. Jaja, ik vind zoiets wel leuk. Alleen Jezus, wat zong die visboer slecht zeg.’

Ze keken beiden even naar het podium waar de visboer deskundig werd afgeserveerd door de presentator die zich bediende van het nodige sarcasme. ‘Zo visboer, en nu wegwezen,’ zei hij, ‘breng zelf gauw die rozen maar naar Sandra voordat je hier weer een liedje gaat zingen.’ Op de verstandelijk gehandicapten na begon zowat iedereen te lachen. De visboer lachte een beetje mee als een visboer met kiespijn en liep het podium af.

‘De presentator daarentegen is erg goed,’ merkte Houb op.

Zowel Van Stervensbergen als zijn vriendin lieten door hun lichaamstaal blijken dat ze het hier niet mee eens waren. Ze keken Houb even zeer bedenkelijk aan. Jezus, dacht Houb, ze vinden die visboer waardeloos, maar de presentator mag er van hen geen grapjes over maken. Hij begreep dergelijke dingen niet. Hij vond het voorlopig wel genoeg qua contact met Van Stervensbergen en zijn duwster. Hij wenste ze nog een leuke avond en voegde zich weer bij Ludo en Josefien.

Op het podium diende zich de tweede act aan. Vier kasteleinsvrouwen, afkomstig uit Weebosch en Luyksgestel, begonnen als man verkleed Meisje, ik ben een zeeman te zingen.

‘Ik wil naar huis!’ gierde Josefien.

Van wie is eigenlijk het origineel? vroeg Houb zich af. Van binnen werd hij zenuwachtig. Hij en Ludo stonden geprogrammeerd als vierde nummer na de pauze. Hij sommeerde Josefien om wat biertjes te gaan halen voor de zenuwen. Daarvoor moest ze wel eerst consumptiebonnen kopen. Ze kocht twee velletjes van tien. Dat leek haar voorlopig wel volstaan.

 

Na een hoop ellende zoals: de directeur van Rabobank Bergsel als Ben Cramer, de voorzitter van carnavalsvereniging ‘De Pintenzuipers’ als Jantje Koopmans, een schoolmeester en een juf uit ‘t Loo als Jan en Zwaan, een industrieel uit Duizel compleet met rolstoel als Koos Alberts en een wethouder in de rol van het kleine Jantje Smit, diende onderhand het laatste nummer voor de pauze zich aan.

Houb kon zijn ogen niet geloven. Op het podium verscheen Joyce van Grensstreek TV – en inmiddels Ludo’s vriendin – in een prachtige roze jurk. Ze zag er adembenemend uit en de vertolking van ‘Huilen is voor jou te laat’ van Corrie Konings was meesterlijk. Ze zong als een engel. Vooraan stond Ludo, voor wie het ook een verrassing bleek. Hij glom van trots. ‘Miljaardeju,’ mompelde hij alsmaar, ‘miljaardeju.’

‘Daar gaat ons reisje,’ fluisterde Houb in zijn oor.

 

Na haar optreden begaf Joyce zich met Houb en Ludo naar de twee grote bouwketen achter de tent die dienst deden als kleedkamers. Het was erin en rondom een zooitje waar iedereen maar door elkaar liep. Houb telde, buiten tussen de keten in, zo in de gauwigheid twee André Hazessen en een stuk of vier Vader Abrahams. De Vader Abrahams stonden met elkaar te bakkeleien.

‘Sodeju, mannen wat een sukkels, die organisatoren zeg. En dan staan we ook nog achter elkaar geprogrammeerd,’ hoorde hij één Vader Abraham opgewonden zeggen. Houb herkende er de stem van de burgemeester in. Hij herkende ook zijn eigen pak.

‘Weet je wat, ik heb wel een oplossing,’ hoorde hij de burgemeester annex Vader Abraham na wat gehakketak verder gaan, ‘Kees hier zingt samen met Wilma. Dat is geen enkel probleem. Als wij dan gewoon met zijn drieën gezamenlijk Het kleine café zingen. Dan lossen we het ludiek op!’

Iedereen leek zich hier wel in te kunnen vinden, zeker toen een andere vader Abraham zei: ‘Ja, goed idee. Weet je wat, als we dan het refrein ook nog eens in het meervoud zingen. Dan wordt het: daar in die kleine cafés aan de havens.’

Er werd gelachen. Houb vond het erg vermakelijk, zeker toen zich helemaal out of the blue nog een nieuwe Vader Abraham aandienden. ‘Ha collega’s,’ zei hij met een grote lach op zijn gezicht.

‘Verdomme weer één,’ bromde de burgemeester, ‘en wie ben jij dan wel?’

‘Ik ben Pierre Kartner!’

‘Haha, grapjas.’

‘Serieus, ik ben het echt. Wat een eer dat jullie me allemaal imiteren. Ik ben hier voor de verrassingsact op het einde van de avond. Ik doe een medley uit eigen werk. Ik ga wel voor iets heel vrolijks! Dat kunnen de mensen wel gebruiken na al die zware smartlappen.’

Houb zag hoe de burgemeester hem aan zijn baard trok en riep: ‘Sodeju, hij heeft gelijk. Dit is de echte!’

Houb bleef er zowat in. Vader Abraham in plaats van Frans Bauer, dacht hij vervolgens, dat zal ze vies tegenvallen. Hij kon het niet nalaten om er even naartoe te lopen.

‘Ha, wie we daar hebben!’ riep de burgemeester, ‘de politie himself in burger. Hij had geen keus, hahahaha.’

Niemand lachte mee want niemand snapte de grap. Ook niet toen de burgemeester zei: ‘Ik laat je pak straks wel in de kleedkamer achter, kun je het zelf meenemen. Ik zal het in een plastic tasje doen. Een tasje van de C1000 heb ik, geloof ik.’

Houb knikte, wendde zich vervolgens tot Pierre Kartner en zei: ‘Goh volgens mij bent u de enige echte, mijnheer Kartner.’

Hij keek erg gevleid. ‘Goed zo, tenminste iemand die het ziet,’ reageerde hij met een grote grijns over de gehele breedte van zijn baard.

‘Luister eens mijnheer Kartner,’ begon Houb nu op een bepaalde samenzwerende toon, ‘u bent tamelijk goed bekend in de tv-wereld en zo. Vertel me: weet u misschien wie Tatort is?’

Pierre Kartner keek hem aan alsof hij water zag branden.

‘Sorry,’ zei Houb, ‘ik moet nu eigenlijk snel verder.’

Hij liet Pierre Kartner voor wat hij was.

 

Ludo stond bij de deur van bouwkeet nummer twee Joyce te omhelzen alsof ze iets had gedaan wat zijn weerga in de geschiedenis niet kende.

‘Kom Ludo, niet heulen met de vijand!’ riep Houb, terwijl hij de bouwkeet binnenliep. Het was de bouwkeet die ze aangewezen hadden gekregen als kleedkamer.

Hier werd hij onder meer verwelkomd door nog een André Hazes, die met een halfvol glas bier in de hand achter drie lege bierglazen zat. Het was onmiskenbaar Tinus. ‘Godverdomme, wie we daar hebben!’ riep hij, ‘die ouwe rukker van de politie. Oh, jullie doen ook mee hahahaha!’

Hij was al behoorlijk aangeschoten, zag Houb. ‘Zo, Tinus, jij mag zo meteen al op?’ giste hij.

Tinus knikte: ‘Yep als eerste na de eerste pauze.’

‘Mooi. Zeg Tinus, ik zag buiten ook nog twee andere André Hazessen. Je hebt concurrentie jongen.’ Houb plaagde maar wat.

Tinus maakte een wegwuivend gebaar. ‘Ach pff, daar maak ik me niet druk over. We zingen toch niet allen hetzelfde liedje. Die ene, de dikste, zingt De vlieger en die andere zonder de echte bakkebaarden zingt Eenzame kerst. Ik zing Zij gelooft in mij, dat vinden de mensen toch het leukst. Ach ja, ze zoeken het maar uit. Het kan me geen ruk schelen.’

De presentator kwam binnen gestormd. ‘Vooruit Hazes één!’ riep hij, ‘schiet eens op, ik had je al twee minuten geleden aangekondigd man!’

Tinus boerde een keer, stond op en liep op zijn dooie gemak de presentator achterna.

‘Succes!’ riep Houb. Hij besloot om even door een grote opening in de tent achter het podium, het optreden van Tinus te gaan bekijken. Buiten wenkte hij Ludo en Joyce om hierin te participeren. Met zijn drieën hadden ze vanachter het podium zicht op de rug van Tinus. Voor aan het podium leken werkelijk alle boeren uit de Kempen zich te hebben verzameld. ‘Tinus! Tinus!’ scandeerden ze, terwijl ze met bier naar het podium en naar elkaar gooiden.

Wat een idioten, dacht Houb. De geluidsband werd gestart en Tinus begon te zingen. Het klonk erg hard en vals en uit het ritme, maar er kwam wel sfeer in de tent. Sommige mensen blèrden keihard mee, andere kregen een gigantische lachstuip. Houb en zijn gezelschap kozen voor de laatstgenoemde optie. Ook de presentator bleef er bijna in.

 

‘Geweldig gezongen Tinus!’ riep Houb toen Tinus achter van het podium kwam.

‘Mwah, het ging niet slecht,’ klonk het bescheiden. Zijn ogen verrieden echter zijn trots.

‘Keistoer man, zoals jij daar staat te zingen alleen op het podium. Ik zou het niet durven,’ deed Joyce er huichelend nog een schepje bovenop.

‘Mwah,’ zei Tinus schouderophalend, ‘ik heb er geen moeite mee.’ Hij glunderde nu helemaal van oor tot oor.

Wat een drol, dacht Houb.

In de tent was inmiddels iedereen ‘we want more’ aan het schreeuwen.

‘Ze willen volgens mij meer Tinus,’ merkte Houb op.

Tinus maakte een afwijzend gebaar. ‘Het is goed met ze Houb, ik ga naar huis. Ik moet morgen vroeg de koeien weer leeg hebben en dan ga ik Trees mee begraven.’ Hij slenterde wankelend de tent uit.

‘Och ja, sorry Tinus,’ zei Houb hem achterna lopend. Hij sloeg hem buiten een paar keer op zijn schouder. ‘Veel sterkte jongen.’ Hij wist om één of andere reden zeker dat Tinus niet de dader was in ‘De Bergeijkse gaffelmoorden’. Hij voelde dat gewoon. Tinus was geen moordenaar.

‘Houdoe en bedankt,’ zei Tinus. Zonder zich eerst om te kleden of wat dan ook, liep hij naar zijn fiets, die geheel tegen de regels in tegen een bouwkeet aan stond geparkeerd. Hij deed hem met enige moeite van het slot, sprong erop en fietste slingerend weg.

In de schijn van de straatlantaarns zag Houb het silhouet van een zatte André Hazes op de fiets, terwijl hij vanuit de tent hoorde hoe de notaris inmiddels Manuela stond te verkrachten. Een mooi surrealistisch gebeuren, dacht Houb.

Hij liep snel weer naar de achterzijde van het podium om de notaris bezig te zien. Deze stond met een wit pooiershoedje op zijn kop verschrikkelijk zijn best te doen. Zijn baliemeisje stond in een kort jurkje naast hem wat duffe bewegingen te maken. Ze hield haar gezicht moeizaam in een plooi en haar wangetjes stonden bol. Ketchup, schatte Houb. Op het einde van het nummer ging ze liggen om te sterven en liet ze inderdaad een dergelijk rood goedje uit haar mond lopen. Het zag er erg smerig uit. Een jongen vooraan het podium werd lijkwit, begon over te geven en viel flauw. Hierop kwamen drie hulpverleners een hoop paniek zaaien. Houb schudde een keer meewarig met zijn hoofd en liep terug naar buiten. Daar trok hij ergens Ludo los van zijn Joyce en sleurde hem mee naar de keet. Het was immers de hoogste tijd dat ze zich gingen omkleden.

 

Terwijl de reguliere pastoor van het Bergselse gehucht Walik verkleed als Willy Alberti de kleedkamer verliet, was Houb bezig met er schattig uitzien in zijn kinderpakje: een korte broek, kniekousen en een gestreept truitje. Een zwijgzame grimeuse, volgens eigen zeggen lid van toneelclub ‘Open Doekje’ uit Riethoven, was zijn wangetjes rood aan het schminken.

‘Het wordt perfect Ludo,’ zei Houb, ‘we gaan het helemaal maken. Let wel goed op je Belgisch accent!’

Ludo, die al geschminkt was, keek nerveus naar zichzelf in de grote kleedkamerspiegel. ‘Miljaardeju klootzak, ik ben nu wel zenuwachtig zeg.’ Hij dronk in één teug het glas bier leeg, dat Joyce voor hem had gehaald. Deze zat weer in haar rol als presentatrice van Grensstreek TV. Theo was immers gearriveerd met zijn camera, voor een korte impressie. Joyce wilde dat hij zeker Houb en haar Ludo zou filmen. Eigenlijk vonden de twee het maar niks, maar dat wilden ze niet gezegd hebben.

Ludo boerde een keer. Hij lijkt Tinus wel, dacht Houb.

‘Hebben jullie er zin in mannen?,’ zei Theo opgewekt en onzinnig. Hij begon aan zijn camera te prullen.

‘Jij ook?’ vroeg Houb.

‘Ikke wel ja,’  zei Theo, ‘waar is Joyce nu weer gebleven? Was ze hier geen bier komen brengen?’

‘Waar Joyce is moet je aan onze Arno hier vragen,’ wees Houb naar Ludo. Hij voelde gewoon dat Theo stiekem strontjaloers was. Ook al was de zeikerd getrouwd, hij aanbad Joyce stiekem als een godin. Houb rook zoiets. Hij wist veel van dergelijke dingen.

‘Jaja,’ bromde Theo, ‘Joyce haar zoveelste vriendje geloof ik hè.’ Hij begon om zijn ergernis en rood hoofd te verbergen nog verwoeder aan zijn camera te prullen.

Klootzak, dacht Houb. Hij zag dat in de spiegel dat Ludo’s gezicht een beetje vertrok. Hij knipoogde een keer naar diens spiegelbeeld en zei nonchalant. ‘Ja, Joyce heeft er misschien heel wat versleten, maar deze kerel verslijt ze nooit. Die is onverwoestbaar.’

Ludo begon flink te blozen, alleen viel het vanwege de schmink niet zo op.

‘Is het zo goed?’ informeerde de grimeuse. Het was de tweede zin die uit haar mond kwam.

‘Misschien nog wat sproetjes,’ opperde Houb.

‘Godverdomme shit,’ vloekte Theo. Hij klooide nu wel heel driftig aan zijn camera. Hij draaide hem om en er klonk nu één langgerekte ‘Gòòòdver…!’

‘Is er iets Theo?’ vroeg Houb kalmpjes, terwijl er bruine stipjes op zijn wang verschenen.

Er klonk een karakteristieke diepe zucht. ‘Niks, ik kan wel naar huis gaan nu. Het is gebeurd met de camera voor vandaag. Kutding, ik was er al bang voor. Dat krijg je als je mensen met een hoop rommel van huis stuurt.’

‘Oh, je kunt gerust gaan hoor Theo,’ zei Ludo op hulpvaardige toon, ‘Joyce wil toch mee ons terugrijden.’

Ondanks de pijnlijke stilte die ontstond, zag Theo toch kans de boel geruisloos te verlaten.

Houb wilde net een opmerking maken, toen de pastoor van Walik annex Willy Alberti plotseling binnen kwam vallen. ‘Opschieten mannen, jullie zijn aan de beurt,’ bromde hij. Hij keek niet erg vrolijk

‘Ging het goed mijnheer pastoor?’ vroeg Houb.

‘Mmm, op zich wel, alleen die presentator kon het niet laten om een vervelende opmerking te maken met betrekking tot de Katholieke kerk en kindermisbruik. De glimlach van een kind was achteraf misschien een wat ongelukkige keuze voor mij als pastoor. Maar ja, ik kan er ook niets aan doen. Ik heb niks met die toestanden te maken.’

Houb klopte hem op zijn schouder: ‘Nou, ik vind het wel heel ongepast van die presentator hoor, mijnheer pastoor. Maar til er niet te zwaar aan, gewoon niet op reageren.’ Met zo’n lied in deze tijd vraag je er ook gewoon om, dacht hij.

‘Ja ja,’ zei de pastoor. Hij ging aan de tafel zitten en keek onderzoekend naar de drie halve pinten die erop stonden. ‘Welke was nou van mij?,’ vroeg hij zich hardop mompelend af.

‘Bid voor ons,’ zei Houb, terwijl hij met Ludo de kleedkamer verliet.

 

‘Applaus nu voor de enige echte Arno en Gratje!!,’ joelde de presentator.

Terwijl de muziekband werd gestart concentreerde Houb zich op het moment dat hij zijn eerste regel moest zingen. Deze timing ging werkelijk fantastisch en hij voelde van binnen dat hij goed aan het zingen was. Ook Ludo zette een stem op, zoals hij nooit eerder had gedaan. Het gesnik op het einde van het nummer deed het ook goed. Het publiek lag compleet in een deuk. De kus die Houb vervolgens na het wegebben van de muziek aan Ludo gaf, maakte het geheel helemaal af. Ze kregen een staande ovatie.

‘Wie wil mag Gratje komen troosten!’ schreeuwde de presentator. Enkele verstandelijk gehandicapten sprongen onmiddellijk het podium op en begonnen Ludo te aaien en te omhelzen en te kussen. Ludo stikte zo ongeveer en Houb bleef er bijna in. Een jongen met een niet al te groot downsyndroom kwam naar Houb toe en wees naar zijn microfoon. ‘Ik wil nog iets zeggen, ik wil nog iets zeggen,’ zei hij alsmaar. Houb gaf hem zijn microfoon en gebaarde naar de presentator.

‘Iedereen stil!’ riep de presentator nu, ‘Louis wil iets zeggen.’

De jongen vrat de microfoon ongeveer op. ‘Het is allemaal nep, het is niet echt. Ze zijn allemaal verkleed!’ riep hij met de typische bij het downsyndroom behorende tongval. Hierbij keek hij erg triomfantelijk uit zijn ogen.

Heel de tent begon te juichen en te roepen: ‘Louis, Louis, Louis!…!’ Houb zag vanaf het podium hoe zijn Josefien meewarig met haar hoofd stond te schudden.

Een andere, eveneens verstandelijk beperkte jongen, griste opeens de microfoon uit Louis zijn handen. ‘Kut, neuken, kut, neuken!’ schreeuwde hij alsmaar.

De presentator greep niet in, maar stond breed te grijnzen. Hij knipoogde naar Houb.

Idioot, dacht deze. Hij trok Ludo tussen zijn aanbidders vandaan. ‘Kom Gratje, we zijn hier weg!’

Houb en Ludo konden terugkijken op een geslaagd optreden. Toen ze het podium afliepen stonden de Vader Abrahams al klaar.

 

Houb en Ludo zouden na het optreden eigenlijk het liefst met hun vrouwen naar huis zijn gegaan, maar Josefien vond dat ze uit respect moesten blijven tot de prijsuitreiking. ‘Bovendien…,’ had ze er erbij gezegd, ‘kan het best wel eens zo zijn dat Joyce in de prijzen valt.’

Joyce had hier zelf om moeten lachen.

Om half twaalf begon na veel gerek eindelijk de prijsuitreiking. Een aantal mensen uit het publiek hadden hun stem uit mogen brengen. De nummers twee en drie werden alleen vernoemd voor de eer, enkel de winnaar mocht een prijs in ontvangst nemen.

Het was Ronnie Tober die zich mocht verheugen op de derde plaats. Dit verraste vriend en vijand. De halve tent begon dan ook ‘boe’ te roepen.

De presentator ging maar snel verder. ‘En de eer voor de tweede plek gaat naar… Joyce Vermaandonk als Corry Konings!’ Nu juichte wel iedereen. Joyce toonde zich aangenaam verrast.

‘Jammer Joyce,’ zei Ludo, ‘net geen eerste.’

Joyce stak haar tong uit naar hem en zei: ‘Lul.’

‘Ssst,’ zei Houb met één wijsvinger op zijn mond en de andere wijsvinger naar de presentator wijzend.

‘And the winner is….,’  klonk het theatraal. De presentator laste een net iets te lange pauze in en schreeuwde toen: ‘De heren Houb en Vercauteren als Arno en Gratje!’

 

Het was voor Houb een vreemde ervaring toen hij op het podium samen met Ludo de reischeque in ontvangst nam. In het land der blinden is éénoog koning, dacht hij stiekem in zichzelf. Zoals van de winnaars werd verwacht voerden ze hun act nog een keer op, zij het niet in tenue en wat minder gemotiveerd.

Net nadat ze hun laatste applaus hadden mogen ontvangen, kwam plotseling  de echte Vader Abraham onaangekondigd het podium opgestormd om met Als je inlegkruisje maar goed zit, zijn medley in te zetten. De tent ontplofte ongeveer. Zo’n beetje alles wat normaal kon lopen vloog het podium op om achter de bebaarde man met de bolhoed aan te sluiten in de polonaise. Vader Abraham of Frans Bauer, het maakt allemaal niet uit, dacht Houb mistroostig. Ludo en hij werden in het feestgewoel meegesleurd door een paar, uit het gehandicaptenzorgcircuit afkomstige, lelijke meiden in lelijke witte pakken. Houb was erg bang dat de reischeque zou kreuken. Angstvallig hield hij hem met zijn rechterhand in de hoogte.

Tijdens Ugge ugge ugge besloot Houb dat het zo echt niet verder kon. Net in een bocht naar links, op de hoek van het podium, wist hij zich los te rukken. Hier wachtte hij in de luwte een rondje tot Ludo weer voorbijkwam. ‘Kom Ludo!’ schreeuwde hij, ‘wegwezen hier! Go, go, go!’ Ook Ludo wist succesvol te ontsnappen.

Ze herenigden zich weer met hun gezelschap, zochten ergens hun spullen bij elkaar en gingen naar de auto.

Nog voor Josefien de Multipla had gestart had Houb de radio aangezet en begon hij met het zoeken naar een zender. Het was een heel gedoe. Uiteindelijk liet hij de knopjes pas met rust bij de klanken van Nirvana’s  Come as you are.

‘Zo,’ zei hij lui achterover leunend en het volume wat hoger draaiend, ‘een mooie compensatie voor alle tralalalala van vanavond.’

Bij het uitrijden van het tot parkeerplaats gepromoveerde weiland, zag Houb hoe de vriendin van Van Stervensbergen een rolstoel achter in een Berlingo aan het laden was. Van Stervensbergen zelf lag op de achterbank met zijn gipsen been nog naar buiten. Hij was druk bezig dit naar binnen te halen.

Kijk, Van Stervensbergen en co,’ stootte Ludo hem aan, ‘waarschijnlijk toch ook niet zo’n liefhebbers van Vader Abraham.’

Houb knikte. ‘Ik zag het ook Ludo.’ Plotseling realiseerde hij zich iets. Hij schoot recht overeind, zette de radio uit en schreeuwde opgewonden: ‘Verdomme Ludo, zijn been, zijn gipsen been! Verdomme, dat valt me nou pas op!’

De beide dames begonnen te lachen.

‘Euh Houb,’ begon Ludo voorzichtig, ‘dat gipsen been is niet nieuw hoor…’

Houb draaide zich om en zei op indrukwekkende toon: ‘Toch wel mijn allerbeste Ludo, dat gipsen been is wel nieuw. Van de week zat hij met zijn linkerbeen in het gips, nu met zijn rechterbeen.’

De dames vielen stil en Ludo’s mond viel open. ‘Miljaardeju,’  stamelde hij, ‘miljaardeju…’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

XII

 

Uiteraard was Van Stervensbergen nu verdachte nummer één. Het gipsen been was natuurlijk nep en hij had die avond per ongeluk het verkeerde been ingepakt, zo had Houb beredeneerd. Ludo had hem er vervolgens op gewezen dat er nog geen waterdicht bewijs was. Van Stervensbergen kon immers ook met een andere verklaring komen voor de gefakete beenbreuk. Houb besloot daarom met Ludo meteen de volgende dag weer terug te gaan naar de plaats delict om met name de laatste moord nog eens te reconstrueren. Tinus was dan toch naar de uitvaart en dan was het rustig op de boerderij, volgens Houb die nu het mysterie snel opgelost wilde zien.

‘Snel de dader vinden, want anders gaat deze eerste aflevering van inspecteur Houb en zijn knechtje een beetje te lang duren,’ zei hij tot Ludo toen hij die zaterdagmorgen de Multipla op de inrit van de boerderij parkeerde.

‘Zeg Houb, moesten wij eigenlijk ook niet naar die uitvaart?’ vroeg Ludo tijdens het uitstappen.

Houb begon te lachen. ‘Nee nee Ludo, ben je gek, ik heb er Van Ombeek en Veuls al naar toegestuurd. Ze wilden ons zo graag eens meehelpen.’

‘Och god, de sukkels,’ zuchtte Ludo. ‘Heb je ze instructies gegeven?’

Houb grinnikte: ‘Ik heb gewoon gezegd: goed kijken mannen, who is hot en who is er not. Ze denken nu dat ze heel belangrijk werk doen.’

‘De sukkels,’ zuchtte Ludo ten tweede male.

‘Kijk daar,’ wees Houb nu, ‘diezelfde beesten lopen weer in de wei bij die badkuip. Precies dezelfde situatie als tijdens de moord. Ludo, doe eens net of je de dader bent en klim eens over de draad om naar het slachtoffer te lopen.’

‘Welk slachtoffer?’

Onnozelaar, dacht Houb. Hij betwijfelde of Ludo speelde alsof hij het niet begreep, of dat hij het echt niet begreep. ‘Ja lul, denk eens na,’ zei hij ongeduldig, ‘bij die badkuip staat Trees met die emmer te winkelen en jij besluipt haar. En schiet nu maar op, ik heb nog meer te doen.’

Ludo grijnsde en liep naar de draad. Toen hij die vastpakte kreeg hij een enorme schok. ‘Miljaardeju!’ schreeuwde hij.

Houb vond het erg grappig. Hij liet dit niet merken en zei: ‘Aha, de dader is er volgens mij of onderdoor gekropen Ludo, of hij heeft de steel van de gaffel gebruikt om de draad omlaag te duwen. Of misschien heeft hij stroom gehad en gaf hij geen kik. Misschien kunnen we zoeken of er haren van de dader aan de draad hangen… Trouwens, dat lijkt me niks. Er hangen natuurlijk ook haren van beesten aan. Huijgebaard ziet me al aankomen. Nou vort, onder de draad door ermee!’

Ludo kroop heel voorzichtig onder de draad door, ging weer overeind staan, draaide zijn hoofd en keek Houb vragend aan. ‘Zo goed baas?’

‘Ja ja, je hebt nu zogezegd die gaffel in de hand en je loopt heel stil naar de badkuip…’

Ludo deed waar om gevraagd werd. Toen hij bij de badkuip stond hadden alle runderen zich achter hem verzameld. Enkele begonnen verwoed aan hem te likken. ‘Miljaardeju, stelletje kutbeesten!’ riep hij, ‘ik kan maar amper een moord plegen zo.’

Houb keek en kreeg een schittering in zijn ogen. Hij probeerde hetzelfde te kijken als Frost tijdens één van zijn bekende ‘Aha-momenten’. Houb had geen spiegel in het zicht, maar hij ging ervan uit dat het hem aardig lukte. ‘Kom maar terug Ludo, ik denk al dat ik iets weet,’ mompelde hij zonder dat Ludo hem kon verstaan. Het was een redelijk memorabel moment. Om er echt van te kunnen genieten bleef hij even onbeweeglijk staan. ‘Is er iets baas?’ hoorde hij Ludo roepen.

Enkele koeien begonnen te loeien.

Houb keek op zijn horloge. ‘Snel weer verder,’ mompelde hij. ‘Kom maar gauw, Belg!’ riep hij naar Ludo, ‘we moeten nog even naar Vessem. Opschieten, dan kunnen we vanmiddag nog de Tour kijken!’

Om twaalf uur begon immers de uitzending van de NOS.

 

Onderweg in de Multipla begon Houb aan Ludo het doel van hun bezoek uit te leggen.

‘We gaan letterlijk zijn vuile was buitenhangen,’ zei hij op geheimzinnige toon.

‘Hoezo?’ Ludo was erg nieuwsgierig.

‘Nou ja, laat ik het zo zeggen: we gaan gewoon zijn vuile was ophalen,’ verduidelijkte Houb droog.

‘Hè?’ zei Ludo verbaasd, ‘je bedoelt zijn kleding?’

Houb knikte grijnzend.

‘Jaja… Voor sporen of zo?’ Ludo begon het te begrijpen.

‘Precies,’ zei Houb en hij zette Nick Cave’s  Murder Ballads weer op. Hij skipte meteen naar track 5: Where the wild roses grow. Houb nam de zang van Nick Cave voor zijn rekening en Ludo deed Kyle Minogue.

Houb vond het erg vermakelijk. ‘Weer eens iets anders dan Arno en Gratje!’ joelde hij na het tweede couplet.

Ludo lachte.

 

Om klokslag elf uur bereikten ze de plaats van bestemming.

‘Als ze maar wakker zijn,’ dacht Ludo hardop toen Houb op bel drukte.

Houb haalde zijn schouders op. ‘Dan hebben we pech…’ Hij was nauwelijks uitgesproken of binnen hoorden ze iemand de trap afstormen.

‘Hij loopt weer vrij aardig,’ zei Ludo sarcastisch.

Maar het was zijn vriendin Kitty Monstermans die de deur opengooide. Houb en Ludo zagen hoe ze ietwat schrok. ‘Oh, jullie zijn het…’ zei ze Houb en Ludo om beurten achterdochtig aankijkend.

‘Ja, wij zijn het geloof ik,’ zei Houb, ‘had je dan iemand anders verwacht?’ Hij wist niet waar hij deze opmerking vandaan haalde. Het rolde gewoon zo uit zijn mond.

‘Euh…ja, ik had inderdaad iemand anders verwacht!’ luidde het onverwachte antwoord. De jonge vrouw leek zichzelf te hebben hervonden. Boven klonk weer gestommel.

‘Oh ja, wie dan?’ vroeg Ludo op argwanende toon.

‘Dat gaat je eigenlijk niks aan, maar als je het wilt weten: ik wacht eigenlijk op de wasmachinereparateur. Van de week zou hij al komen, maar dat was hij vergeten. Ik zit al een hele week met een kapotte wasmachine. Vandaar dat ik teleurgesteld ben dat jullie nu voor de deur staan, begrijpen jullie.’

Jezus, wat toevallig een kapotte wasmachine, het kan niet beter, dacht Houb. ‘Wij begrijpen dat,’ knikte hij, ‘maar maak je geen zorgen. Wij nemen jullie vuile was wel mee. Sterker nog, daar kwamen wij voor.’ Hij knipoogde een keer naar Ludo.

Ondertussen was Van Stervensbergen zittend, kontje voor kontje, de trap in de hal afgekomen. Zijn rechterbeen zat nog in het gips. Op de één na laatste tree bleef hij op zijn gemak zitten. ‘Jonge jonge, wie we daar hebben!’ riep hij joviaal, ‘De Blues Brothers! Trouwens, wat zeg ik…het zijn Arno en Gratje, de grote overwinnaars van gisteravond! Echt een geweldige act mannen!’

Oetlul, dacht Houb. ‘Ja, hè Dirk…’ zei hij met een grote glimlach, ‘jij kunt er anders ook wat van. Jij had pas een grote act!’

‘Hoezo?’

Het viel Houb op dat Van Stervensbergen verbaasd probeerde te kijken, maar dat dit werd overtroffen door een meer angstige blik. ‘Nou Dirk,’ begon hij met een sarcastisch ondertoontje, ‘een gebroken been faken getuigt van groot acteertalent. ’ Hij keek nu Kitty Monstermans recht in de ogen en vervolgde met: ‘En fantastische grime en special effects. Applaus voor jullie beiden!’

Van Stervensbergen en zijn vriendin keken elkaar even ongemakkelijk aan. Ze voelden zich duidelijk betrapt. De vriendin nam nu ineens het woord: ‘Ik weet wat jullie bedoelen. Jullie hebben het er over dat nu zijn rechterbeen in het gips zit en van de week zijn linkerbeen. Welnu, dat komt zo heren….’ Ze nam een grote hap lucht en begon toen zenuwachtig aan één stuk door te ratelen: ‘Het is inderdaad nepgips hihihi. Het is nepgips ja. Ik heb het ‘nep gebroken been’ een stuk hol nepgips dat je achter met klittenband aan elkaar kan maken, geleend van toneelvereniging ‘Net Alsof’. Ik heb daar ooit een rol gehad als model die reclame maakte voor afslankpillen. Degene die toen een rol had als huisarts had toen zogenaamd een gebroken been. Maar goed, ik mocht dat attribuut dus lenen. Het is universeel, past op zowel het rechter als op het linkerbeen. Hihi, heb ik het toch per ongeluk een keer aan het verkeerde been gedaan. Dirk had van de week last van jeuk en euh, toen hebben we het eraf gehaald. Hihihi, hè Dirk. Want het zit namelijk zo: Dirk is ZZP’er en zit in de ziekteverzekering hè Dirk, vanwege euh… bepaalde klachten zal ik maar zeggen. Maar omdat deze klachten niet genoeg waren om, zeg maar, verzekeringsgeld op te strijken, hebben we dat gebroken been erbij verzonnen. Zo is het toch hè Dirk. Tja, ze komen ooit op controle en dan…begrijpen jullie. Zo zit het.’

Ongelooflijk, hoe verzint ze het, dacht Houb. ‘Goh, dat is wat,’ zei hij, ‘zijn jullie verzekeringetje aan het oplichten. Dat ze daar intrappen zeg. Vragen ze dan niets na in één of ander ziekenhuis? Wij doen dat wel hè Ludo.’

Ludo knikte beamend. De beide speurders konden met moeite hun gezichten in de plooi houden.

Van Stervensbergen had nu zijn moed weer verzameld. Hij ging recht staan en zei op zelfverzekerde toon: ‘Zo, dan kan ik rustig gaan staan nu, de controleur zal op zaterdag toch wel niet komen. Ga het maar verraden Arno en Gratje. Toe, ga het maar verklikken. Ik lul er mezelf wel weer uit.’ Hij deed een pas naar voren, parkeerde zijn gezicht een centimeter voor Houb zijn ogen en zei op theatrale toon: ‘Maar één ding is zeker, mijn hooggeachte inspecteur, diender der Nederlandse wet. Verzekeringsfraude maakt van mij nog geen moordenaar.’

‘Zei ik dat dan?’ Houb was erg helder in zijn hoofd.

‘Nee, maar als je hier op deze manier binnenkomt, dan…’ Van Stervensbergen keek weer ongemakkelijk naar zijn vriendin die nu ogenschijnlijk heel ontspannen tegen de foeilelijke lambrisering leunde.

‘Luister,’ begon Houb op strenge toon, ‘ik kom alleen je vuile was halen. Dat gebroken been was dus geen goed alibi. Je kunt moeilijk bewijzen dat je thuis was ten tijden van de delicten. Ik wil alleen zeker weten of we jou/jullie uit kunnen sluiten als eventuele dader. Vandaar dat ik je was mee wil nemen.’

‘Mijn was? Meen je dat nou? Hoor je dat Kitty!’

Monstermans haalde haar schouders op en zei: ‘Het zal wel Dirk. Ze doen maar, ik geef er niks om. Zeker niet als ze het gewassen terugbrengen.’

Op bevel van Houb ging Monstermans de wasmand halen. Ludo liep met haar mee. Van Stervensbergen ging weer zitten, zei even niks meer en keek zuur voor zich uit. Houb besloot zijn mond ook maar even te houden. Zwijgend keken beide mannen langs elkaar heen.

Houb begon te peinzen. Als ik zijn gedachten nu kon lezen was het zo opgelost, dacht hij. Zou hij nu ook aan het bedenken zijn wat ik nu denk? vroeg hij zich af. Hij dacht van wel.

Toen Monstermans met Ludo in haar kielzog weer terug was met een propvolle wasmand begon Van Stervensbergen ineens rechtop te schreeuwen als een gek: ‘Stelletje viespeuken, wat doen jullie verdomme met onze was? Jullie gaan zeker in het ondergoed van Kitty snuffelen, stelletje vunzige beren! Worden jullie al een beetje geil, stelletje homo’s?!’ Hij raakte nu compleet buiten zinnen.’ Ja stelletje homo’s, achterlijke rugridders! Straks gaan jullie zeker mijn ondergoed besnuffelen, smerige apen! Vuile rotflik… !’

‘Houd je mond!’ schreeuwde Houb ter onderbreking. Ludo kon zijn lach amper houden. Houb maakte Ludo eerst even non-verbaal duidelijk dat hij het niet moest wagen nu te lachen. Hij deed dat door even heel erg boos met een zeer gefronst voorhoofd nee te schudden. Ludo’s gezicht schoot weer in de plooi. Wel bleef hij een beetje schudden.

Van Stervensbergen had gehoor gegeven aan Houbs oproep en keek zwijgend voor zich uit.

‘Luister meneer Van Stervensbergen,’ zei Houb kalmpjes, ‘ik kan je arresteren wegens het beledigen van ambtenaren in functie. Dat doe ik echter niet, want ik heb begrip voor je emoties. Weet je wat we afspreken? Van mij mag je alle was van Kitty, inclusief lingerie, eruit halen. Ook je eigen onderbroeken hoef ik niet. Is dat duidelijk? Nou vort, haal het er maar uit.’

Van Stervensbergen begon driftig in de wasmand te zoeken. Alle voornoemde artikelen begon hij driftig in de richting van zijn vriendin te gooien, die alles poogde op te vangen. ‘Dit is van jou, en dit is van jou,’ klonk het alsmaar.

Toen een roze lingeriesetje in twee afzonderlijke worpen voorbij kwam, konden Houb en Ludo het niet laten elkaar met bepaalde blikken aan te kijken. Ludo’s schouders begonnen weer te schokken.

Houb amuseerde zich kapot. Wat een mooie scène weer, dacht hij.

Toen de sortering klaar was, griste Houb nog een zomerjas van de kapstok. ‘Zo,’ zei hij, ‘dan wil ik in ruil daarvoor dit er nog wel bij.’ Hij gooide de jas boven op de wasmand die nu hoofdzakelijk gevuld was met kleding van het mannelijk geslacht.

‘Je doet maar,’ zei Van Stervensbergen gelaten, ‘gaan jullie maar gauw tevergeefs onderzoeken. Kunnen jullie ondertussen nog een liedje zingen. Puh, Arno en Gratje, knap waardeloos. De jury was volgens mij behoorlijk bezopen.’

‘Precies,’ zei Houb, ‘kunnen jullie de wasmand een paar dagen missen?’

‘Jawel hoor, ik heb er nog één,’ zei Monstermans zogenaamd vrolijk, ‘brengen jullie alles gewassen en gestreken mee terug?’

‘Ik beloof niks,’ zei Houb. Hij nam de wasmand onder de arm. ‘Nou, dag samen! Ga je mee Ludo?’

‘Ook dag samen,’ zei Ludo, terwijl hij achter Houb naar buiten sjokte. Ze keken beiden niet meer om. Dat durfden ze niet meer. Ze hoorden hoe Van Stervensbergen de deur achter hen met een harde klap dichtsloeg.

 

Toen de Multipla met een redelijk gevulde wasmand wegreed, stond een busje met het opschrift ‘www.dewitgoed-koning.nl’ klaar om de vrijgekomen plek in te nemen. ‘Wat een sukkel,’ bromde Houb, ‘welke idioot noemt zichzelf nou de witgoedkoning.’ Hij stak uit beleefdheid wel zijn hand op.

‘Weet je Houb,’ zei Ludo toen ze even later over de lange rechte weg naar Eersel zoefden, ‘ik heb ook ooit een vriendin gehad met een roze lingeriesetje. Dat vond ik niks. Het was net alsof ik een varken aan het opdrijven was.’

‘Tja, dat heb je met roze,’ zei Houb.

 

Wat later op de dag lag Houb onderuitzakt op de bank te snurken. Door vermoeidheid en meer nog door het oeverloze gemijmer van Mart Smeets en Maarten Ducrot was hij in slaap gevallen. Hij schrok plotseling overeind omdat hij een hoop geritsel hoorde. Het was zijn Josefien met twee zakken chips. Ze was net terug van het boodschappen doen. ‘Kijk, held van gisteravond, speciaal voor jou!’ klonk het uitbundig, ‘ik heb voor deze keer het good old duo paprika en gewoon meegebracht. Kun je vanavond kiezen als het eerste lijk zich aandient bij Inspector Lynley!’

Natuurlijk wordt dat paprika, weet ze nou nog niet dat ik een hekel heb aan gewone chips, dacht Houb. Hij maakte met zijn mond een kusgebaar.

Josefien glimlachte, boog voorover en kuste hem op de mond. ‘verder heb ik nog iets,’ fluisterde ze schor in zijn oor, ‘ik heb bami-ingrediënten meegebracht. Ik ga voor jou zo meteen een lekkere pan bami bereiden, op mijn manier.’

Houb was aangenaam verrast. Hij onderging een intens geluksgevoel.

Dat een aantal renners al lang en breed over de finish waren, daar had hij nog geen erg in.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

XIII

 

Het weekend was kort geweest. Toch was Houb blij dat het weer maandag was en hij verder kon met zijn werk. Hij had net telefonisch het één en ander doorgesproken met Huijgebaard en staarde wat afwezig naar de volle wasmand die in een hoek van zijn kantoor stond. Na deze zaak gaan we er eens lekker tussenuit, dacht hij hoopvol.

Opeens kwamen Van Ombeek en Veuls zijn kantoor binnen gestormd.

‘Politie!’ schreeuwde Van Ombeek, terwijl hij net deed alsof hij een pistool op Houb richtte. Veuls sprintte naar Houb toe en begon van achter aan zijn armen te trekken, zogenaamd om hem te boeien. ‘Zo Gratje,’ siste hij luid in zijn oor, ‘jou hebben we, lelijke deugniet. Waar is je handlanger, die stomvervelende Arno?’

‘Ik ben Arno,’ antwoordde Houb stoïcijns. Hij had eigenlijk geen zin in deze flauwekul.

Van Ombeek lachte luid: ‘Hahaha Houb, zeg proficiat van afgelopen vrijdag jongen. Het was schitterend, had ik gehoord!’

Houb wurmde zich los, draaide zijn stoel en gaf Veuls een flinke duw zodat hij met zijn hoofd tegen de achterwand aanbotste.

‘Au lul!’ riep deze zichzelf over zijn hoofd aaiend.

‘Zo mannen, to the point nu,’ zei Houb de sfeer weer ombuigend, ‘ik heb jullie niet voor niets bij me geroepen. Allereerst hoe was de uitvaart? Nog opvallende zaken gesignaleerd?’

Veuls die zich weer trouw naast zijn gezel had gepositioneerd haalde zijn schouders op. Hij aaide nog steeds over zijn hoofd.

Het is net alsof hij nu pas door heeft dat hij een hoofd heeft, dacht Houb. ‘Kom op mannen, niks bijzonders?’ probeerde hij nog een keer.

Veuls en Van Ombeek keken elkaar met hersendode blikken aan.

‘Tja, er was weinig opvallends, hè Ad,’ begon Van Ombeek aarzelend. Plotseling leek hem toch nog iets te binnen te schieten. ‘Oh ja, behalve dan die kast!’ Er verscheen een grote grijns op zijn gezicht.

Veuls begon nu ook te lachen: ‘Haha, ja die kast. Gossiemijne ja!’

‘Kast? Wat voor kast?’ vroeg Houb geïrriteerd. Waar hebben de idioten het in godsnaam over, dacht hij.

Van Ombeek begon, met nog steeds dezelfde grote grijns op zijn gezicht, uit te leggen: ‘Die dooie, mevrouw Trees Klavermans, lag niet in een normale kist maar in een grote oude kast van Ikea. Ik hoorde na afloop buiten de kerk dat het een oude kast was van een broer van Trees, die hij toch op wilde stoken. Omdat Trees gecremeerd werd, liet de familie de kans op zo’n win-winsituatie niet liggen. Zo hadden ze geen dure lijkkist nodig en die broer van Trees hoefde zijn Ikeakast niet zelf op te stoken.’

Houb vond het erg grappig maar besloot niet te lachen. ‘Ach ja,’ reageerde hij droogjes, ‘wat maakt het uit. Als de deurtjes goed zijn dichtgetimmerd kan dat best. Maar verder niks bijzonders heren? Zat Tinus vooraan?’

Beide surveillanten fronsten hun wenkbrauwen. ‘Tinus…Tinus,’ herhaalde Veuls nadenkend, ‘eigenlijk niet op gelet. Jij wel Hans?’

Ook Van Ombeek bekende schoorvoetend dat hij dit niet in de gaten had gehouden. ‘Er was wel een nieuwe pastoor volgens mij,’ zei hij toen.

‘Ach ja, wat maakt het uit klootzakken,’ zei Houb op ongeïnteresseerde toon, ‘eigenlijk was het ook niet zo belangrijk. Ik heb alweer een andere klus voor jullie.’ Hij gaf de twee instructies om de mand was naar het forensisch lab te brengen. ‘Ik denk dat dat jullie samen wel gaat lukken,’ eindigde hij sarcastisch zijn uitleg. ‘Vort nu!’

De twee verdwenen met de mand was door de deur. ‘Ha Arno!!’ hoorde Houb ze nog op de gang krijsen.

Ludo kwam binnen. ‘Die sukkels weten niet dat ik Gratje ben,’ zei hij.

Houb knikte. ‘De sukkels zijn richting forensisch lab, Ludo. En weet je wat wij gaan doen?’

‘Geen flauw idee.’

‘Wij gaan lekker wangslijmmonsters nemen van drieëntwintig mooie dames.’

‘Wat?’

‘Zoals ik het zeg: wangslijmmonsters nemen van drieëntwintig mooie dames!’

 

Op de bekende boerderij aan de Koepadweg had éne Martin Bundsteker al alle drieëntwintig runderen vanuit het weiland van de moord de stal ingejaagd. Hij pakte de kar met krachtvoer en doseerde met een grote schep de lekkernij over de voergoot. Toen alle beesten met hun koppen door het hek gretig stonden te vreten, trok Tinus snel en krachtig het voerhek met een hendel dicht. Sommige koeien en vaarzen schrokken en probeerde vergeefs hun koppen terug te trekken. Eenmaal erachter dat ze in de val waren getrapt, gingen ze weer doodgemoedereerd verder met eten.

Tinus keek tevreden toe. De beesten stonden allemaal netjes vast, precies zoals inspecteur Houb het hem via de telefoon had opgedragen. Zo, Houb en zijn maat mogen van mij komen, dacht hij. Terwijl hij dit dacht kwam stonden ze al ongeveer achter hem. Ludo droeg een plastic tasje van het Kruidvat.

‘Goedemorgen Tinus,’ groette Houb, ‘je hebt vanochtend al goed gewerkt, zie ik.’

Tinus knikte. ‘Zo is het inspecteur, ik weet niet wat je precies van plan bent maar ga je gang. Hopelijk pak je binnenkort de dader, want dat wordt tijd. Nou, ik ga koffie drinken.’

Meteen na deze abrupte mededeling beende hij midden over de voergang weg. ‘Nog proficiat met jullie overwinning vrijdag trouwens!’ riep hij volkomen onverwacht in de deuropening.

‘Dank je,’ luidde de gezamenlijke reactie van Houb en Ludo. Ze keken elkaar even aan. ‘Volgens mij was hij het niet echt eens met de uitslag,’ veronderstelde Ludo, ‘ik bespeurde een bepaalde ondertoon in zijn stem.’

Houb haalde zijn schouders op. ‘Iedereen is jaloers dat wij op reis mogen Ludo. Overigens was het een reis voor twee personen. Ik had toch bedacht dat we de vrouwen ook maar meenemen. Dat moeten we extra bijbetalen. Zo gaat dat. Maar als we dit nu snel oplossen krijgen we nog een aardige bonus van de burgemeester. Nou, kom eens hier met die zak.’

In de zak zaten latex handschoenen, boterhamzakjes, papieren stickertjes en wattenstaafjes. Ludo toverde nog een lege vuilniszak uit zijn broekzak en spreidde die uit over de voergang. Hierop stalde hij hun hele waar uit. De mannen trokken de handschoenen aan en gingen aan de slag. Houb hield telkens een rund in bedwang door twee vingers in haar neus te duwen. Met zijn andere hand trok hij vervolgens de bek open, zodat Ludo met het wattenstaafje door de binnenkant van de bek kon gaan. De wattenstaafjes met het wangslijm verdween ieder apart in een boterhamzakje. Op elk boterhamzakje werd een sticker geplakt waarop Ludo het oornummer van de bijbehorende vaars schreef. Het ging allemaal vanzelf alsof ze nooit anders hadden gedaan. Na drie kwartier waren ze klaar.

Net toen alle monsters netjes in het Kruidvattasje zaten was Tinus weer gearriveerd. Hij overhandigde Houb een stapel identiteitskaarten van de koeien. ‘Als het goed is, moeten ze dit zijn,’ bromde hij.

‘Mooi! Bedankt Tinus,’ zei Houb, ‘je dames mogen weer los.’

 

In een sneltreinvaart racete de Multipla naar het forensisch lab in Eindhoven. Net buiten Eersel kwamen ze Van Ombeek en Veuls tegen. Houb en Ludo zwaaiden, maar er werd niet teruggezwaaid.

‘De sukkels zien ons niet eens, en dat werkt dan bij de politie,’ zuchtte Houb.

‘Over sukkels gesproken Houb. Hadden wij die wasmand niet net zo goed mee kunnen nemen?’

Houb begon te lachen: ‘Misschien wel Ludo, maar ze willen zo graag meehelpen aan de moordzaak. Vandaar dat ik ze uit meelij deze klus heb gegeven. Maar ach, wat kun je ze anders laten doen. Bovendien kunnen Huijgebaard en zijn mannen nu meteen al verder met hun werk.’

Ludo grijnsde. ‘Zo is het baas.’ Hij zette de radio aan welke nog stond geprogrammeerd op studio Brussel. Ze vielen midden binnen in het nummer Evil van Interpol. Ludo bewoog zijn hoofd heen en weer op de maat van de muziek. ‘Geweldig nummer, zo typisch Brits,’ zei hij lyrisch.

‘Het is een Amerikaanse band,’ corrigeerde Houb.

 

Na de overdracht van de wangslijmmonsters aan het lab, complimenteerde Huijgebaard Houb met zijn vindingrijk speurdersschap. ‘Subliem Houb,’ zei hij zachtjes in zijn handen klappend, ‘dat had niet achter je gezocht toen ik voor de eersten keer met je kennismaaktennn, mijnn bestenn vriend.’

‘Ik vond je toen ook een rarennn kerel die voor mijn voetennn liep ende me stond te vervelennn,’ swieberde Houb terug. Ze kregen beiden een idiote lachaanval die niet meer te stoppen leek. Ludo besloot maar wat onwennig mee te lachen. Al met al duurde het lachen langer dan gewenst.

Eenmaal weer in de serieuze modus vroeg Houb: ‘Hoe lang duurt het, mijnheer Huijgebaard? Hoe snel weet je de uitslag?’

‘Over ruim een dag,’ antwoordde Huijgebaard, de tranen nog uit zijn ogen wrijvend.

‘Je bedoelt vierentwintig uur?’ vroeg Ludo verbaasd.

Huijgebaard gebaarde met zijn hoofd in de richting van Ludo: ‘Een Belg zeker?’

‘Zeker, een Belg,’ knikte Houb. ‘Vierentwintig uur per dag is hij Belg.’

‘Hahaha,’ zei Ludo zonder te lachen, ‘maar serieus, ik wist niet dat zoiets zo snel ging.’

‘Dat kunnen ook wij alleen hier in Eindhoven,’ zei Huijgebaard enigszins trots, ‘het is een nieuwe techniek met behulp van nanotechnologie. Wij lopen daar erg in vooruit. Brainport Eindhoven weet je wel.’

‘Perfect,’ zei Houb, ‘bel me morgen maar op mijn mobiel als je iets weet.’

‘Doe ik,’ beloofde Huijgebaard.

‘Mooi,’ zei Houb, Ludo tevreden aankijkend, ‘dan kunnen wij zo meteen rustig een dutje gaan doen. De Tour is immers toch afgelopen.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

XIV

 

Houb en Ludo zaten buiten in de zon op een bankje in het plantsoen naast het politiebureau te genieten van hun middaglunch. Terwijl Houb een hap van zijn boterham met kaas nam, keek hij onrustig naar het schermpje van zijn mobiel.

‘Oproep gemist?,’ informeerde Ludo hoopvol.

‘Nee nee,’ antwoordde Houb, ‘ik kijk alleen even op mijn telefoon hoe laat het is.’

‘En…’

‘Kwart over één.’

‘Miljaardeju, de lul heeft gelogen over zijn vierentwintig uur,’ zei Ludo zijn broodtrommel sluitend.

Beiden mannen keken vervolgens een tijdje zwijgend naar een heldhaftige mus die vlak voor hun voeten over het gras liep. Dit tafereel duurde net zo lang totdat de mus opvloog vanwege het bekende Peer Gynt-deuntje. Het geluid deed uiteraard ook de mannen opveren. Houb wist niet hoe snel hij de telefoon uit zijn zak moest halen. Het scherm toonde voor dat moment de magische letters: ‘Huijgebaard’.

Houb maakte snel verbinding en bracht de gsm naar zijn oor. ‘Inspecteur Houb met O U en een B,’ sprak hij kalm.

‘Houb, we hebben een match!’ klonk het onomwonden aan de andere kant van de lijn, ‘op het zomerjasje van Van Stervensbergen zaten speekselsporen waarvan het DNA overeenkwam met het DNA van de dames Bertha vijf, Pieta één en Klara drie.’

‘Mooi,’ bromde Houb, ‘net zoals ik al dacht.’ Hij probeerde zo stoïcijns mogelijk over te komen. Hij vond dat dat zo hoorde. Inwendig juichte hij uiteraard. Ludo begon daarentegen al meteen rare danspasjes te oefenen rondom het bankje. Hij maakte daarbij veel gebruik van zijn armen. Net een lid van de Raad van Elf, dacht Houb.

‘Oh ja, Houb en er is nog iets… ,’ ging Huijgebaard verder, ‘in de zak van een lelijke geruite korte broek vonden we een rubberen handschoen. Deze handschoen hebben we onderzocht en die bleek afkomstig te zijn van de Aldi. Rubbersporen van een zelfde handschoen zijn ook gevonden op de gaffelsteel van die eerste moord, weet je nog. Je kunt gaan arresteren Houb.’

‘Doen we,’ zei Houb op een toon alsof het allemaal niks voorstelde, ‘als de dader heeft bekend, dan geven we een persconferentie. Ik laat je dat dan wel weten. Kun je iets komen vertellen over het forensisch onderzoek als je het wilt. Dat geeft het allemaal wat meer cachet.’

‘Is goed jongen, ik hoor het wel.’

Houb bedankte Huijgebaard en verbrak de verbinding. Vervolgens greep hij Ludo van achter bij zijn schouders en zo dansten de twee mannen in nette pakken de polonaise rondom een bankje. De sirtaki vond Houb te ver gaan. Die was slechts voorbehouden aan een lijkvondst.

 

 

Vanaf toen leek alles in een stroomversnelling te komen. Houb wilde niet te lang wachten met de arrestatie, om het risico te ontlopen dat de dader en zijn medeplichtige vriendin straks waren gevlogen.

Terwijl Ludo Van Ombeek en Veuls uit de bureaukantine aan het plukken was, zocht Houb op internet naar het nummer van frituur De Plèkjanus in Knegsel. Eenmaal gevonden begon hij meteen te bellen. Voor het mondgedeelte had hij het onderste stuk van zijn stropdas gewikkeld.

Aan de andere kant werd vrijwel direct opgenomen. ‘Frituur de Plèkjanus, met Kitty,’ klonk een vrouwenstem. Dit was wat Houb wilde horen. Perfect, ze zegt zelfs haar naam, dacht hij. Zo hoefde hij niet op het stemgeluid af te gaan. Ineens verschenen Ludo, Van Ombeek en Veuls met een hoop kabaal in de deuropening van zijn kantoor. Met een vinger op zijn mond en met een arm zwaaiend, maande hij ze snel tot stilte. ‘Euh goedemiddag, met meneer Jansen,’ sprak hij met verdraaide stem in de hoorn met stropdas, ‘ik wilde alleen even weten of jullie vanmiddag open zijn. Ik kom waarschijnlijk straks met een kinderfeestje. Tien kinderen. Gewoon friet met frikandellen of kroketten, als dat kan?’

‘Natuurlijk kan dat mijnheer,’ hoorde hij Kitty Monstermans reageren, ‘we zijn heel de middag en avond open.’

‘Oké,’ zei Houb, ‘tot waarschijnlijk straks dan.’ Hij groette en verbrak de verbinding. ‘Zeker tot straks,’ mompelde hij, terwijl hij zijn stropdas weer fatsoeneerde. .

‘Meneer Jansen…. wat cliché,’  lachte Ludo.

‘Erg leep, dat met die stropdas,’ meende Van Ombeek aan te moeten vullen, ‘echt niemand die je herkent.’

Houb negeerde de opmerkingen. ‘Luister mannen, ik bedoel Van Ombeek en Veuls,’ zei hij op bevelende toon, ‘het moment is daar om arrestaties te gaan verrichten en jullie zijn de uitverkorenen. Ga als de wiedeweerga naar frituur De Plèkjanus in Knegsel en arresteer de werkneemster, ene Kitty Monstermans. Onthoud die naam. Ik heb net haar aanwezigheid geverifieerd. Arresteer haar, omdat ze verdacht wordt van medeplichtigheid aan de dubbele moord op Dré en Trees Klavermans. Boei haar en neem haar mee naar het bureau hier. Duidelijk?’

Van Ombeek en Veuls keken elkaar opgewonden aan.

‘Wow,’ zei Veuls.

‘Cool,’ zei Van Ombeek.

‘Opschieten idioten,’ zei Ludo.

Van Ombeek en Veuls gaven elkaar een high five. In plaats van dat ze aanstalten maakten om te vertrekken, vroeg Veuls: ‘Moeten we dan ook heel dat riedeltje afsteken van: ‘u hebt het recht te zwijgen. Alles wat u niet zegt kan voor u gebruikt worden’ of zoiets. Ja, hoe gaat dat riedeltje ook al weer?’

‘Geen flauw idee,’ antwoordde Houb met de nodige desinteresse, ‘maak er maar wat moois van.’

‘Oké… ,’ zei Veuls aarzelend met een denkfrons op zijn gezicht. Hij wilde duidelijk nog iets zeggen, maar wist niet meer wat. Houb bleef hem aankijken. ‘Oh ja,’ klonk het uiteindelijk,  ‘euh Houb… wat ik nog meer wilde vragen: mogen wij de sirene aanzetten?’

‘Nee!’ antwoordde Houb kort.

Zowel hij als Ludo genoten van de twee teleurgestelde gezichten. Helaas duurde dit niet zo heel lang. Van Ombeek had al snel weer een idiote grijns op zijn gezicht getoverd en vroeg heel onnozel: ‘Is die Kitty Mosselmans een lekker wijf?’

Hij knipoogde naar zijn collega surveillant die hierop dezelfde ongewenste gezichtsuitdrukking uit begon te venten.

Houb besloot het gegrijns wat te ontmoedigen. ‘Monstermans!’ bulderde hij, ‘ze heet godverdomme Monstermans!’

Van Ombeeks en Veuls schrokken zich te pletter.

‘Maar als je het wilt weten,’ ging Houb nu weer rustig verder, ‘kop: een zes, lijf: een acht.’

‘Jij rijdt! Ik offer me op om aan haar vast geboeid te worden op de achterbank!’ krijste Van Ombeek.

‘Andersom!’ gilde Veuls.

Nu werd het Houb allemaal teveel. Hij sprong overeind en duwde ze hardhandig in de richting van de deur. ‘En nu wegwezen!’ schreeuwde hij.

Giechelend en kirrend als schoolmeiden holden ze de gang op.

‘Het is allemaal wat,’ zei Ludo, ‘zullen wij dan ook maar gaan Houb?’

Houb had de Multipla-sleutels al uit zijn broekzak gevist.

 

Terwijl Houb bij de woning van Van Stervensbergen aanbelde was Ludo al stiekem achterom geslopen om hem bij een eventuele vlucht via de achterdeur de pas af te snijden.

Van Stervensbergen deed echter snel open.

Houb viel meteen met de deur in huis. ‘Dirk Van Stervensbergen, Ik arresteer u als verdachte van de moorden op Dré en Trees Klavermans. U hebt het recht om te zijgen, alles wat u zegt kan tegen u gebruikt worden enzovoorts. Maar om het kort samen te vatten: u staat nu onder arrest.’ Frost had dit niet beter kunnen doen, dacht hij tevreden.

De ogen van Van Stervensbergen werden groot en angstig. Hij wilde iets zeggen maar er kwam niets uit.

Intussen was Ludo ongemerkt achter hem verschenen met de handboeien in de aanslag. Houb gaf hem een stoer seintje met zijn hoofd ten teken van goedkeuring. Ludo trok de armen van Van Stervensbergen naar achteren en klikte de boeien vast. Van Stervensbergen liet het allemaal gelaten over zich heen komen. Zonder enig verzet liet hij zich zwijgend meevoeren naar de Multipla. Hier werd zijn rechterhandboei even losgemaakt en aan de linkerpols van Ludo gekoppeld. Zo kon hij gezellig tussen Ludo en Houb op de middelste voorstoel zitten en was het voor hem moeilijk ontsnappen. Maar eerst moest Ludo nog wel even met hem terug om de achterdeur te sluiten. Dit op verzoek van Van Stervensbergen zelf, die hiervoor noodgedwongen even zijn zwijgen had moeten onderbreken. ‘Mag ik nog wel even mijn achterdeur gaan sluiten? Je weet het maar nooit met die criminaliteit tegenwoordig,’ had het doodgemoedereerd geklonken,

Houb had hierop een lichte glimlach niet kunnen onderdrukken.

 

Nadat Van Stervensbergen voorlopig was opgeborgen in een cel, stonden Houb en Ludo buiten in het zonnetje te wachten op Van Ombeek en Veuls die nog steeds niet waren gearriveerd.

‘Misschien is ze hem wel gepeerd,’ opperde Ludo, ‘ze blijven zo lang weg.’

‘Het duurt inderdaad wel lang,’ mopperde Houb op zijn mobiel kijkend, ‘maar goed, dan zouden ze wel gebeld hebben, neem ik aan.’

‘Van Ombeek en Veuls zijn anders niet al te schrander,’ zei Ludo die van verveling met de punt van zijn schoen een stoeptegel stond te reinigen.

Na een minuut of tien wachten, scheurden ze dan eindelijk achterom. Monstermans had zo te zien ook niet veel te missen. Ludo bracht haar samen met Van Ombeek, die zich aan haar vast had geketend naar een cel.

‘Nou, jullie bleven lang weg,’ begon Houb tegen Veuls die heel stoer tegen de surveillanceauto leunde.

‘Ach ja,’ reageerde deze, ‘ze is er nu toch.’

Toen Houb dichterbij hem kwam rook hij een bekende lucht. ‘Verdomme Veuls, heb jij aan een frikandel speciaal gezeten?’ informeerde hij.

Veuls knikte: ‘Ja Houb, wat dacht je dan? We hadden nauwelijks geluncht door alle commotie. Dus we hebben haar, alvorens tot de arrestatie over te gaan, eerst wat laten bakken. Ik had een frikandel speciaal en Hans een bami.’

‘Klootzakken,’ zei Houb. Hij had zelf ook wel zin in een bami.

 

Houb had besloten om ze maar meteen allebei tegelijk te verhoren. Allebei tegelijk, want Houb had beredeneerd dat dat misschien wel een voordeel kon zijn. Zolang ze maar niet beginnen te zeiken over een advocaat, dacht hij. Hij hoopte dat de bekentenis niet lang op zich liet wachten, want hij vond het nu wel welletjes. Hij dronk zijn koffie op en snelde naar de verhoorkamer waar Ludo al met de twee verdachten zat te wachten.

‘Maandag, 26 juli, 15 uur 10, inspecteur Houb komt binnen,’ sprak Ludo bij zijn binnenkomst in een dictafoon. Tegenover hem zaten Van Stervensbergen en Monstermans voor zich uit te staren.

‘Het is dinsdag 27 juli,’ verbeterde Houb.

‘Amateurs,’ mompelde van Stervensbergen.

‘Inspecteur Houb gaat zitten en begint met zijn verhoor,’ ging Ludo onverstoorbaar verder in het opnameapparaat dat hij vervolgens naar het midden van de tafel schoof.

‘Zo mensen, lekker weertje hè,’ begon Houb op informele toon om wat sfeer te creëren. ‘Goh, weet je waar ik net over na aan het denken was,’ ging hij luchtig verder, ‘het heeft er verder misschien niets mee te maken, maar weten jullie wie Tatort is?’

Er kwam helemaal geen reactie. De twee bleven onbeweeglijk zitten.

Houb besloot de twee dan maar meteen met de bewijslasten en de aantijgingen te confronteren, maar ze zwegen voortdurend. Over een advocaat werd gelukkig niet gerept. Aan het einde van de aantijgingen besloot Houb de psychische druk wat op te voeren. Hij schroefde zijn stemvolume wat op en kwam met de volgende slotconclusie: ‘Uiteindelijk heb je een dubbele moord gepleegd. Op Trees Klavermans en Dré Klavermans. Deze laatste bleek je vader te zijn. Je hebt je vader vermoord. De man die jou, misschien bruut maar waarschijnlijk toch met liefde, heeft verwekt! Je hebt je vader vermoord die misschien stiekem van je hield! Je durfde hem niet in de ogen te kijken toen je hem met die gaffel in zijn rug duwde! Hoe voelde…’

‘Stop, hou op!’ schreeuwde Van Stervensbergen ineens uit. Hij begon luid te snikken: ‘Ik heb het gedaan oké! Oh god, wat heb ik gedaan! Ik verdien straf!’

Zo gemakkelijk breekt hij dus, dacht Houb. Hij gaf Ludo een tevreden blik. ‘Aha, zei hij doodkalm, ‘ik kan dit dus zien als een bekentenis, mijnheer Van Stervensbergen?’

Van Stervensbergen, inmiddels gepromoveerd tot dader knikte ‘ja’ en legde vervolgens zijn snikkende hoofd op de tafel. Hij griende als een klein kind. Houb en Ludo keken zwijgend toe. Vervolgens richtten ze hun blik op Monstermans, die nu overeind was gekomen.

‘Zo dat was het dan,’ zei ze laconiek, ‘dan kan ik nu gaan zeker? Ik heb er niks mee te maken.’ Ze maakte aanstalten om te vertrekken maar het was Van Stervensbergen zelf die overeind vloog en haar terug in de stoel drukte. ‘Nee, jij blijft hier stomme trut!’ schreeuwde hij, ‘het was allemaal jouw idee. Laat me nu niet in de steek. Jij bent medeplichtig!’

Nu begon Monstermans luid en hysterisch te snikken.

Het zag er allemaal heel dramatisch uit. Het liep precies zoals Houb wilde.

Nadat de eerste emoties waren gezakt vertelde Van Stervensbergen zijn verhaal. Monstermans, die inmiddels besefte dat er geen weg meer terug was, zat apathisch voor zich uit te kijken. Ze sprak Van Stervensbergen in ieder geval niet meer tegen.

Van Stervensbergen vertelde dat ze na de dood van zijn moeder samen een plan hadden gesmeed om het echtpaar om te brengen. Dit om de erfenis op te strijken, vanwege de financiële problemen die ze hadden. Zijn bedrijfje wilde namelijk vanwege de crisis niet zo lopen. Hij deed het ook als een soort wraak namens zijn moeder, omdat ze vroeger door Dré bruut te grazen was genomen. Hij voelde daardoor ook weinig compassie voor de man die zijn vader was. Met Trees had hij meer moeite gehad. Het was allemaal begonnen als een flauwekulidee van Monstermans, maar ze hadden het steeds meer serieus genomen. Geïnspireerd door de detectiveseries op tv, waren ze tot actie overgegaan. De eerste moord moest op een ongeluk lijken. Uiteindelijk had Van Stervensbergen die toch min of meer impulsief gepleegd. Monstermans had hem de ochtend voor de moord om zes uur al bij de boerderij afgezet. Dit om het één en ander alvast te observeren en een plannetje te smeden. Echter toen Van Stervensbergen zag hoe Dré Klavermans die middag vanaf de maishoop in zijn voermengwagen stond te staren aarzelde hij geen moment. Hij trok eerst zijn, uit voorzorg meegenomen rubberen handschoenen aan, pakte de gaffel die buiten tegen de schuur stond en was op hem afgeslopen. ‘Het was gebeurd voor ik me ervan bewust was,’ verklaarde hij, ‘het ging zo snel. Ik stak, hij viel. Ik holde naar de trekker en drukte een keer tegen de gashendel. Daarna heb ik de gaffel snel ergens onder een afdakje gegooid en ben ik de mais ingevlucht. Aan de andere kant van de maïs aan die zandweg heeft Kitty me toen later weer opgepikt. Het leek een briljant ongeluk…’

Houb knikte vol begrip: ‘Vervolgens heb je Trees verdronken. Geïnspireerd door je eerste gaffelmoord, heb je daarbij ook een gaffel gebruikt die je zelf speciaal voor de gelegenheid had aangeschaft. Ook toen ben je weer in de mais gaan zitten tot ‘s avonds. Het moest op zelfmoord lijken uit verdriet. De gaffel heb je waarschijnlijk onderweg ergens in een sloot gedumpt.’

‘Je hebt het helemaal goed inspecteur, mijn complimenten,’ zei Van Stervensbergen gelaten, ‘en het leek ons nog zo briljant.’

‘Dat was het ook,’ beaamde Houb, ‘echter op één ding na: je had beter eerst Trees om kunnen brengen. Dan was Dré, je vader, geheel eigenaar geweest van de boerderij. Dat zou erftechnisch veel interessanter zijn geweest.’

‘Hoor je het, Dirk,’ mengde Monstermans zich plotseling in het gesprek, ‘dat zei ik toch ook. Het zou de helft hebben gescheeld als het was gelukt.’

‘Inderdaad, als het was gelukt,’ mompelde Houb. Hij vond het nu een geschikt moment om op te staan en met een onbewogen gezicht de verhoorkamer uit te lopen. Dat deed hij dan ook.

‘Einde verhoor,’ zei Ludo tegen de dictafoon.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

XV

 

De burgemeester had de dag na de bekentenis, zoals beloofd, een grote persconferentie weten te organiseren in het gemeentehuis van Bergsel.

Het was een heel mediaspektakel geweest. Van Grensstreek TV, Omroep Brabant, tot en met de NOS, van de plaatselijke krant De Eyckelhint, het Eindhovens Dagblad tot en met De Telegraaf, allemaal waren ze komen opdraven.

Houb en Ludo hadden het allemaal maar over zich heen laten komen. Houb had kort en bondig zijn verhaal verteld, waarna de ook opgetrommelde Huijgebaard dieper was ingegaan op de aspecten van het forensisch onderzoek.

Vervolgens had burgemeester Lepemans wel liefst een uur het woord gehad. De hoogedelgestrenge heer had verteld erg trots te zijn dat ‘zijn’ mensen het allemaal zo snel hadden opgelost. Hij had daarbij openlijk laten merken erg in zijn nopjes te zijn geweest met de hele zaak. ‘Bergsel staat weer op de kaart. Een moorddorp, de toeristische place to be,’ had er schaamteloos uit zijn mond gerold. Aan het einde van zijn optreden had hij Houb en Ludo bedankt, om hen vervolgens en plein public een grote envelop toe te steken.

Tijdens de aansluitende borrel met hapjes en drankjes van cateringbedrijf Het Contènte Mènneke, hadden Houb, Ludo, Huijgebaard en aanhang kans gezien om het pand stiekem via de achterzijde te verlaten. Houb had toen vervolgens thuis voor het hele gezelschap bami bereid. Hij had immers voor noodsituaties altijd een voorraadje basis-ingrediënten voor bami in de diepvries liggen. Om één of andere onbeduidende reden was hij al twee dagen continu bamigeil geweest.

 

Houb lag nu, twee weken later, naast Ludo op het strand van een Canarisch eiland. In de branding waren Joyce en Josefien joelend aan het frisbeeën. Houb was in diepe slaap gevallen. Ludo gaf hem een kus op de wang en fluisterde: ‘Ik hou van je Houb.’

Houb sliep gewoon verder.